WELKOMP IN DE HAAG, STAD DER ZIEKTES

Het had niet veel gescheeld of het Ministerie van VWS had zonder te verhuizen in Den Haag gezeten. Helaas, het mocht niet zo zijn. Rijswijk blijft nog eventjes Rijswijk en Den Haag moest haar tieten hoog optrekken om Borst te lonken.

Nu deze imposante voorgevel goed gevuld begint te raken met rijksambtenaren en andere gelukszoekers, wordt het tijd om de grondbeginselen van de Haagse beschaving door te nemen. Want wie in Den Haag wil toeven moet Haags kunnen snoeven. Haagsheid of tenminste een vleem daarvan is noodzakelijk.

Wat is Haags? Is dan de vraag. Het is heel simpel: Haags is alles wat Haags is en Haags is alles wat uit Den Haag komt. De taal springt daarbij het meest in het oog. Want dat Den Haag een eigen taal heeft is duidelijk. En alles wat een eigen taal heeft, heeft een eigen cultuur. Mensen die de afgelopen jaren niet goed hebben opgelet en niet zo een-twee-drie weten hoe het Haags nou eigenlijk klinkt, delen we mee dat zij het Haags kunnen herkennen aan het feit dat ze de helft niet verstaan en dat hetgeen ze wél verstaan voor negentig procent bestaat uit een groot assortiment ziektes. En dát, beste ambtenaren van Volksgezondheid enzo, dát moet ú toch in het bijzonder aanspreken.

De Haagse woordenlijst kenmerkt zich al eeuwenlang door een grote fysieke betrokkenheid. Het Haags is een levende taal, die zich als een bacterie in de bewoners nestelde. Een taal die ontstond vanuit hetgeen men dagelijks meemaakte in een stad, die vergeven is van bouwputten en ondergrondse riolen en waar de ziektekiemen letterlijk onder iedere losliggende stoeptegel liggen. Wie de gehele dag rondbanjert door de stront (de bâhtzaui), geconfronteerd wordt met wild klotsende urine (het gezèk) en zich zinledig houdt met gezever (het geâhwehoeâh), loopt nu eenmaal veel risico besmet te worden. Tegen het Haags is tot op de dag van vandaag nog geen werkend vaccin gevonden. Wie er eenmaal door besmet is, kan gevoeglijk iedere hoop laten varen. Het Haags is niet te genezen. Als men het eenmaal in zich heeft is men ten dode opgeschreven.

Maar de Hagenees zit niet bij die pakken neer. Creativiteit is hem eigen en intelligent als hij is, ging hij reeds vroeg op zoek naar de juiste remedie. De Hagenees ging medicijnen studeren. Dat de Hagenees zich juist in déze kennisrichting verplaatste is niet zo vreemd, wanneer men zich realiseert dat ziektes als de pest, de cholera, de pleuris, de tyfus, de tering en ook de kanker ooit in Den Haag ontstonden. Met name de laatste, de kanker heeft het ver geschopt; inmiddels is de ziekte over de gehele wereld beroemd geworden. Het is in dat kader ook zeer opvallend, dat typische Amsterdamse ziektes, zoals bijvoorbeeld Aids (dat zijn bestaansrecht slechts ontleend aan het feit dat de populaire discotheek iT op loopafstand van Artis ligt), in Den Haag nooit vaste poot aan de grond gekregen. Daarvoor bekt het gewoon niet lekker genoeg.

De Haagse geschiedenis is doorspekt met chronische ziektes. Zo was Den Haag van 1540 tot en met 1693 afwisselend een 'Peststad' en een 'Klerestad' (uiteraard verbasterd van de cholera), de eerste helft van de 18e eeuw was het een absolute Tyfusstad', van 1784 tot diep in de 19de eeuw een duidelijke 'Teringstad' en vanaf vlak na de Tweede Wereldoorlog staat Den Haag te boek als 'Kankerstad'.

