AH(orec)A Erlebnis

Toen ik mij een jaar of twaalf geleden aktief met het volgen en stimuleren van het horecabezoek bezig ging houden ­ door derden wel te verstaan; mijn eigen horecabezoek volgde en stimuleerde ik al veel langer dan dat en met succes ­ toen was het al de klacht van de dag. De kroegen moesten te vroeg dicht, de mensen kwamen op straat te staan en gingen daar rotzooi trappen.

Gek genoeg had ik daar zelf nooit zo'n last van. Als ik om half twee de kroeg uit werd gebonjourd stapte ik op mijn fietsje richting de nacht-horeca: disco's, shoarmatenten, nachtcafé's en kroegen die met de gordijnen toe gewoon schijt hadden aan de regeltjes van de overheid. Een avondje stappen eindigde vrijwel altijd bij daglicht. Dat iedereen, die behoefte had aan doorstappen na sluitingstijd, moeiteloos zijn weg wist te vinden in het nachtelijke circuit, was af te lezen aan de enorme mensenmassa's die bij het krieken van de dag al dan niet in kennelijke staat over de straten van de stad huiswaarts zwermden.

Den Haag zou Den Haag niet zijn geweest als er niet over de opgelegde beperkingen van sluitingstijden werd gekankerd, maar de Hagenees zou de Hagenees ook niet zijn als hij er geen schijt aan zou hebben.

Gaandeweg de tijd dat ik op min of meer professionele basis zijdelings betrokken was bij de gang van zaken in de Haagse horeca, veranderde er niet veel aan deze situatie. De sluitingstijden bleven onverminderd vroeg, de overlast bleef onverminderd een doorn in het oog van de mensen die er last van hadden, de echte stappers trokken zich er weinig van aan want die vonden hun weg toch wel.

Het enige dat er veranderde was dat er binnen de gemeente een discussie ontstond over de vraag of er niet een nieuw beleid moest komen ten aan-zien van de horeca. Want het oer-Haagse gekanker over sluitingstijden en overlast was inmiddels ook tot het IJspaleis doorgedrongen.

Volgens de goede Haagse traditie komt een beleid echter niet zo een-twee-drie van de grond. Er moet namelijk eerst over gepraat worden. Praten over een open deur in dit geval, want de posities waren van meet af aan duide-lijk. Enerzijds moet de horeca de ruimte krijgen, al was het alleen maar vanwege het toegedichte economische belang ervan - het glijmiddel van de hedendaagse wereldverbeteraar. Anderzijds moesten er wegen gevonden worden om de beheersbaarheid van het sociale klimaat te garanderen: men mag vooral niets van die vrijere horeca merken tenslotte.

In de afgelopen 12 jaar heb ik een slordige acht openbare debatten bijgewoond, waarin deze tegenstelling besproken werd. Steevast zaten de voor- en tegenstanders keurig tegenover elkaar aan een tafeltje en mocht ieder netjes zijn voorgekauwde zegje doen. Altijd volgde er een conclusie door een zeer bekwame forumleider, die in compacte zinnen herhaalde wat even daarvoor breedvoerig en niet zelden in slaapverwekkende argumenten ver-pakt in het debat ter sprake was gekomen. Vervolgens ging iedereen naar huis, want echte kroegtijgers waren bij dit soort debatten zelden van de partij.

Om nou te zeggen dat die debatten werkelijk nieuwe inzichten in het geschetste probleem verschaften niet bepaald. Politiek veranderde er dan ook bitter weinig in al die jaren. Goed, er werden een paar zeepbelletjes opgelaten. Over nachthoreca-concentraties, over versoepeling van het vergunningenbeleid, dat soort dingen. Maar iets concreets rolde er niet uit. Het bleef bij praten vanuit de drogreden, dat het praten de opmaat van een nieuw beleid was.

