Vormgeversvolk

Als schrijver en bladenmaker heb ik veel met vormgevers van doen. Niet zelden leidt dat tot conflicten. Conflicten waarbij één begrip centraal staat: communicatie. Als schrijver en bladenmaker staat voor mij de boodschap voorop. Daarom schrijf ik, daarom publiceer ik. Ik wil hetgeen ik zeggen wil overgebracht zien worden aan degenen die kennis willen nemen van hetgeen ik te zeggen heb. Mijn creaties beperken zich evenwel tot de letters op het papier. Een bundel digitale ééntjes en nulletjes op een vierkant stukje plastic. In geen van beide vormen zullen al te veel mensen er veel aandacht aan schenken. De vorm is daarvoor te nietszeggend, te saai, te alledaags. Daarom schakel ik een vormgever in met het verzoek mijn creaties in een appetijtelijk jasje te steken, waardoor de consument eerder geneigd zal zijn zich in de inhoud te verdiepen. Vormgeving als schoenlepel zou je kunnen zeggen, of als aardappel-anders. Wat mij betreft blijft de vormgeving altijd de verpakking. In naakte vorm niet meer dan de 'teaser' voor de inhoud. Een oude KingKorn-reclame verwoordde het twee decennia geleden onovertroffen treffend: 'Het enige dat je weggooit is de verpakking'.

Communicatie. Duidelijkheid. Dat zijn de twee begrippen, die ik met een vormgever gemeen heb. Beiden streven wij ernaar zo duidelijk mogelijk te zijn naar onze consumenten toe om daarmee een optimale communicatie te bewerkstelligen. Toch zijn het juist deze twee kernbegrippen - in ieders insteek prominent aanwezig - die aan de basis van conflicten staan. Want ook een vormgever heeft een boodschap, vindt hij. En die boodschap wil hij graag communiceren. De boodschap is voor iedereen in het produktieproces tenslotte zijn uithangbord.

Waar de boodschap van de schrijver en de bladenmaker een inhoudelijke is, daar is de boodschap van de vormgever een stilistische. De vormgever verpakt het aangeleverde materiaal in zijn creatieve impressie van de werkelijkheid binnen zijn opvattingen over stijl en expressie.

Hoe goed een schrijver of bladenmaker en een vormgever ook met elkaar communiceren, het gegeven dat beiden een eigen boodschap uit te dragen hebben heeft onvermijdelijk tot gevolg dat het eindprodukt een dubbele boodschap heeft. En het is slechts zelden dat die twee boodschappen met elkaar communiceren. Een artikel is tenslotte geen pagina en een pagina is geen artikel.

Wie of wat is er belangrijker: de boodschap van de inhoud of de boodschap van de verpakking? Ik heb onlangs als ingehuurd tekstschrijver een brochure mogen volschrijven. Korte krachtige teksten met een al even kort en duidelijk doel: kaartjes verkopen. Nog voor ik één letter op papier had werd mij al de vormgeving onder de ogen geschoven. Ik fronste mijn wenkbrauwen en keek de vormgever aan. 'Vormgever,' zei ik. 'Ik zie hier een prachtige creatie, maar wat heb je in godsnaam vormgegeven? Je hebt nog niet eens basismateriaal ontvangen óm vorm aan te geven. Geen tekst, geen beeld, niets.'

De vormgever keek mij nors aan en zei: 'Ik ben geen vormgever, ik ben ontwerper. En jij moet binnen mijn ontwerp werken.' Het kwam er op neer dat ik mijn korte teksten nog drie keer moest inkorten om het binnen het vooraf vastgelegde tekstkadertje te kunnen vatten. Een kleiner font was ten ene malen onbespreekbaar. Het uiteindelijk resultaat is dan ook dat je in de - op zich prachtige - brochure moet zoeken naar de inhoud.

Dat dit tot niet tot grote conflicten leidde had er alles mee te maken dat ik slechts als onderaannemertje bij het project was betrokken. Als opdrachtgever had ik deze gang van zaken natuurlijk nooit gepikt. Dan had ik gezegd: 'Ontwerper, maak jij d'r maar een lekker slaapkamerbehangetje van, van dat ontwerp van je. Ik zoek wel een vormgever.'

