Oude lul

Voor iedereen breekt weleens het moment aan, dat je je plots beseft een oude lul te zijn. Het overkomt je gewoon, zonder dat je er echt wat aan kunt doen.

Het zal een jaar of zes geleden zijn geweest, dat ik me 'om bij te blijven met de ontwikkelingen op Haags muziekgebied' een paar keer liet uitnodigen voor een house party. Je moet tenslotte wat in je mars hebben om jezelf mellow te mogen noemen. Het gebeurde op een nacht in het Danstheater aan het Spui. Om een uur of half zeven vond ik het stompzinnige gebeuk welletjes ­ de pil was uitgewerkt ­ en ik besloot af te taaien. In mijn broekzak brandden echter nog een paar consumptiebonnen. Om er van af te wezen besloot ik de bonnen vrijwillig af te staan aan een strakverpakt mokkel, dat zojuist het danstheater had betreden. Haar wijd opengesperde pupillen glunderden toen ik haar het stripje overhandigde en proost zei.

'Dank u wel, meneer', stamelde zij verguld. Ze zei meneer tegen me! Nu weet ik ook wel dat ik een ouwe verlopen kop heb ­ zeker om half zeven 's ochtends ­ maar dan hoef je me natuurlijk nog niet opeens te gaan U-toiëren! Eerlijk gezegd had ik op een heel andere blijk van dank gerekend. Dat ze mij knipogend zou wenken mee te komen naar de een of andere nis om daar haar dank in den vleze te bezegelen. Dat lot bleef me helaas bespaard. Er restte mij verder niets anders dan bij de garderobe mijn looprek op te halen en de Achttax te bellen.

Correspondeerde ik al voor geen meter met het pril ontluikende feestbeest, met de muziek op het feest was de gevoelsafstand zo mogelijk nog groter. Vele parties lang luisterde ik aandachtig op zoek naar enig herkenbaar geluid. Een melodie, een snerpend instrument, een spitsvondige rif of roffel. Niets was er van mijn gading. De dancemuziek heeft mij nooit ook maar één porie kippenvel kunnen geven.

Ik probeerde hetzelfde in de rapscene, maar na een half jaar studie wilde slechts het poëtische hoogstandje 'Nigga Nigga Muddafucka' een beetje beklijven. Maar zeg nu zelf, daarvan krijg je toch ook nauwelijks een latje in je broek.

Ik dacht: met rock 'n roll zal mij dat nooit gebeuren. Dat is klassieke muziek, dus dat is goed, herhaalde ik de woorden van mijn vader, die het overigens over de muziek uit zijn jeugd had: Mozart, Beethoven, Bach en Brahms. Mijn vader is een oude wijze man. Een hele oude. Toch overkwam het me ook bij wat men rock 'n roll noemde. Ik had het bijzondere genoegen onlangs het Plein Open festival te mogen presenteren. Een dozijn bandjes van Haagse bodem met een hard gevoel voor rammen. Pure ingrediënten te over voor een gezonde dosis rock 'n roll, me dunkt. Maar toen de bands één voor één hun kunstje afwerkten ging er bij mij iets mis. Dit is geen rock 'n roll, dacht ik. Dit lijkt er alleen maar een beetje op.

Toen ik thuiskwam heb ik een plaat van de Stones opgezet. Thuis draai ik alleen maar platen van de Stones. Ik bekeek het hoesje en zag de oude mannen diep in hun gegroefd gelaat. 'Dank u wel, meneer Richard', lispelde ik gelukzalig. Ik zei meneer tegen hem. Als ik al een oude lul ben, wat is hij dan wel niet?


Uitgesproken in Zwarte Ruiter, september 1999
Uitgezonden door Radio West Popstad nr.12 september 1999

© RJ. Rueb