Brom

Ik heb vandaag 17 bromvliegen gedood. Een spontane plaag rond de vuilnisemmer. In het doden van bromvliegen schep ik bepaald geen genoegen, hoewel ik moet bekennen dat er van iedere stervende vlieg een zekere schoonheid uitgaat. Zes ragfijne pootjes stuiptrekkend op de vloer wachtend op genade. De hak van van schoen. Een geplet karkasje van nog geen halve gram, geen druppeltje bloed.

Bromvliegen zijn vieze beesten. Ze duiken op afval, zuigen het leeg en bromvliegen lustig verder naar het volgende hoopje vuil, alwaar zij zich van de inhoud van hun vliegenmaagje ontdoen. Kots! En dan maar weer vreten, met eigen kots en al. Zo een hele dag lang, wars van enige scrupules ten aanzien van de 24-uurs economie. Je zou ze haast nijvere diertjes willen noemen, die bromvliegen. Ware het niet dat ze vies en hinderlijk zijn en dus aangewezen voor de slacht.

Het doden van bromvliegen is een creatieve bezigheid. Wie mij vanmiddag bezig zag moet zich getuige gewaand hebben van een kunstzinnige performance. Een stukje moderne dans met vliegenmepper.

Je moet weten, mijn plafond ligt hoog. Om een ondersteboven aan het gebarsten witte pleister vastgezogen bromvlieg te kunnen raken moet óf hoog gesprongen worden, óf gebruik gemaakt worden van een opstapje. Als je één ding niet standaard in de buurt hebt, dan is het wel een opstapje. Je kan op een stoel gaan staan, maar de kans dat de vlieg zich net buiten het bereik op het plafond heeft geplaatst is groot. Ook een tafel heeft zo zijn beperkingen. Ten eerste zijn tafels van nature hoog, zodat je er niet één-twee-drie op staat. En daarbij is het plafond plots een stuk lager wanneer je op een tafel staat, waardoor je bewegingsvrijheid drastisch afneemt. Tenzij je de vliegen met je hoofd wilt doodslaan.

Om ondanks deze ruimtelijke begrenzingen toch effektief op vliegenjacht te kunnen gaan is veel lichamelijke souplesse vereist. En aldus sprong ik deze middag door de kamers van mijn woning. Dan weer op stoelen, dan weer er vanaf. Ondertussen meppend met de mepper waar te meppen viel. De vliegen moeten zich kostelijk geamuseerd hebben.

Hebben bromvliegen een ziel? Een vraag die mij door gewetensvolle huisgenoten werd aangedragen, die mijn gestuiter door de ruimte al snel voor gezien hielden. En nu, in een poging ook mijn geweten te laten knagen, het sterven der bromvliegen als 'zielig' begonnen aan te merken. Kan mij het nou rotten of bromvliegen een ziel hebben?!, schreeuwde ik uit terwijl ik andermaal toesloeg en een volgend exemplaar vleugellam mepte. Ik vermorzel ze met ziel en al. Teringbeesten. Als ze al een ziel hebben, dan is het een hele vieze ziel en dít is wat ik doe met vieze zielen. Mep! Alsof de wereld nog niet genoeg vieze zielen heeft. Als je daar allemaal rekening mee moet gaan houden!

De laatste bromvlieg die ik aanviel probeerde te ontsnappen. Door zijn vluchtgedrag raakte ik hem maar half. In een neerwaarts spiraaltje dwarrelde hij naar benee. Met een dof plofje brak zijn vliegenruggetje op het tafelblad. Zijn pootjes wapperden machteloos in de lucht. Ik hief mijn mepper voor de genadeklap en slikte.

'Brom', sprak de creperende vlieg, net luid genoeg om te horen. Hij zei 'Brom' tegen me. Hij sprak. Vergaf hij mij mijn wreedheid of verwenste hij me vanuit het diepst van zijn bromvliegenziel. Hij keek me afwachtend aan. In zijn facetogen parelde een traan. Ik aarzelde. Wat ging er door dat zwarte monstertje heen? Rouwde hij om zijn nabestaanden: een bevallig bromvlieginnetje en driehonderd bloedjes van maaien?

Minutenlang aanschouwde ik zijn gespartel. Ondertussen bleven we elkaar diep in de ogen kijken. Het was een machtsstrijd tussen heerser en vernederde. Tussen man en vlieg. In mijn schedel knarstte mijn geweten. Wat was dit vliegenleven waard. In hoeverre was ik verantwoordelijk voor mijn daden. Liet ik hem leven, dan was hij voor de rest van zijn miezerige leventje invalide. Plots bewoog hij. Hij kotste. De smeerlap. Luttele tellen later spatte zijn lichaam uiteen onder de vliegenmepper.

Op het plafond keken honderden facetten mij priemend aan. Ik legde de mepper terzijde en verliet de kamer. Wat zou ik mijn tijd ook eigenlijk verdoen met die vieze kutvliegen.

 

gepubliceerd in Groeten Uit De Haag, 1999

© RJ. Rueb