Vermaak

Telkens als ik ergens het woord Vermaak tegenkom doet dat mij gelijk denken aan verstelnaaisters. Telkens als ik het woord verstelnaaister tegenkom moet ik gelijk denken aan mijn jeugdtrauma. Mijn jeugdtrauma heette mevrouw Couwenberg. Zelden ben ik iemand tegengekomen die haar naam zo letterlijk nam als mevrouw Couwenberg. Het heeft jaren geduurd voordat men mij ervan kon overtuigen dat met naaien meer bedoeld kon worden dan het stoïcijns wriemelen met naaldoogjes en klosjes garen.

Mevrouw Couwenberg kwam iedere donderdag een ochtendje bij ons naaien. Klokslag half acht in de ochtend plingplongde de bel en stond haar ineengekrompen lijkbleek gemarmerde gestalte voor de deur. "Zo," was het eerste en enige dat zij bij binnenkomst zei. Waarna zij zich naar de naaitafel begaf, waar mijn moeder de avond ervoor alvast de spulletjes in een wollig stilleven bijeen had gebracht.

Mevrouw Couwenberg had een ijzig ritueel. Eerst haalde zij de kap van de naaimachine, waarna zij tergend langzaam en volslagen expressieloos één voor één de ijzeren palletjes waarop het garenklosje moest worden geschoven omhoog klikte. Vervolgens draaide ze drie keer aan het grote stalen wiel dat de hefboom op en neer liet gaan. Twee keer naar zich toe en één maal van zich af. Tussen alle handelingen liet ze haar rheumatische handen telkens even met de palmen omhoog rusten op de geruite stof van haar vale, driekwart lange en oerdegelijke rok. Tenslotte streek zij enkele ingebeelde rimpels in haar lichtbruine vest weg en bleef aansluitend net zo lang stil zitten tot mijn moeder haar een kopje koffie aanbood. "Liever thee," was haar vaste antwoord. Als mijn moeder haar thee had aangeboden, had ze toch "Liever koffie" gezegd. Denk niet dat we dat niet uitgeprobeerd hebben.

Terwijl mijn moeder de keuken inliep om nog maar eens op te schenken (ja jongelui, dat deden koffiezettende moeders vroeger) bukte mevrouw Couwenberg zich onder luid gekreun om de naaidoos op tafel te tillen. In de naaidoos was het een dolle boel. Knopen, gespen, klosjes, vingerhoedjes, naalden, spelden, garen, wol, ijzerdraad, punnikpaddestoelen, je kan het zo gek niet bedenken of het zat erin.

Mevrouw Couwenberg nam heel nauwgezet de inhoud van de naaidoos in zich op en sloot de deksel. Zelden gebruikte zij iets uit de doos. Om dat kracht bij te zetten haalde ze uit haar vestzakje met een zekere nonchalance haar privé vingerhoedje tevoorschijn. Er gaat tenslotte niets boven je eigen vingerhoedje, zo weten wij allen maar al te goed.

Alleen het houten doosje waarin mijn moeder de spelden bewaarde mocht zich in een plaatsje op de naaitafel verheugen. Met een nog altijd strakke blik opende mevrouw Couwenberg het doosje en wipte er met haar pinknagel één voor één een speld uit, die ze vervolgens tussen haar roodgestifte, zeemleren lippen stak tot uiteindelijk het hele doosje in dat vlezige speldenkussen was verdwenen. Net op dat moment kwam mijn moeder altijd met de thee aan, die mevrouw Couwenberg had besteld. Niet dat dat gevolgen had, want bij nader inzien wilde mevrouw Couwenberg toch liever koffie. Althans dat probeerde zij mijn moeder met een mond vol spelden duidelijk te maken.

Na de te naaien onderbroek te hebben geïnspecteerd op sporen van een recente wasbeurt verzonk mevrouw Couwenberg in gepeins. Wat was er zoal te maken van een oude onderbroek. Steevast mondde haar vindingrijke creativiteit uit in óf een washand, óf een pannenlap. Jarenlang hebben wij nog onze soeppannen met de stoffelijke resten van een oude onderbroek van het vuur getild.

Om de denktijd te doden besloot mevrouw Couwenberg vast de draad door het oog van de naald te halen. Haar rheuma maakte het haar echter schier onmogelijk duim en wijsvinger sluitend bijeen te krijgen. Er een ragfijn draadje tussen klemmen was zo mogelijk nóg ingewikkelder. Toch slaagde zij hier met enige inspanning wonderwel in, na een minuut of tien. Met haar blik vastgepind op het draadje dat zij op ooghoogte ophield, zocht zij met onzekere hand een juiste maat naald uit de naaidoos, die ze daarvoor met diezelfde hand eerst opnieuw diende te openen. Met een van pijn verwrongen gezicht onderging zij de vele kleine prikjes waarop het stapeltje naalden haar grabbelende vingertoppen onthaalde. Uiteindelijk had zij er één te pakken en traag leidde ze het oog in de richting van het nog altijd in het luchtledige bungelende draadje.

Je hebt mensen die een draad door een oogje halen en je hebt mensen die een oog over een draadje proberen te trekken. Mevrouw Couwenberg behoorde tot de laatste groep, maar was daar zeker niet de meest geslaagde exponent van. Door haar verziendheid slaagde ze er niet in zowel het draadje als de naald op een gelijke afstand van haar oogpupil te krijgen. Dus verdween na een twaalftal mislukte pogingen de hand met de naald weer richting naaitafel om vervolgens zonder naald in haar lakleren handtasje te verdwijnen, waaruit de brillenkoker weldra tevoorschijn zou worden gehaald.

De brillenkoker was er een van de ouderwetse soort. Een klein model hutkoffer met een sluiting die evengoed als dranger op de buitendeur van de Scheveningse gevangenis had kunnen zitten. Het tussen de knokige vingers geklemde draadje moest ook terzijde gelegd worden opdat mevrouw Couwenberg met het laatste restje kracht dat zij bezat de koker geopend kreeg. Met trillende handen plaatste zij de bril op haar neus en achter haar uitstekende oren. Dat zij waarschijnlijk al jaren niet meer met haar bril op in een spiegel had gekeken verried zich al snel. De linkerzijde van de bril stond een kleine zestig graden uit het lood, terwijl de rechterzijde juist weer zo'n dertig graden in het lood stond. Dat dit rechtstreeks correspondeerde met de sterkte van haar lenzen liet geen twijfel.

Net op het moment dat zij het gehele ritueel voor een tweede keer had volbracht verscheen mijn moeder met de koffie. Met duidelijke tegenzin legde zij eerst weer de naald terzijde, om vervolgens ook de draad te rusten te leggen op de naaitafel. Zij roerde vier maal in de koffie en bracht het kopje naar haar mond. In keurig afgepaste stroompjes sijpelde de koffie tussen de in haar mond geperste spelden door over haar toch al bruine vest. "Oei", zei zij dan altijd met een mond vol naalden.

Wat er van mevrouw Couwenberg geworden is weet ik niet, maar ik mag hopen dat zij inmiddels het tijdelijke voor het eeuwige naaitafeltje heeft mogen verruilen. Nooit meer heb ik iemand zo zien naaien als mevrouw Couwenberg dat deed. En ik hoop ook nooit meer iemand zo te hoeven zien als mevrouw Couwenberg. Een verstelnaaister mag dan de boel professioneel vermaken, leuk is toch anders.

 

gepubliceerd in Groeten Uit De Haag, 1999

© RJ. Rueb