Een taart bakken

De Haagse economie is een taart. Een grote lekkere taart. Als ik een taart voor me heb staan zijn het altijd twee dingen die ik me afvraag: wie heeft hem gebakken en waar smaakt hij naar. Wat zit erin? Wat zijn de ingrediënten?

Een Haagse taart, waar zou die naar moeten smaken? Naar meer. Absoluut. Maar wat moet er in? De meest basale taart bevat in ieder geval meel, boter, suiker en zout. Vertaald naar economische termen: de bestaande sociale context van de stad. Maar meng deze basisingrediënten door elkaar en je hebt een smakeloze deegbal die als je hem bakt als zand uit elkaar lazert. Het is dus nodig meer toe te voegen dan deze elementaire zaken. Water bijvoorbeeld. Water bindt de meelbal en brengt er struktuur in aan. Water geeft als het ware leiding aan de taart. Voor water moet je bij de werkgevers zijn. Maar zelfs nu nog is het beslag slechts de basis van een oersaaie taart, die bovendien bros de oven uit zal komen. Om die breekbaarheid te voorkomen moet je eieren toevoegen. Eieren, dat is de gemeente. Let wel: alleen ráuwe eieren leveren het gewenste resultaat. Aan halfzachte eieren hebben we dus niets!

Het dikke papje dat nu ontstaan is moet in een vorm gegoten worden. Wat willen we maken en hoe moet het eruit zien. Beleid noemen we dat ook wel eens. Beleid bepaalt de verhouding van de ingrediënten. Neem je te veel water, dan druipt de taart uit de vorm. Neem je teveel eieren, dan wordt de taart te luchtig en lucht verkoopt slecht, zelfs in Den Haag.

Als je geen taartvorm gebruikt, dan krijg je een misbaksel. In Den Haag is er een gebrek aan taartvormen en een overschot aan misbaksels. Kijk maar om u heen; anders hadden we hier niet gezeten.
Eieren hebben we in ieder geval meer dan genoeg. Hele legbatterijen vol. Den Haag lijkt een stad te zijn geworden waar je wel ambtenaar móet worden om te kunnen overleven. Een stad vol pretentieuze kantoren vol pretentieuze blufkutten, die zich luidruchtig op de borst kloppen in de hoop dat men over de stadsgrenzen heen wil horen hoe prententieus we in Den Haag wel niet bezig zijn. Lekker belangrijk! Zorg eerst maar eens dat ze het ín de stad willen horen!

Aan basisingrediënten heeft Den Haag geen gebrek. 36 Duizend werklozen wachten er op een verlossend telefoontje. De Hagenezen mogen dan op alles kankeren wat los en vast zit, maar als ze gevraagd wordt iets te doen voor hun stad, dan komen ze heus wel. Maar dan moet het ze wel gevraagd worden. En dat gebeurt dus niet.

Een voorbeeldje: Er zijn in Den Haag een slordige 117 architectenburo's gevestigd, waarvan een aantal met internationale reputatie. Voor grote pro-jecten als stadsvernieuwing, een IJspaleis, de overkapping van een station of een kantoortje waar ze proberen chemische bommen onschadelijk te maken, wordt echter struktureel een beroep gedaan op Amerikaanse, Spaanse, Portugese of weet ik wat voor architekten.

Voor de tramtunnel die in opdracht van de gemeente Den Haag wordt gegraven is een leger laagopgeleide Ieren en Britten in komen vliegen. Je ziet wat ervan komt. Had daarvoor een greep gedaan uit het Haagse beroepsleger werkzoekenden en het openbare zwembad aan de Grote Marktstraat had er héél anders uitgezien.
Maar, de Hagenezen wordt niets gevraagd

Den Haag is een inkoper. Wat van ver komt zal beter smaken. Als er advies moet worden ingewonnen of een debat moet worden gepresenteerd geniet duurbetaalde Amsterdamse expertise de voorkeur boven de eigen lokale inbreng. Maar een eigen stad máák je niet met mensen van buitenaf. Een eigen stad maak je zélf. Net zoals je zelf je taarten moet bakken in plaats van ze elders te bestellen. Tenzij je genoegen neemt met een voorgebakken vlaai met beperkte houdbaarheidsdatum, natuurlijk. Want help je daarmee 36 dui-zend werklozen aan een baan? Nee dus. Den Haag moet zelf weer fabrieken bouwen. Fabrieken waar we zelf produkten maken.

Zonder meel hoef je niet eens te proberen een taart te bakken. Het meel is de basis van de economie: de beroepsbevolking, de talenten in de stad, de kwaliteiten van de eigen mensen. Daar begint het mee. Erken het en giet het in een vorm en Den Haag zal voor degenen die er écht toe doen (de Hagenezen dus) weer een échte stad worden. Een lekkere vette Haagsche Kakker.

 

Inkopcolumn , uitgesproken in de Eerste Kamer (Binnenhof) t.g.v. debat over economische situatie Haaglanden, 1998
(in opdracht van DeBatterij)

© RJ. Rueb