Gedoofd getikt peertje

Gisteren stond er een overlijdensbericht in de krant. Zomaar, plompverloren in de linkerbovenhoek. Han Veendorp overleden.

"Han Veendorp? "Who de fuck is Han Veendorp?" vraagt nu iedereen zich af en er zal slechts bij weinigen een lampie gaan branden. De internationale gemeenschap stond dan ook geen seconde stil bij zijn verscheiden. Maar wie wel?

Ik dus. Niet dat Han Veendorp nu zo'n licht was, dat hij mij door dood te gaan tot in het diepst van mijn ziel kon roeren. Daarvoor kende ik hem niet genoeg. Eigenlijk heb ik maar een keer in mijn leven een goed gesprek met hem gehad. Dat was toen ik na lang aandringen bij hem op audiëntie mocht komen. Onder de strikte voorwaarde dat ik een kratje Heineken-bier mee zou brengen.

Han Veendorp woonde op stand. Een groot herenhuis aan de Jozef Israelslaan, Benoordenhout. Hij woonde er alleen. Het huis telde een slordige 9 kamers, waar letterlijk niets instond, behalve in één kamer waar Han een kale houten tafel had geplaatst met daaraan één al even kale keukenstoel. En in een klein achterkamertje op drie hoog stond nog een smalle stretcher met daarop een grauw lakentje en een wollen deken met ontelbare schroeigaten: de slaapkamer.

Han Veendorp gebaarde me nonchalant op het door mij op zijn verzoek meegebrachte krat bier plaats te nemen en schonk me ongevraagd een koud glas slappe thee in. Hijzelf nam een flesje bier uit de krat, nam plaats op de stoel en vroeg zwijgend om een sjekkie. Even later rookte hij. Al die tijd sprak Veendorp niet. Hij gromde slechts wat en schraapte zijn keel.

Waarom was ik bij Veendorp. Om hem vragen te stellen. Want Veendorp was één van de vele paradijsvogels die Den Haag rijk was. Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat slenterde hij door de stad, van kroeg naar kroeg. Slechts aan de tapkast wilde hij nog wel eens iets verstaanbaars mompelen; voor het overige was hij alleen met een krant en een doos vol kapotte lampen. Hoewel waren die lampen wel kapot? Welnee, toonde Han Veendorp keer op keer aan, hetgeen hem de koosnaam 'Lampie' opleverde.

Han Lampie was de lampendokter van Den Haag. Een gave wilde hij het niet noemen. Het was eerder een techniek. Han Lampie tikte tegen de doodgewaande lampen, schudde ze wat en het licht ploepte aan. Een bezigheid die hij vlak voor de oorlog oppikte en nooit meer losliet. De éne na de andere peer reanimeerde hij. Tienduizenden lampen door de jaren heen. Een niet gering percentage daarvan brandde in zelfgeconstrueerde lichtbatterijen gelijktijdig en het gehele jaar door in de kamers van zijn huis, op de trappen, in de wc's en op de rand van zijn bad. Het hele huis was vergeven van de in sigarenkistjes gestoken gloeiers. Dubbeldik en kamerbreed. De energie die deze gloeilampen uitstraalden leverde een kamertemperatuur op van rond de dertig graden. De meterkast in huize Veendorp lag bezaaid met stoppen. De maandelijkse energienota bedroeg zo'n 450 gulden.

"Ze zeggen wel eens dat Las Vegas de enige stad is die je vanuit de ruimte op aarde kan zien liggen, maar als het dak van dit huis afwaait dan zou ik een goede tweede zijn," sprak hij niet zonder trots.

Han Veendorp was gebiologeerd door gloeilampen, gefascineerd door de schoonheid van electriciteit. Hij ergerde zich rot aan de nonchalance waarmee de mensen met hun lampjes omgaan: "Ik heb ze zo vaak gezegd: je moet ze niet laten pieken! Maar dat doen de mensen dan niet. Die luisteren half of niet, begrijp je wel. Bij een nominale spanning van 220 Volt heeft een lamp duizend branduren, maar zodra de spanning stijgt zijn dat er nog maar 200, terwijl als de spanning daalt het er maar liefst drieduizend kunnen zijn. Je moet ze niet laten pieken, verdomme!"

Bij Han Lampie Veendorp is de spanning eraf. Zijn lampje werd niet meer aangetikt. Het GEB plaatst volgende week een rouwadvertentie.

Mensen sterven. Goed dat is een gegeven waarmee te leven valt. Maar als je iemand hebt geïnterviewd, dan maak je zo'n persoon een beetje onsterfelijk, denk je. Zaterdag stond naast de advertentie van Lampie ook een bericht met eenzelfde strekking over Jan Oudshoorn, een gewezen bokskampioen. Ook deze man interviewde ik destijds. Ook hij is dood. Zo werd ik het afgelopen jaar geconfronteerd met meer sterfgevallen van mensen die ik ooit eens naar hun diepste beweegredenen vroeg. Zou er een verband zijn? Ik zou het niet weten, maar ik heb in ieder geval mijn lijstje te interviewen personen aangepast. Alleen voor vraaggesprekken met Deetman, Engering, Noordanus en Yvonne Keuls zal ik de komende maanden nog beschikbaar zijn.

 

Gepubliceerd in Haags Straatnieuws, december 1997

© RJ. Rueb