Rayon Wassenaar

 

Ik ben op bezoek bij tante.

Tante ligt niet lekker bij de rest van de familie. Ze is door bedbevuiling hogerop gekomen en bewoont nu samen met mijn oud-ministeriële stiefoom een optrekje in Wassenaar. En alhoewel de tijd zijn tanden in tante's schoonheid heeft gezet, doet ze nog altijd denken aan een vlaggenschip. Eentje met de wind vol in de zeilen. Bij haar vergeleken is mijn oud-ministeriële stiefoom een houten sloepje. Ik mag tante wel. Ze heeft geroeid met de riemen die ze had. Daar is verstand voor nodig. Dat weet ik uit ervaring.

Ik ben gekomen met een missie. 'Groeten uit De Haag' zit in mijn tas. Tante houdt van lezen. Op de glazen salontafel staan, pontificaal, de verzamelde werken van Couperus in een prachtuitgave. Terwijl tante koffie schenkt, pak ik een boek uit de cassette die eruit ziet alsof hij nog maar net van zijn cellofaan ontdaan is. 'Niet te ver openslaan,' zegt tante, 'anders krijg je plooien in de rug.'

'Laat dat kind toch,' mompelt stiefoom, maar ik heb geleerd dat hij, sinds zijn huis het huis van tante werd, niet meer maatgevend is.

Ik open het boek op een kiertje en lees dat Couperus schrijft: "Terwijl hij wandelde, was dat als een wijde droom om zijne jeugd heen: de bekoring van alle de heele kleine frissche groene loovertjes, die als zichtbaar ontloken tegen een ongewone ijlheid aan van doorzichtige lentelucht." Ik lees dat hardop. 'Gaat dat over blaadjes, tante?' vraag ik.

Tante zegt licht geërgerd dat ze bezig is koffie in te schenken en geen twee dingen tegelijk kan doen. Dan gaat ze zitten en declameert galmend, vóór haar eerste slok: ''Hij lag op den grond, in het avonddauwkille gras, in den mist, die rees als witte spook, tusschen hem en de brandblakende stad, en door het spook heen zag hij naar de roode en gele lichten, zag hij naar den damp uit de ovens, slaande tegen het zwerk aan." Avonddauwkille gras. Prachtig. Prachtig toch?'

Het heeft wel wat, zoals tante het brengt. Het heeft wel wat, inderdaad.

''Om hem ijsde de koude waarheid",' raast tante voort, "als de verkillende lucht van den vallenden avond, die voor eeuwig viel." Ja, dat is pas onontkoombaar. Zo schrijven ze ze niet meer tegenwoordig. Eén zo'n zin rechtvaardigt de aanschaf al.'

Ik kijk naar oom. Die is voor het geld.

'Zevenhonderdvijfennegentig,' zegt hij al.

Mijn missie. Ons boekkie. Vijfentwintig pieken slechts. Dit is mijn kans. Wellicht. Maar ik durf niet.

De rest van de middag citeert tante voort. Wij schakelen over op sherry en jenever. Ze gaat er bij staan. Ze wordt af en toe blauw in het gezicht. De wind in haar zeilen zwelt op momenten aan tot een orkaan. Ik raak steeds meer onder de indruk. "Hij nam haar in zijn armen, zij prangde hem in de hare," juicht tante. Ze is de diva. Een vliegdekschip. Minstens. Oom staart door het raam naar zijn park.

 

Tante doet mij wankelend uitgeleide. Ze is danig in haar sas, dat is te zien.

En dan, dan waag ik het erop.

Mission completed.

Wij van 'De Groeten uit De Haag' hangen nu ook in Wassenaar. Aan een touwtje op de wc.




Deze column werd op 10 november 1999 geplaatst in het Haagse weekblad De Posthoorn ter gelegenheid van de presentatie van het eerste boek van het Haagse columnistenkollektief Groeten Uit De Haag.

terug naar Sara Em


terug naar huis