Telehijgers

Da's nou ook wat. Wil ik net een column schrijven over de verfrissende werkelijkheid van het fenomeen telefoon, gaat de telefoon. Niet één keer, maar godverdomme de hele week lang. Of ik niet even dit Of ik niet even dat Daarmee eindigde mijn column waar ik begon: in gesprek.
Het vervelende van een telefoon is dat je 'm niet uit kan zetten. Tuurlijk, je kan de stekker eruit trekken en draadloos verder gaan. Maar dan bekruipt je toch de onrust van het onbereikbaar zijn. Onbereikbaar maakt onzeker. Want als je geen telefoon hebt kan je ook geen belangrijke telefoontjes ontvangen. En dat is dodelijk. Zo probeerde een maand of wat geleden iemand mij te bellen omdat Zuster Theresa het loodje had gelegd. Belangrijk nieuws waarvan ik urenlang verstoken moest blijven.

De telefoon is eigenlijk een heel vervelend apparaat. Het ding staat maar te staan en opeens gaat-ie. Bovendien hebben ze voor telefoons nog geen Nee-Nee stickers. Het maakt niet uit wie er belt, je moet toch opnemen, want je weet maar nooit. En als je niet weet wie er gebeld heeft, dan vreet dat aan je. Misschien is er wel een familielid gestorven, waar je net die middag op de thee zou gaan. Dan zou je toch mooi voor Jan Lul in de auto stappen, terwijl je nog zoveel nuttigere dingen had kunnen doen. Of er hangt een grote opdrachtgever aan de lijn voor een klus die je in één klap een jaarsalaris had kunnen opleveren. Helaas is het als ik de telefoon opneem zelden de moeite waard. Dat familielid wil maar niet dood en de opdrachtgevers beginnen hun gesprek altijd met 'er is niet veel budget maar'.

De laatste tijd wordt ik veel lastig gevallen door tele-hijgers. Ik schijn te wonen in één van die omhooggevallen arbeiderswijkjes, waarvan een aantal lepe marketingmongolen veronderstelt, dat er door de ingezetenen slecht verzekerd en belabberd belegd wordt. Een wijk vol tweeverdieners die hun geld opgepot in vuistdikke kluizen pal achter de schuifpui bewaren. Dat er een kern van waarheid in die veronderstelling zit blijkt wel uit de regelmaat waarmee inbrekend volk zich ongepermitteerd toegang verschaft tot deze en gene woning om daar de genoemde kluis te ontfutselen aan de afwezige, want werkende wijkbewoners.

Maar dat kunnen die marketeers natuurlijk ook niet weten; dat die kluizen allang met de noorderzon des dievenvolks naar elders zijn vertrokken. Vandaar dat zij niets vermoedend en vooral veelvuldig de telefoon grijpen en mijn nummer bellen om me te vermoeien met beschuldigingen: dat ik mijn geld verkeerd beleg, een foute hypotheek heb afgesloten, onderverzekerd ben, mijn overwaarde onwaardig benut of dat ik gewoon een abonnement op de Haagsche Courant moet nemen, want ook die weten van geen ophouden als het op lastigvallen aankomt.

Nu ben ik qua financiën alles behalve een kei. Maar daar heb ik een 'mannetje' voor, die ik het alleenrecht heb gegeven zich ten koste van mijn onbenul te verrijken. Ook dat weten zij die mij voortdurend bellen uiteraard niet, wanneer zij mij voortdurend bellen. Zij weten slechts één ding: namelijk dat ik de helft van een tweeverdiener ben en mij dus vast slecht heb verzekerd. En dat is reden genoeg mij steevast bij het binnenglijden van de eerste hap avondeten op een telefoontje te vergasten.

Als de marketeers nu zelf zouden bellen, dan was dat nog tot daar aan toe geweest. Dan had ik ze zelf de huid kunnen volschelden. Maar neen, de slappelingen laten vrolijke jongedames het vuile werk opknappen. Dames die bovendien van toeten noch blazen weten, maar er slechts op uit zijn mij op te zadelen met een persoonlijk bezoekje van één van hun opdrachtgevers. Nu is dat wel het laatste waar ik op zit te wachten, dat er zo'n verzekeringsmongool mijn tuinpad opstiefelt. Dus probeer ik het altijd op een evaluerend gesprekje te gooien met de telefoniste, die de euvele moed had mij lastig te vallen met haar vragenlijst. Zelden mondt een dergelijk telefoongesprek uit in een zinnige conversatie. Ze hebben de bek vol over al mijn financiële gebreken, maar als je ze de kleren van het lijf begint te vragen over hun eigen situatie, dan geven ze mooi niet thuis.

Zo hing er laatst één aan de lijn, die haar naam niet wilde noemen. Ik zeg nog: het hoeft niet je échte naam te zijn. De meeste telefonistes die mensen lastig vallen hebben een pseudoniem, omdat ze anders maar lastig gevallen zouden worden. Laten we je maar Diana noemen. Dat is lekker makkelijk te onthouden. Ik zeg: hoe lig je erbij? Ik zeg: Wat! Koud zeker. Ik zeg: Wat heb je dan aan? Een tuuttuut? Tuut-tuut-tuut-tuut Ach gut. Opgehangen.

Ophanging is voor mensen, voor wie de wurgsex nog altijd een onbegrepen vorm van bizar vermaak is, een uiterst ongewenst soort coïtus interruptus. Vaak heb ik dan ook wanneer ik met een telefoniste eenmaal tot dit punt ben gekomen, de verschrikkelijke aandrang een hoer te bellen. Telefoonhoeren vindt je, als je tenminste geen gehoor hebt gegeven aan de kruistocht van de EO, in alle vormen en maten achter in het telefoonboek. Wanneer je met een hoer over verzekeringen en hypotheken begint krijg je pas waar voor je geld. Maar ook het bellen met hoeren gaat snel vervelen.

Nee, een telefoon is helemaal niet leuk.
Er zit een bel in, maar daar houdt het dan ook echt mee op.

 

Gepubliceerd in Circuit, januari 1998
Gepubliceerd in Groeten Uit De Haag, 1999

© RJ. Rueb