Het feest der zinnen

 

(Lukas, 15:23-24)
"De vader zeide tot zijne dienaren: Laten wij eten en feest vieren! En zij begonnen feest te vieren."

Kerstmis naakt aan het eind van de donkere decembertunnel. En dat is eten en feest vieren, dat het een lieve lust is. Het kerstdiner. Met een wijntje erbij (het ware bloed van jezus) wordt het alsmaar gezelliger. In de boom ­ met kluit om het afsterven van de nerveuze naaldjes nog wat te rekken ­ schijnen kleine lampjes, die verdacht veel op kaarsen lijken maar dat wegens brandgevaar niet zijn. Over onze weelderig gedekte tafel sjezen miniaturen van de kerstman op denneappelsledes langs de bordeauxrode linten die wij tussen ons beste tafelzilver over het laken hebben gespannen. Gezéllig. Een immense crêpe-papieren klok staat op het punt vlam te vatten boven het kleine woud van uitgevallen lover waar mid-denin een kaars pronkt, die nodig gesnoten dient te worden. En wij zingen liederen, die slechts éénmaal per jaar ons repertoire in mogen; die slechts in tijden van heilige devotie worden aangeheven, ter meerdere eer en glorie van Betlehem!

Wij zijn in den heere en dat willen we weten ook. Voor een paar vrije dagen aan het eind van onze dertiende maand gaan wij graag rechtop zitten en pootjes geven. Wij laten ons het vlees der aarde welgevallen ­ een lijvige en goedgevulde kalkoen, een hazerugje met druiven, een gebalsemde heilbot ­, want: wij wéten wat wij willen eten. En wij dromen over de onbevlekte ontvangenis, de vrouw van de houtbewerker, en de toorn van Jehova, die ons d'anderen daags ons bed uitbelt met een voet tussen de poorten van onze welgespijsde tempel. En ondanks onze katers voelen wij ons heilig als wij hun ivoren wachttoren met een aalmoes kunnen laten verdwijnen en ons zorgeloos kunnen richten op tweede kerstdag, alweer zo'n festival van goedertierendheid.

Klagen doen wij niet. Nooit. Ik althans niet, want ik ben een binnenvetter. Een jaar lang spaar ik al mijn shit op. Nooit spuw ik mijn gal over het moment of sla ik iemand zijn kop van z'n romp als deze mij niet aanstaat. De vriendelijkheid zelve ben ik, zo veins ik. Een geduldige glimlach maskert mijn wrok. Ik wens iedereen het graf in, maar wel binnensmonds. Zo heb ik het een aardig eind weten te schoppen in dit bestaan. Wroeging heb ik evenmin. Gretig stapel ik zonde op zonde zonder dat ik daar ooit maar één moment spijt van heb. Ik vergrijp me aan mijn naasten, blasfemeer me wezenloos, begeer wat ik begeren kan en doe alles wat onze lieve heer, onze vader of beiden mij verboden hebben. Maar toch blijft mijn wangedrag vaak als een ongewenste intimiteit in mijn hoofd rondspoken en betast daar onzedelijk de kwaadste kwabben van mijn schande en schaamte.

En daarom trek ik mij ieder jaar, zo rond de kerst, terug in de getraliede beslotenheid van de biechtstoel. Het is tenslotte nooit weg van een relatief onafhankelijk persoon een 'second opinion' te krijgen. Zeker wanneer deze vage vreemdeling door zijn baas is verplicht zijn bek te houden over alles wat je hem influistert.

De biecht is aan strenge regels gebonden. Je kan een hoop veinzen, maar van de rouwmoedige zondaar wordt toch in de eerste plaats wel verwacht dat hij oprecht berouw toont over de door hem begane zonden. Wie daarin slaagt kan rekenen op gegarandeerde kwijtschelding en een bemoedigend schouderklopje van de Heer.

Maar wanneer is berouw volmaakt. Als je het toont, gedreven door een vrome liefde voor god. En daar wringt hem wat mij betreft ieder jaar weer de schoen. Een vrome liefde voor die ouwe die in den hemelen zijkt is bij mij niet te vinden. Ten eerste ben ik overtuigd hetero en ten tweede ga ik van oude mannen met witte baarden spontaan over mijn nek. Een mogelijke oorzaak is te vinden in de ongelukkige afwijking van mijn oom Theo die zich jaarlijks, verkleed als gulp-Sinterklaas aan mijn prille jongenspiemel laafde. Dank U Sinterklaasje

"Jij toont onvolmaakt berouw, mijn zoon", klonk het traditiegetrouwe verwijt van de priester die een hokje verderop zijn neus zat leeg te vingeren.
"Ja kom nou zeg! Ondankbare hond! Ga me een beetje hel en verdoemenis staan aanpraten! Hoezo is mijn berouw onvolmaakt? Ik bedoel het toch goed!"
"O, als je het goed bedoelt dan ligt de zaak anders," waterde de man in het zwart in zijn wijn, bang dat ik bij mij vertrek geen duit in zijn zakje zou doen. "Dan zit het met jou wel snor in de hemel. Maar, zal je het nóóit meer doen?"
"Ja pa," loog ik, blij dat ik er weer zo genadig vanaf gekomen was. De macht van de kerk is niet meer wat het geweest is. In die goeie ouwe tijd had ik tot mijn laatste zonde moeten branden in het vagevuur. Nu bleven zelfs de weesgegroetjes me bespaard.
"Maar geef me nu alsjeblieft eerst snel wat te zuipen, want ik heb me godverdomme toch een dorst gekregen van dat gebazel. Een goed glas Jezusbloed zou er wel ingaan nu. De priester viel op zijn knieën en begon te prevelen. Tranen ontsprongen aan zijn ogen. Tussen habijt en lippen door vloekte hij hardgrondig.
"Bij wijze van aflaat dan?," probeerde ik nog. "Om de mond te spoelen?"

Het gaat bij de kerk om de symboliek. Dat ze die poppenkast echt menen, dat maak je mij niet wijs. Desondanks zou mijn vermoeden dat Christus een brallend drankorgel was met een stevige 15% in zijn aderen toch best waar kunnen zijn. Licht in zijn hoofd, vandaar die stralenkrans, en met een vreemd verbond met Lazarus. Want het is een universeel gegeven dat allen gekken en dronkemannen de waarheid verkondigen. En dat zij pas in de ochtend, genoopt door een stekende koppijn en een wankel, brakend gestel, berouw over hun handelen tonen. Is het dan ook slechts toeval dat Jezus pas met die biecht op de proppen kwam nadat hij wederopstond met gaten in zijn handen en een stuk in zijn kraag?

 

Uitgesproken bij kerstprogramma van Groeten Uit De Haag), december 1997

© RJ. Rueb