Unox aan de Noordzee

Omdat ik met mezelf, als één van mijn talrijke nieuwjaarsvoornemens, had afgesproken dit jaar vooral niets van de evenementen in de jarige stad te zullen missen, vervoegde ik me op de eerste de beste dag op een onchristelijk tijdstip aan de Scheveningse kustlijn om daar in een vlaag van mensenmassahysterie deel te nemen aan de onbegrijpelijke, want traditionele Nieuwjaarsduik. Stevig vastgedrukt wachtte ik tussen de talrijke andere nagenoeg naakte wezens op het strand op het verlossende startschot, waarmee deze in kippevel geklede kudde het op een lopen richting ruime sop zou zetten. Vetrollen blubberden ongedurig langs mijn ellebogen toen ik een weeë lucht langs voelde komen. Worst! Róókworst!

Nu weet ik niet hoe een ander zich op 1 januari voelt, maar het is mij slechts zelden overkomen dat mijn lichaam het aanbreken van de volgende dag voor het avondeten al op de juiste waarde wilde schatten. De alkohol in mijn aderen was nog volop aan het doorlallen en de vele laatste sigaretten die ik tijdens de nieuwjaarsnacht door mijn longen had getrokken hadden mijn luchtpijp nog aardig in hun wurggreep. Het minste geringste kan in een dergelijke staat dodelijk zijn. Rookworst is beslist niet het minste geringste. Met een vulkanische ontlading stortte ik een vuistdikke stroom braaksel uit over de kleumende massa, die zich in de veronderstelling dat dit het startsein was massaal in beweging zette en joelend een sprint trok naar de branding.
De worst bleek een sponsoraktiviteit. Unox. Het blijft een vreemd gegeven. Worst doet me altijd denken aan een gezwollen mannelijk geslachtsdeel. Heel kinderlijk misschien, maar vroeger al maakten we er grapjes over: 'Mijn vader heeft haren op zijn borst' klinkt heel anders wanneer je met beide wijsvingers je mondhoeken opzij trekt

Het fenomeen Nieuwjaarsduik en de sponsor middels de eenvoudigste rekensom met elkaar in verband brengen lukte me niet. Wat had een worstendraaier nou in godsnaam met een ijskoud waterballet uitstaande tenslotte? Omdat nadenken een recht is dat mij op deze dag en dit tijdstip nog niet gegund was, volgde ik ­de menselijke kuddegeest getrouw­ de grote groep in de race naar het zilte nat. Het is de kunst in zo weinig mogelijk tijd 'door' te gaan. Kopje onder, zodat je zo intens verkleumd bent, dat je niets meer voelt behalve dat het leven uit je wegvloeit. Een haast spirituele ervaring, zo probeerde een traditionele nieuwjaarsduiker me later vergeefs duidelijk te maken. Luttele seconden na mijn struikelpartij in de steenkoude golven rende ik alweer terug naar de tent waar mijn kleding ergens moest rondhangen. Onderweg merkte ik iets heel vaags aan mijn onderbuik. Ik trok de band van mijn zwembroek iets vooruit en zag niets! Hij was weg! Mijn jongeheer was niet meer. Een verschrompeld velletje met wat sluik haar.

"Hier, een lekkere warme worst!" sprak de breedgrijnzende sponsor. Het waren zijn laatste woorden.

De laatste tijd overkomt me dat wel vaker, dat slappe, samengetrokken gevoel. Zo werd ik onlangs tijdens een live radiogesprek onaangekondigd gekonfronteerd met de stelling dat ik iets tegen de 750ste verjaardag van Den Haag zou hebben. Ik heb daar wel vaker last van: dat mensen mij vertellen wat ik van mening ben. Hoe mijn luisterrijke vriend Louis, die het programma presenteerde, erop gekomen was dat ik het allemaal maar niks vind met dat Haagse poeha-gedoe en moddervette bravour-gebral, weet ik niet. Toch zette deze vraag mij aan het denken. Want wat vind ik eigenlijk van al die heisa rond Den Haag 750?

Zie ik het als een verjaardagsfeestje? Ik hoop het niet, want ik heb een grondige teringhekel aan verjaardagsfeestjes. Het is steevast handjesgeven en je voorstellen. Als ik iets dom vind is het wel handjesgeven. Net zoiets als applaudisseren Als je gewoon met z'n allen 'Goed' zegt als iets goed is, dan ben je toch veel praktieser bezig. Dat heb je met handen geven ook. Uitsteken, vastpakken, schudden, loslaten. De stupiditeit druipt ervan af Zoenen, ook zoiets. Nee, laat ik 750 jaar Den Haag in godsnaam niet als een verjaarspartijtje zien. Maar als wat dan wel?

Waarom wordt er zo dik gedaan over 750 jaar Den Haag? Als een slimme manoeuvre om de aandacht een jaartje af te leiden van de verschrikkelijke puinhopen die men bij wijze van verbetering in de stad aanbrengt? Te makkelijk, te naïef. Hoewel Geef het volk brood en spelen en het mort niet langer. Dan ken je de Hagenezen niet. Die zal lustig verder kankeren, ongeacht hoeveel brood en spelen je hem geeft. Hans en Frans' Haagsche kakker, de Wereldruiterspelen en de World Games ten spijt.

Na lang overpeinzen kwam ik erachter dat ik eigenlijk helemaal niets vind van Den Haag 750. Ik wordt al moe bij de gedachte dat ik de komende zomer al die festivals en evenementen af moet lopen. 750 Jaar Den Haag geldt in wezen alleen voor de bewoners van het Binnenhof. En daar woont helemaal niemand. Sterker nog: het Binnenhof ís helemaal geen Haags grondgebied! Het is Rijkseigendom. Dus wat lopen we hier nu eigenlijk helemaal te vieren? Hoe moeten ze in die premie-C blokhutten van Houtwijk in godsnaam het besef hebben 750 jaar te bestaan? Of in het Wateringse Veld, die ongeboren foetus die gebouwd wordt op de restanten van een Romeinse snelweg? Wat, waren hier Romeinen 750 jaar geleden? Of was Den Haag 2025 jaar terug al een weerbarstig dorpje aan de Noordzee? Hoelang moeten we hier nog mee doorgaan? Eerlijk gezegd: het zal me allemaal worst wezen. Een lekkere warme worst.
Unox aan de Noordzee voor mijn part..

 

Gepubliceerd in Circuit, januari 1998
Uitgesproken t.g.v. het Haags Dictei, januari 1998
Gepubliceerd in Groeten Uit De Haag, 1999

© RJ. Rueb