Oranje vlaggetjes
aan mijn huis

 

Gisteren belde de overbuurman bij me aan. Of het goed was dat hij een sliert oranje vlaggetjes vanuit zijn huis over de straat aan mijn huis vastmaakte en vervolgens weer terugleidde naar de overkant. En dan weer terug naar mijn huis enzovoort.
"Nee", zei ik. "Je moet het me niet kwalijk nemen maar ik ben niet zo'n voetbalfan en ik heb ook niks met oranje.
De mond van de overbuurman viel open, bleef geruime tijd hangen en ging weer dicht.

"Krijg nou wat", zei hij toen hij weer was bijgekomen. "Ben je soms een mietje? En als ik nou vannacht met mijn vrienden toch eens een paar haakjes in je gevel schroef? Dan moet je er niet echt van opkijken dat er de volgende ochtend wat gezellige vlaggetjes in onze straat hangen. Toch?".

"Nee", zei ik. "Daar kijk ik echt niet van op". Al jaren had ik dit moment zien aankomen. Al jaren had ik gevreesd voor de oprukkende dictatuur van de dommekrachten in de maatschappij. Schoorvoetend had het fanatisme in de sport terrein gewonnen. Steeds wat meer zendtijd op de tv. Steeds dikkere katerns in de kranten. De halve economie afhankelijk van oranje rotzooi. En nu dus al in mijn eigen straat.
"Nee", zei ik. "Als jij vannacht haakjes in mijn gevel gaat schroeven zet ik de tuinspuit op je".
"Daarmee bewijs jij de saamhorigheid in onze straat geen goeie dienst, makker", zei de buurman terwijl hij me aan de kraag van mijn overhemd optilde.
"Ik ben geen mietje en ook je makker niet", zei ik nogal flink. Dat had ik beter kunnen laten. Maar ik leer het nooit. Mijn overbuurman is van het type jong , vreselijk sterk en kaal. Goud aan pols en nek. Zes stuks buitenverlichting met bijbehorend bewegingsalarm in de voortuin. Met Kerstmis ieder jaar weer meer spuitbussen sneeuw op de door rood lint in vakjes verdeelde ramen en een mentaliteit die ik het best zou kunnen samenvatten door zijn uitstraling te beschrijven als hij zijn hond uitlaat: 'Durf je gore rotbek eens open te trekken als ik mijn hond vlak voor jouw deur laat schijten'.

Nee. Aan mijn overbuurman is nauwelijks een liefhebbende ouder of begripvolle leraar te pas gekomen. Waarschijnlijk staat alleen Veronica garant voor zijn educatie.
Ik kon nog bijtijds bukken.

"Ja, ga een beetje slaan", riep ik. "Toe, vooruit. Sla me maar. Toe dan toch. Hier bijvoorbeeld". En ik wees op mijn andere wang. Behalve in de bijbel had ik dat ook vaak op de tv zien doen. Te laat besefte ik dat ze dat daar alleen maar doen om politie-agenten te verleiden tot mishandeling zodat de boef in een later stadium gemakkelijker vrijspraak krijgt. Eerlijk gezegd besefte ik het me veel te laat. Pas toen ik weer bijkwam realiseerde ik me dat ik in mijn situatie nimmer meer op vrijspraak hoefde te rekenen. Mijn vonnis luidde levenslang. Ik zou mijn leven lang geterroriseerd worden door oranje. Nu nog een paar haakjes in mijn gevel en een straat vol oranje vlaggetjes. Straks levensgrote afbeeldingen op mijn ramen van Berghuis, de gebroeders Berenkamp, Duivert of hoe ze allemaal nog meer mogen heten. Nog even en ik mag de wc niet meer doortrekken voordat de Oranje-politie heeft gecontroleerd of mijn ontlasting wel oranje genoeg is van alle oranje-vla, oranje-bitter, oranje-hamburger, oranje-chips, oranje-worst en oranje-slagroom.

'Tegen mensen die niet van de Oranje-gekte houden kan ik slechts zeggen: zorg dat je een paar weken buiten Europa gaat wonen', zei Sjaak Bral onlangs bij de introductie van zijn programma 'De Oranjestraat' voor RTL5.
En dat terwijl het nog niet eens zo lang geleden is dat mensen Europa uit moesten omdat ze toen ook ergens niet van hielden. Omdat ze toen ook niet mee wensten te werken aan de saamhorigheid in de straat.

Enfin. Met mijn wekelijkse column in de Posthoorn kan ik het nu ook wel schudden. Wie zal mij na deze aflevering ooit nog willen lezen?

Julius Pasgeld

(eerder gepubliceerd in De Posthoorn)