Den Haag bezing je niet

Ik kijk uit mijn raam en het tikt. Den Haag hobbelt aan mij voorbij. Het is stil op straat. Er is geen straat. Een open riool, een ondergronds zwembad, een overdekt kanaal. Ooit zullen er trams rijden. Lekker droog, onder de grond. Zodat ze niet meer over de straat hoeven. En dan zullen wij met ons allen trots zijn: We hebben een metro! We horen erbij!

Het paard is terug in de stad. En hoog in het zadel, gehuld in gele vlaggen, zit een nobel strijdheer, die zich voor heel even stadsbard waant. Geheel ongevraagd bezingt de directeur van de Stichting Promotie Den Haag. Niks 'De Paden Op De Lanen In'. Het is de lofzang van Van de Weg. Een geheel eigen volkslied ter meerdere eer en promotie van de stad. Uit zijn ganzenveer, gedompeld in een gezellig glaasje bordeaux bij de openhaard, rolt een roemende reeks verzen die de stad op een hoger niveau plaatsen. Het is fantástisch in de stad. We liggen aan zee, we bestaan 750 jaar, we hebben armen en rijken, een regering en een koningin. Sportlieden ook en muzikanten. Een koddig stripfiguurtje, opschepperij en alles wat ons stadshartje verder maar begeert. En zo bralt de bard tot slot: we hebben een jeugd, een jeugd met toekomst.

Een jeugd met toekomst. Ik kijk uit het raam. Aan de overzijde van een enorme stapel losse tegels hangt een groep opgeschoten tieners. In hun vingers bungelen stompjes van joints. Ze bellen mobiel en geven elkaar kameradelijke dreunen. Af en toe schoppen ze een gabber van zijn scooter. Drie bakvisjes overleven de ongewenste intimiteiten niet. Een 'alto' moet verder door het leven met een skateboard in zijn fontanel. Eens zullen ook deze jongeren kinderen baren. Kinderen die jeugd worden. Jeugd met een toekomst.

Ik kijk uit het raam. Het paard met de bard komt voorbij lopen. Hij kijkt en ziet de stad leven. Hij roemt de historie in stralende strofen. Historie is mooi om naar te kijken. Alleen moet je er geen zelfbeeld aan willen ontlenen. Dan kom je bedrogen uit.

Den Haag is niet een stad van ons allemaal, want échte inspraak? ho maar. Niet een stad waarvan je houdt, want dan weet je niet wat liefde is. Niet een stad die je bemint, hoewel er voor een minlustige heus wel genoeg gapende gaten te vinden zijn. Den Haag is niet de mooiste plek, want kijk maar eens verder dan je neus lang is. Den Haag is niet iets waarnaar je op zoek bent, want als het goed is heb je 't al gevonden. Niet een stad met een fortuin, we mogen net blij zijn dat we niet meer failliet zijn. Niet een stad die leeft, want je kan er een kanon afschieten. Stad van Harry's, Bluf en Kak Stad waar jeugd een toekomst heeft.

Eenzaam trippeltrapt de stadsbard uit beeld, als altijd begeesterd met een onwerkelijke zweem protserig positivisme.
"Fantástisch!" mompelt hij nog vele malen.
"Fan-tástisch! Fantástisch!"

Den Haag is dè stad van Nederland. Niet de mooiste, niet de beste, niet de gezelligste, niet de heftigste, niet de fijnste, niet de verhevenste, niet de bruisendste, niet de koninklijk veelzijdigste, niet de uitbundigste, niet de hoogdravendste, niet de cultureelste maar gewoon: dè stad.
Den Haag, ons dorp. Verder niks.

Den Haag bezing je niet. Den Haag dat bèn je. Wie er over gaat brallen, maakt zich belachelijk. Just shut up and be proud.

 

Gepubliceerd in Circuit, september 1998

© RJ. Rueb