Het zal het eeuwige conflict zijn tussen twee boodschappers die door het lot in een pact aan elkaar verbonden zijn om dit keer eens dezelfde boodschap te verkondigen en elkaar daarin te ondersteunen. Onderlinge communicatie is daarin een vereiste, maar daar ontbreekt het nogal eens aan. Zoals bijvoorbeeld in het geval van dit boekje, dat ik een dik jaar terug in opdracht van een uitgever schreef. Ik had me er de blubber op geresearched, er veel te veel uren in gestoken en met veel pijn, moeite en huiselijke tegenwerking toch mijn deadline gehaald. Ik lever het flopje trots in, inclusief een uitdraai waarin ik aanwijzingen voor de vormgever had verwerkt. Het boekje bestaat namelijk uit twee delen. Een doorlopend verhaal in hoofdstukken en een fiks aantal losse inzetjes met anekdotes, die in chronologische volgorde met de hoofdstukken mee behoren te lopen. De uitgever nam het zwijgend in ontvangst. Een maand hoorde ik niets, anderhalve maand hoorde ik niets. Toen plofte de drukproef op mijn deurmat. Ik keek mijn ogen uit. Hier was een ontwerper aan het werk geweest, en geen al te beste ook! Op tweederde van de pagina had hij over de gehele breedte van de beschikbare bladspiegel de basistekst in laten lopen, terwijl de smaakmakende inzetjes in een al even brede opzet in een schier onleesbaar, 60% grijsgetinte kleinkapitale letter met een minieme corpsgrootte als een doorlopende brij zonder kop en staart aan de bovenzijde van de bladzijdes doorliep. Nadat ik gekotst had, mijn nieuwe keukenuitzet in diggelen had gesmeten en een rondje langs de sloot had gerend, belde ik de uitgever. 'Dit niet, dit nooit niet!', schreeuwde ik in zijn oor. 'Dit wel en het is al in druk!', smeet hij de hoorn op de haak. Van het boekje zijn er zeer weinig verkocht. Het leesboek was onleesbaar geworden. Een vormloze letterpap.

Nee, vormgevers en ik we communiceren niet zo goed soms. Toch zijn vormgevers mijn vrienden. Omdat ze vorm geven aan dingen die geen vorm hebben. Omdat ze iets visueels toevoegen aan de dagelijkse, alom aanwezige troosteloosheid. Omdat ze de kale planken van de leestafel kleuren, de muren van de gehavende binnenstad opsieren. Vaak wil ik niet eens weten waar het over gaat, die kunstwerkjes. Vaak overigens ook wel. En dan ben ik blij dat er soms nog vormgevers zijn die wél de boodschap willen uitdragen. Die zich beperken tot een poster, waarop groot het Wie Wat en Waar staat, zodat ik er niet naar hoef te zoeken.

De Paard-posters hebben meestal die duidelijkheid wel in zich gehad, hoewel ook lang niet altijd. Soms waren ze zelfs iets té duidelijk. Eén van de eerste posterontwerpers die in het Paard aktief waren, was Q65-gitarist Joop Roelofs, die toen ook de programmering deed. Op één van zijn posters had Roelofs loeigroot aangekondigd dat Pink Floyd in het Paard zou komen. Dankzij de vele geestverruimende middelen die er destijds in het theehuis circuleerden, was hij echter vergeten te vermelden dat het hier de film'Pink Floyd at Pompeï' betrof. Dat de boodschap van het affiche goed communiceerde blijkt wel uit het gedrang bij de deur, die woensdagavond. Opeens zaten er in het Paard van Troje 600 man naar een film te kijken, waar normaal hooguit 25 bezoekers op af kwamen.

Hedendaagse postermakers kunnen hier nog heel wat leren. De essentie van de boodschap te vatten en die te benadrukken met vormgeving. Dat verkoopt kaartjes. Want kampen de meeste cultuurhuizen tegenwoordig niet met een chronisch gebrek aan toeschouwers? Dan doet het North Sea Jazz Festival het met zijn zwartwitte houtje-touwtje posters nog lang zo slecht niet...


Uitgesproken t.g.v. vormgeverscafé in Theater Zeebelt, april 1999

© RJ. Rueb