Niks nieuws

Ik opende mijn gulp, trok mijn jongeheer naar buiten en waterde opgelucht tegen de achterzijde van het koffiehuis, tot ik mij realiseerde dat ik tegen de achterzijde van een koffiehuis stond te wateren. Het was rond half acht 's ochtends. Of half acht 's nachts kon je misschien beter zeggen, want de morgenstond breekt pas aan ná het ontwaken en slechts zelden daarvoor. Ik deed die morgen alles behalve ontwaken. Niet dat ik de slaap niet zou kunnen vatten, maar hij wilde domweg niet stil blijven staan. Hoe zeer ik er ook naar griste, gevat werd de slaap er niet door.

Door de beslagen ramen van het koffiehuis zag ik het Algemeen Dagblad. De krant stond met gespreide pagina's rechtop achter een tafeltje. Aan beide zijkanten kleefden vier vingertoppen met zwartomrande nagels. De krant knisperde licht en sloeg zich abrupt dicht, als een spastische vlinder met een vastgelopen zuiger. Mijn rechtervoet sopte in de licht ontdooide, natgeplaste aarde. De geur van halfuur oude koffie baande zich een weg naar mijn neus. Een gecoupeerde pitbull kwispelde me met zijn rood aangelopen huig van achter het raam vrolijk toe tot hij een knal kreeg van een zwaar behaarde knuist, die uit het niets verscheen. De krant vouwde zich in vier katernen op. De vingertoppen voegden zich bij de handen van een forsgebouwde milieutechnisch medewerker met plukken zware shag tussen de tanden. De Weduwe Van Nelle heeft vreemde kostgangers.

"Ik heb tegen uw koffiehuis gezeken," deelde ik de uitbater mede, nadat ik het lokaal had betreden.
"Nou èn? Lekker belangrijk. En wat dan nog Dat is heus niks nieuws. Ze zeiken hier zo vaak tegen me aan. Bakkie?" gromde hij en schonk een scheut koffie in een poel melk. "Kon je 't niet ophouden?"
"Ik kon niet meer ophouden," hield ik het gesprek gaande. "Ken je dat? Dat je aan het plassen bent omdat je moet en dat je dan opeens ziet waartegen je aan het aanplassen bent en dat je dan denkt 'Ik moet stoppen, want dit kan echt niet', maar dat je dan niet meer kunt stoppen omdat je het niet meer kan ophouden. Vrouwen hebben dat niet zo. Als die zich eens een keer laten leeglopen in de struiken en je roept voor de gein dat er een vent aankomt, dan slaan in één keer die luiken dicht en komt er geen druppel meer uit. Kutspieren, zie je. Hebben mannen niet. Je kan knijpen tot je een ons weegt, maar de stroom wordt er niet minder om."
"Ik heb dat wel eens met m'n laatste druppels," sprak een wat ielig bebrild mannetje dat vlakbij probeerde de krant te lezen. Maar in zijn verhaal waren noch ik noch de uitbater van het koffiehuis werkelijk geïnteresseerd en dus hield hij maar weer gauw zijn mond.

"M'n hond die plast wel achttien keer een beetje. Het zou me uren schelen als die er eens de hele lading in een keer uit goot," sprak de koffiehuisbaas en roerde ongevraagd te veel suiker in mijn bakkie.
"Zo zette mijn moeder ook altijd koffie. Was ook niet te zuipen. Maar het kwam uit een goed hart."
"Maar jouw moeder had geen ballen."
Daar had hij ontegenzeglijk gelijk in, hetgeen overigens niet weg nam, dat hij het recht niet had om over mijn moeder te beginnen.
"Hou m'n moeder d'r buiten alsjeblieft. En doe mij een bal."
Zien ballen doet ballen, zo bleek maar weer.

"En is er nog wat gebeurd vanochtend?" vroeg ik aan Vieroog die weer net deed of hij kon lezen.
"Nou nee. Alleen maar dat er een hoop idioten allemaal lettertjes in de krant hebben gezet. Zouden dat ook Melkertbaners zijn, die journalisten?"
"Ik zou het niet weten. Ik ken er geen één, maar ze zijn altijd wel overal geweest waar ik ook ben geweest. Ik vertrouw die lui voor geen meter. Vooral niet als het over voetbal gaat. Dan zie ik een wedstrijd op TV met voor- en achterafgelul, staat er de volgende dag een heel andere wedstrijd in de krant met hetzelfde voor- en achterafgelul. Nooit eens wat nieuws met die journalisten."
"Hou op over voetbal zeg. Dit is een voetbalvrij koffiehuis en dat wil ik graag zo houden."