Dat dergelijke invloedrijke epidemieën ook tot het taalgebruik doordringen mag duidelijk zijn. Onwetende buitenstaanders leven nog wel eens in de veronderstelling dat Hagenezen veel vloeken. Maar niets is minder waar. Het Haags volk heeft wel een mening en dat zal het laten weten ook. Dat het daarvoor gretig naar woorden lepelt in de inmiddels beroemde schatkist van hartgrondige Haagse krachttermen is daarbij niet meer dan logisch.

Schelden is wel het laatste wat Hagenezen doen. Als een Hagenees iets zegt, dan is dat per definitie bedoeld als opbouwende kritiek. Een goede raad als 'Hâht je kankâhkop, teringmegaul!' is daar een voorbeeld van, want hiermee behoedt de Hagenees een nietsvermoedende buitenstaander voor veel lichamelijk letsel.

Wat Hagenezen wél veel doen is kankeren. Ook kankeren is altijd positief bedoeld, hoewel de Hagenees de schijn vaak tegen heeft. Hij drukt zich namelijk op z'n Haags uit en dat is voor mensen die het Haags niet machtig zijn, altijd even wennen. De Hagenees zegt in het Haags namelijk precies het tegenovergestelde van hetgeen hij zou zeggen, wanneer hij Nederlands zou praten. De achterliggende gedachte hierbij is dat de aangesproken partij zich wel eens zeer geschoffeerd zou kunnen voelen, wanneer hem rechtstreeks de waarheid voor de voeten geworpen zou worden. Vandaar dat de Haagstalige er uit piëteit voor kiest om de confrontatie af te zwakken tot het voor de voeten werpen van 'niet de onwaarheid'. Dit is een beleefdheidsvorm, die soms wel eens voor het nodige onbegrip kan zorgen. Als iemand in Den Haag tegen je zegt: 'Wat zit je haah luik. Hebbie 't bestraald?', dan weet je dat hij je probeert duidelijk te maken dat een bezoek aan de kapper geen overbodige luxe zou zijn. Hetzelfde geldt voor een uitdrukking als 'Wat heb jè nâh voâh 'n mauie lap uit je reit hange?' waarmee hij zeggen wil dat je kleding enigszins te wensen overlaat. In schril contrast daarmee staan flatteuse opmerkingen als 'Nee, jè rùik nie heftig uit je schùif', waarmee de Hagenees de aangesprokene complimenteert met diens mondwater. Of het verguld uitgeroepen 'Krèg nâh gein tiete!' bij een verrassende confrontatie, of in reaktie op zelfrijzende nieuwbouw.

Den Haag heeft dus wel 'tiete' gekregen en niet van die kleintjes ook! Twee reusachtige memmen vol ambtenaren, die de mond vol hebben over sport, welzijn en volksgezondheid. Nu het welzijn van de sport in Den Haag - pijltjeswerper Barney ten spijt - aardig te wensen overlaat is dié inbreng uwerzijds in ieder geval van harte welkom.

Recent aangekondigde plannen ter bestrijding van de Volksgezondheid zetten evenwel de nodige vraagtekens bij uw komst. Een voorvrouw die luidkeels roept dat we allemaal moeten stoppen met roken en dat de nodige kracht bij zet door naar drooglegging neigende maatregelen daarop zitten we natuurlijk niet echt te wachten in Den Haag.

Natuurlijk: de Hagenezen zijn een plooibaar volkje en heten iedere toerist in hun stad van harte welkom, maar wie hier te hard op de trommel slaat, zal snel het doelwit worden van authentiek Haags gekanker. En die onvervalste Haags kanker heeft door de jaren heen wel vaker een borst doen afzetten.

Hoe dan ook: Hagtelijk welkomp in De Haag en dat u hagt maah gâh geilgroen mauge kleure!


Uitgesproken t.g.v. de opening van het nieuwe Ministerie van VWS (De Haagse Tieten), januari 1999

© RJ. Rueb