De wieg van een kollektief

Het is ook eigenlijk van de ratten besnuffeld te denken dat Groeten Uit De Haag een kollektief is! Toegegeven: met zijn vijven delen we hetzelfde briefpapier en de kosten van de postzegels, maar in dit tijdsgewricht, waarin individualisme hoogtij viert, kan je jezelf natuurlijk niet meer met goed fatsoen een kollektief noemen. Zeker niet in een conglomeratie als Den Haag, waar het meer nog dan waar ook ieder-voor-zich is.

Waarom noemen we ons dan eigenlijk een kollektief? Laten we het op een verspreking houden. We zaten eens op een goede avond in een achtertuin in Voorburg. Bij het meisje van de Groeten, Sara Em. Nadat zij haar luidruchtig kroost eindelijk op bed had gelegd en tot kalmte had gemaand, was de fles jenever die zij de vier mannen in haar tuin als zoethoudertje had voorgezet, al tot op de bodem geledigd. Schuif gezellig aan, meid. Neem een laatste druppel en haal nog eens een fles.

Waartoe waren wij hier bijeengekomen? Vier mannelijke gedrochten en een dame in kwestie. In een achtertuin in een weldra te annexeren voorstad. Het was een idee van Paul Waayers natuurlijk. Die heeft altijd van die ideeën, waar je de volgende dag hoofdpijn van krijgt. Hij had het idee gekregen door een eerder idee, dat wonderbaarlijk genoeg goed had uitgepakt. Hij had ons namelijk individueel geboekt voor een onderbetaald optreden in een umpirestoel midden op een tennisbaan. Dat leek hem leuk. En omdat wij allemaal individueel zo goed zijn in het schrijven en voorlezen van columns was het optreden een succes geworden. En succes smaakt naar meer, zo vond Paul, die zijn eenzame driehoogachter-schrijverschap graag in kollektieve eenzaamheid wilde omzetten.

Daar zaten wij dan. Een bont gezelschap dat elkaar ­ op een enkele wederzijdse kruisbestuiving na ­ niet of nauwelijks kende. De jajem maakte de tongen los. Waayers stotterde urenlang door over een vaag SP-verleden, als ware het een immer miskende verzetsdaad. Pasgeld maakte zijn gewezen faam als groepsleraar waar met een breed uitgesponnen spreekbeurt over recalcitrante jongelingen en een nóg recalcitrantere docent, waarin hijzelf uiteraard de heldenrol speelde. Bontebal kieperde zijn boekenkast verbaal over tafel. En Sara giechelde de stiltes vol met spitsvondige man-onvriendelijkheden.

Na de derde fles jonge borrel viel het gesprek eventjes stil.
"Dus we kunnen beroemd worden?" dachten we allen tezamen.
Het kollektief keek vragend mijn richting op.
"Natuurlijk," zei ik. "Het is de Rolling Stones toch óók gelukt, niet waar? Met ons vijven staan we sterk. Wij gaan het helemaal maken. Wij hebben de kracht in ons. Als je voor vijf dubbeltjes geboren bent, dan ben je toch al gauw twee kwartjes! Iedereen is een winnaar. Tsjakka! Proost!"
Er werd instemmend geknikt. "Da's mooi dan. Laten we dát dan maar doen."

De vierde fles jenever werd ontkurkt en we proosten wel twaalf keer met vers gevulde glaasjes. Ondertussen had Waayers het al weer over de SP, Julius oreerde een nieuw klasverhaal, Bontebal nam de recente klassiekers uit zijn boekenkast door en Sara giechelde spitsvondig, doch man-onvriendelijk.

"Maar hoe noemen we ons dan?" vroeg ik.
Een lange stilte volgde.
Gevolgd door een nog langere stilte.

"Nou, de groeten dan maar!" riep ik uiteindelijk met mijn jas aan vanuit de deuropening.
"Is goed! Briljant!" klonk het in de verte van achter een struikgewas, waar Waayers en Pasgeld luid lallend hun jeneverblazen leegden. Bontebal bladerde in gedachten door zijn boekenkast en Sara giechelde alleen nog maar man-onvriendelijk.

Hoezo een kollektief? De groeten!
Daar verkoop je nog geen ansichtkaart mee!


Uitgesproken t.g.v. de presentatie van het eerste boek van het Haagse columnistenkollektief Groeten Uit De Haag, 10 november 1999
(Niet gepubliceerd )

© RJ. Rueb