De koffiebaas zette een in de mayo gedrenkte gehaktbal op de toog.
"Vorrekie d'rbij?" Ik kneep goedkeurend in de weke substantie en trok er een velletje vanaf. "Zelf gemaakt?"
De baas knikte. "Een beetje van mij en een beetje van het varken."
Ik zette mijn tanden in de bal en voelde het zompige vlees mijn tanden flossen.

De deur vloog open en een breedgeschouderde man met half ontbloot bovenlijf kwam in een aura van tattoo's binnenzetten. "Môgge," knorde hij. "Doet mijn een bakkie en een bal."
"Fijn, ik had net de krant uit. Stond niks in," veerde de vuilnisman op, terwijl hij voor de zoveelste keer zijn Algemeen Dagblad opvouwde. Hij boog zich voorover naar de dichtstbijzijnde tattoo.
"Kijken wat jij te melden hebt."
"En is er nog nieuws?" vroeg ik hem.
"Het nieuws staat onder aan me rug," sprak de geïllustreerde kleerkast.
"Ken ik niet lezen," zei de groenbakkenleger. "Er zit nog een restje pindakaas op."
"Pindakaas? Me reet!" pareerde de wandelende leesplank en sloeg zijn enorme hand richting bilnaad. "Verdomd, het is pindakaas!" moest hij toegeven nadat hij de bruine substantie aan zijn vingers beroken had.
"Ben benieuwd waar die boterham dan is gebleven..."
"Koffie?" onderbrak de uitbater het gesprek.

Er viel een stilte in het koffiehuis. Zacht geslurp en knisperende krantenpagina's.
"Weet je dat er iemand tegen je koffiehuis heeft aan staan zeiken?" verbrak de getatoeëerde man plots de welgevallige rust.
"Ja, da's oud nieuws. Dat was hij daar. Hij kon het niet meer ophouden, zegt-ie."
Ik voelde een blosje op mijn wangen komen. De koffie deed zijn werk.
"Hij kon niet meer ophouden ook," sprak de man met de bril die nog altijd pogingen ondernam de krant te lezen. "Ik heb dat wel ook eens met m'n laatste druppels, die"

Nog altijd was er niemand in het bijzonder in zijn verhaal geïnteresseerd, dus besloten we het toch maar over voetbal te hebben. Omdat niemand verstand van voetbal bleek te hebben viel er al snel weer een stilte. Een wat kalende man met een bleke poedel benutte het moment van nietszeggendheid om het koffiehuis binnen te wandelen. Achter de toonbank klonk onheilspellend gegrom. De poedel kefte. Maar er gebeurde niets, zeker niet nadat de uitbater zijn pitbull een vermanende trap tegen de lendenen had gegeven en de wat kalende man zijn bleke poedel buiten aan een boom had vastgemaakt.
"Je kan ze niet kort genoeg houden, hè. Koffie? Balletje d'rbij?" De wat kalende man wreef over zijn schedel, maar gaf geen antwoord. Hij pakte de krant van het tafeltje.
"Doe geen moeite. Staat vandaag geen nieuws in," zei ik.
"Oh, da's niks nieuws," antwoordde hij en legde de krant terug. "Maar evengoed bedankt."

Inmiddels had mijn bal gehakt zich onwrikbaar vastgezet in de kieren tussen mijn tanden en had ik de koffie achter mijn kiezen gewerkt. Het was tijd om verder te gaan. Ik groette de vuilophalende shagbuidel, het ontblote prentenkabinet, de nadruppelende neusfietser en de kerel met het minimale kapsel, en bedankte de uitbater met een gulden fooi.
"Als je morgen weer moet plassen, dan zie ik je wel weer," sprak deze monter en deponeerde de gulden in het fooienkopje.
"Als ik het kan ophouden dan loop ik door," zei ik en verliet het koffiehuis.
"Ophouden is niet zo makkelijk soms," hoorde ik de man met de bril mompelen. "Ik heb dat wel eens met m'n laatste druppels"

Het was me weer een gezellige boel daar in het koffiehuis. Maar ook dat is niks nieuws.


Gepubliceerd in 'Morgen Gratis Koffie, Haagse Koffiehuizen' van Jan en Frans de Leef, uitg. De Nieuwe Haagsche (september 1998)

© RJ. Rueb