De stadskleuren en het stadswapen verklaard

Geel en groen zijn de traditionele Haagse stadskleuren. In tegenstelling tot wat bijdehandte tongen weleens beweren zijn deze kleuren niet afgeleid van de kleur van het zand (geel) en van het veen (groen). Na lang historisch onderzoek is gebleken dat de stadskleuren een veel banalere achtergrond hebben. We moeten er ver voor terugzappen naar de donkere middeleeuwen.

Dat de mensen het in vroeger tijden niet zo nauw namen met de hygiëne is algemeen bekend. Zo ook in Den Haag. Van een closetpot hadden nog niet veel middeleeuwse Hagenezen het nut ontdekt en openbare urinoirs werden door de vroede vaderen van de stad als vervuiling van het stadsgezicht beschouwd en derhalve uit de straten ge-weerd. Omdat de bewoners zich desondanks toch met enige regel-maat genoodzaakt voelden zich te ontlasten werden de muren van het grootste godshuis in het centrum al snel het mikpunt van enorme stromen overtollige lichaamssappen. Deze 'zèkmuur', zoals de water-plaats al snel liefkozend werd genoemd stond overigens later model voor de Joodse gebedsplaats in Jeruzalem. Het Haagse woord 'zèkuh' werd daarvoor verbasterd tot het in het Hebreeuws beter uit te spreken woord 'klagen'.

Door de aanwezigheid van zulke ongeremde hoeveelheden urine en de sowieso toch al erbarmelijke leefomstandigheden in de middeleeuwse hofstad ontstonden er in Den Haag tal van ziektes, die zich in epi-demieën over de stad verspreiden. Eén van de hardnekkigste van deze epidemieën was de pleuris, die Den Haag van 1248 tot ver in de zestiende eeuw in zijn greep hield. Het leverde de gekwelde stad de bijnaam 'Pleurisstad' op. Eén van de meest in het oog springende symptomen van de uitgebroken pleuris was de vorming van grote hoeveelheden slijm in de speekselklieren. De enige wijze om ervoor te zorgen dat dit slijm de luchtwegen niet verder zou blokkeren ­ het-geen een gewisse dood tot gevolg zou hebben gehad ­ was door de glibberige groene substantie met enige druk de mond uit te spuwen. Omdat de lokale overheid zich niet de moeite had getroost op vele plaatsen in de stad kwispedoren te plaatsen, wierpen de onbekom-merde burgers hun sputum noodgedwongen te pletter op de kas-seien van de straat. De hoeveelheden zeik en roggels begonnen na verloop zo'n bepalende rol in de kleurschakering van de stad te spelen, dat de kleuren groen en geel al snel ook in de vaandels een eigen plaats veroverden.

De combinatie van urine en vette fluimen trok door de jaren heen uiteraard veel andere ziektes aan; zo was Den Haag van 1540 tot en met 1693 afwisselend een 'Peststad' en een 'Klerenstad' (uiteraard verbasterd van de cholera), van 1724 tot achter in de 19de eeuw was het een duidelijke 'Teringstad' en vanaf vlak na de Tweede Wereldoorlog staat Den Haag te boek als 'Kankerstad'). Maar de stad trok niet alleen ziektes aan. Ook de in die tijd nog talrijke ooievaarspopulatie begon zich tot Den Haag aangetrokken te voelen. Vanaf een paar honderd meter hoogte moeten de ooievaars namelijk ten onrechte hebben aangenomen dat de groene vlekken op de Haagse straten kikkers waren, niet voor niets het lievelingskostje van de eenbenige langsnavelaar. Met een nietsonzienende vaart stortten de vogels zich in groten getale op de zo smakelijk ogende klodders, waarbij menig ooievaar na een bepaald onzachte aanraking met de straatklinkers het leven liet. Het restant van de vogelpopulatie legde niet veel later het loodje als gevolg van de samenstelling van de besmettelijke substantie waaraan zij zich zo onbezonnen overgaven. Zij kregen accuut de pleuris, hetgeen gelijk de zo gevleugelde Haagse uitdrukking "Krèg mâah lekkâh de pleuris!" een prominente plaats vóór in de volksmond opleverde. Het voorval met de zich misrekenende ooievaars verklaart waarom juist deze vogelsoort in Den Haag uitgestorven raakte.

Door de lijkverstijving bleken de ooievaarskadavers echter een steekhoudend wapen te zijn en het duurde dan ook niet lang vooraleer de immer morrende Haagse bevolking gewapend met morsdood gevogelte een poging ondernam in opstand te komen tegen de misstanden in hun stad. Hoe scherpgesnaveld een ooievaarslijk dan wel mogen zijn, werkelijke potten konden de op-standelingen niet bre-ken tegen de goed uitgeruste stormtroepen van de Hoge Heren in het Binnenhof. Om de gemoederen wat te bedaren besloot het stadsbe-stuur de zo multifunctioneel gebleken ooievaar evenwel posthuum te eren in het stadswapen. Om het gemis aan ooievaars te compenseren liet het stadsbestuur later grote hoeveelheden reigers aanrukken. In-derdaad was de overeenkomst schokkend en bovendien waren ze aanmerkelijk goedkoper in het gebruik.

En zo ontsluit zich opnieuw een langgekoesterd geheim in de toch al zo rijk Haagsche stadsgeschiedenis.

 

Gepubliceerd in Ut Groen-Geile Boekie vannut Haags, 1998

© RJ. Rueb