Leefbaarheid

Ooit was er een tijd dat het bouwen van een huis niet meer was dan het optrekken van vier lemen muren op een stukje weiland. In de muren zaten gaten, waarin kozijnen en een deur. De bewoners van het huisje warmden zich in de winter aan een knisperend vuur, terwijl zij in de zomer genoten van de koelte die de vier muren hen bood. Buiten was het weiland, graasden koeien, groeide rietkragen langs sloten waarin kikkers kwaakten. Leefbaarheid bestond niet. Leefbaarheid wás simpelweg.

Naast het huisje verscheen een ander huisje. En nog een huisje. En nog één. Langzaamaan ontstonden de contouren van een dorp. De bewoners van de huizen begonnen hun stukje van de wereld af te bakenen. Hekjes omzoomden de zich toegeëigende stukjes van het weiland, dat met de dag minder op een weiland leek. De koeien waren verderop gaan grazen, de kikkers waren een slootje verder gaan kwaken, het riet langs de slootkant verwaarloosde. En ondertussen werd huis na huis na huis toegevoegd aan de verzameling woningen op het steeds verder slinkende weiland. De buren gingen ruzie maken omdat zij elkaar hun stukje van de wereld betwistten. Omstreden stukjes grond werden verwaarloosd omdat niemand er de verantwoordelijkheid voor wilde nemen. Mensen stopten met elkaar te begroeten en vereenzaamden omdat niemand meer naar hen wilde omzien. Een vaag besef van leefbaarheid diende zich aan, maar niemand wist er nog een naam aan te geven.

Ondertussen werd het weiland volgebouwd met nieuwe huisjes en nog altijd stroomden nieuwe mensen toe, die ook op het weiland wilden wonen. Toen het weiland geheel was volgebouwd met huisjes besloot men een tweede rijtje huizen boven op de daken van de eerste huizen te bouwen. Al snel volgde een derde laag, en een vierde. De koeien waren in geen velden of wegen meer te bekennen en niemand wist nog hoe een kikker kwaakte.

Buiten de huisjes, op de schaarse overgebleven stukjes van het vroegere weiland lieten de mensen hun honden uit. Rijen kapot gereten vuilniszakken ontsierden de stoepen. Meters blik parkeerde met vette rubberen banden langs de randen van de met olievlekken bedekte weg. Opeens bestond de leefbaarheid, bij de gratie van het afwezig zijn ervan. De leefbaarheid was een probleem vanaf de dag dat er een naam aan werd gegeven.

De oplossing voor de leefbaarheid was eenvoudig: teruggaan naar de tijd dat het weiland nog het weiland was, dat huizen en bewoners nog de ruimte hadden en zich verantwoordelijk voelden voor het onderhoud daaraan. Woonlaag na woonlaag werd verwijderd. Te dicht opeen gebouwde huizen werden gesloopt. Hele blokken moesten wijken voor nieuw aan te leggen wijkparken, waar in kinderboerderijen koeien konden grazen en waar aan de oevers van nieuw gegraven sloten kikkers werden uitgezet om levenslustig te kwaken. Het werkte: het weiland werd weer leefbaar voor de mensen die er hun leven doorbrachten.

Het is alleen jammer dat van de oorspronkelijke bewoners slechts zo'n klein gedeelte daadwerkelijk kan profiteren van die zo zwaar bevochten leefbaarheid. De overigen zijn met het afbreken van hun woningen vertrokken naar nieuwe weilanden, waar huis na huis na huis gebouwd zal worden.


gepubliceerd in Haags Straatnieuws, januari 2000

© RJ. Rueb