Vanuit dat perspektief is het debat van vandaag slechts weer een volgende praatronde. Een stapje terug zelfs, want GroenLinks was er al jaren van overtuigd dat de invoering van vrije sluitingstijden en de hele daaraan vastgekoppelde mikmak in Den Haag gewenst was. En GroenLinks heeft in de raad ieder debat vanuit die visie gevoerd. Tevergeefs, want veel is er niet veranderd. Nu dus weer de volgende stap: het initiatief-raadsvoorstel. Maar voordat dat ingediend kan worden, moest er natuurlijk eerst nog even over gepraat worden.

Heeft het debat van vandaag verhelderende inzichten verschaft, die de open deur van het initiatief-voorstel net dat tikkeltje méér geven dan alle eerdere pogingen om de Haagse horeca te herstructureren? Het spijt me, maar ik heb er geen gehoord.

Het economisch perspectief van de horeca is al breed uitgemeten in prachtige wervende teksten, waarvan eigenlijk alleen de suggestie om meer laaggeschoold personeel in de horeca aan de slag te laten gaan mijn wenkbrauwen deed fronsen, zeker toen ik twee pagina's verder las, dat hoogwaardig horeca-ondernemerschap zich ondermeer kenmerkt door goed opgeleid personeel dat diverse vreemde talen spreekt. Zonder te willen generaliseren kan je toch stellen dat van de dik 30.000 laaggeschoolde werklozen minstens twee-derde tot de allochtone bevolkingsgroepen behoort. Dus dat van die vreemde talen zit wel snor. Maar laaggeschoold personeel aantrekken als je goedgeschoold personeel zoekt lijkt mij op z'n minst wat onzinnig. Of je moet op zoek zijn naar portiers met een diploma van de sportschool. Hoewel ik het nut van deze beroepsgroep althans voor zover het probleemsituaties betreft niet wil onderschatten, vormen deze laagopgeleide gorilla's voor mij één van de grootste blokkades tijdens het uitgaan. Hoewel ik persoonlijk zeer diervriendelijk ben, ga ik al een tijdje vanuit een principe niet meer naar horeca-lokaties waar ik eerst door een portier wordt beoordeeld op mijn potentiële goede gedrag. Waar zo'n lul het lef vandaan haalt aan mij te twijfelen!

Het voorstel om flexibele sluitingstijden in te voeren, waarbij kroegen vanaf een uur of half twee de deur voor nieuwe bezoekers sluiten, kan niet anders worden uitgevoerd dan met een portier. Een portier die zich al snel het selectiebeleid zal gaan toe-eigenen, iets waarvoor hij in de sportschool beslist niet de juiste opleiding heeft genoten.

Dus doe mij een lol en schaf - ongeacht de uitkomst van dit en alle toekomstige debatten - die portiers af of zet ze in een op afstand te bedienen kooitje, waaruit ze alleen losgelaten kunnen worden als ze écht noodzakelijk zijn. Maar dit terzijde.

Om een lang debat kort te maken: Vrije sluitingstijden en een vrijere horeca; we lullen er nu al honderd jaar over, maar er gebeurt dus geen fuck.

Maar waarom fietst en loopt heel de wereld tegenwoordig ongestraft door het rode stoplicht? En waarom kan je schaamteloos een blowtje kopen en de wijkagent om een vuurtje vragen? Omdat dat de zelfverworven realiteit is. Als je de regels ondermijnt, moet de regelgeving wel aangepast worden.

Iedereen is het erover eens dat vrijere sluitingstijden gewenst zijn en dat er een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid voor het gedrag van de klanten bij de cafe's zelf ligt. Geachte horeca-ondernemers, bewijs dat het kan, dan zal het beleid snel volgen. Zoals al die uitbaters met die gesloten gordijntjes al jaren bewijzen: het is gewoon een kwestie van doen!

Den Haag zou Den Haag niet zijn als er niet over de regels wordt gekankerd, maar de Hagenees is de Hagenees ook niet als hij er geen schijt aan heeft.

Na al die jaren van praten verwacht je toch zeker niet dat er vanuit het IJspaleis nog een werkbare oplossing komt?

 

© RJ. Rueb, 1999

Uitgesproken t.g.v. GroenLinks Horecadebat in Greve, april 1999
Niet gepubliceerd

© RJ. Rueb