Oorlogslente

Het was onlangs weer eens 4 en 5 mei, en dat is nu eenmaal jaarlijks het uitgelezen moment om met een vleugje gezonde nostalgie oude koeien uit de sloot te halen. Wegmijmeren met herinneringen over die bruisende en enerverende jaren 40-45, toen we met z'n allen verwikkeld waren in een Oorlog. Zet begin mei de televisie aan en de tulpenbollen-stamppotten vliegen je om de oren. Nederland was in oorlog en de oorlog was in Nederland in de hoedanigheid van het zinloze geweldsjuk van Den Duitschen Bezetter.

De laatste twee maanden loop ik over straat op precies dezelfde wijze als waarop ik al veertig jaar over straat loop. En de straat ligt er precies hetzelfde bij als al die tijd ervoor. Aan niets valt af te lezen dat het oorlog is. De oorlog is namelijk niet in Nederland, dus wat zouden wij ons druk maken.

Maar mensen! We zijn wel degelijk in oorlog! Onze regering gaat ons voor in het platbombarderen van een tot voor kort bevriende natie. Dagelijks braken we voor miljoenen aan explosieven over ooit rustieke heuvelruggetjes uit. En wij, burgers van een land in oorlog, wij slenteren langs de uitpuilende etalages en bellen met onze mobieltjes naar mensen die languit liggen te zonnen in lommerrijke achtertuinen vol gipsen tuinornamenten, terwijl ónze bommen een complete beschaving fragmenteren, duizenden medemensen mutileren, miljoenen mensen dakloos én vluchteling maken, dood en verderf zaaien in menselijke schilden. We zijn in oorlog! En wij eten patat. Mét uitjes, mayo en pindaprut.

Betrokkenheid is lastig met slechts de afstandsbediening in de hand. Toch wil je wat doen als medewereldburger. Afgezwaaide bommen vangen is zinloos en bovendien ongezond. Gelukkig hebben de Navo en Milosevic er tezamen voor gezorgd, dat ons leedwezen niet geheel onbevredigd hoeft te blijven. Tegen het miljoen vluchtelingen richtten geheel vrijblijvend een nieuw tranendal in, waar de hulpvraag letterlijk tussen iedere losliggende stoeptegel te vinden is. In het kader van de spontane burgeraktie 'Kankerzooi voor Kosovo' haalde ik mijn huis leeg en vulde ik doos na doos, tot zelfs een container vol met troep, die ik niet meer nodig had en waar ze dáár wellicht nog wat lol aan zouden kunnen beleven. Tegelijkertijd schepte ik met de grote schoonmaak nieuwe ruimte in huis. Ruimte die ik hard nodig had om invulling te kunnen geven aan datgene dat iedere burger in oorlogstijd zou moeten doen: hamsteren. Boodschappenwagen na boodschappenwagen vol onmisbare consumptiegoederen én wc-papier rolde ik het winkelcentrum uit om achter mijn voordeur leeg te kieperen. Om nog wat extra's te doen voor die arme stumperds uit Kosovo stel ik bij deze mijn gehele plastic kaart vol Airmiles aan hen ter beschikking. Het vergemakkelijkt wellicht hun vlucht. (Een goed voorbeeld doet volgen, dus wat let U?)

Dag 57 van de oorlog is een mooie dag. Niet alleen werden er opnieuw talloze onschuldige, doch vijandige burgers om zeep geholpen, maar in Nederland viel het kabinet door een mankerend wetje. Een wetje voor een referendum. Een wetje tegen het bloeden. Het voorstel om de mogelijkheid te creëren voor burgers om mee te praten was ondertussen al zwaar gemutileerd geraakt. Zo mochten we bijvoorbeeld toch al niet meer meepraten over de belastingen en over de inzet van het leger. Terwijl dat toch twee zaken zijn waarover de gemiddelde burger héél anders denkt dan de gemiddelde machtswellusteling. Of misschien wel juist daarom, want écht geïnteresseerd zijn die lui natuurlijk niet in wat er onder het weldenkende electoraat leeft.

Het is oorlog in Nederland en het kabinet laat zich onderuit schoppen door een sufgecompromitteerde halfslachtige wet, omdat het volk van meneer Wiegel niet mag meebeslissen over volstrekt onbelangrijke zaken. Wat een wereld.


Gepubliceerd in Haags Straatnieuws, mei 1999

© RJ. Rueb