Mannen in zwart

Onlangs was de Haagse horeca voor een middagje ondergebracht in het oudste grand-café van de stad. Ik had daarvoor om de een of andere vage reden een uitnodiging ontvangen en nooit te beroerd voor een horeca-bezoekje toog ik vrolijk en vief naar Sociëteit de Witte, want zo heette de kroeg. Mijn vader kwam daar vroeger vaak en niet zelden stomdronken vandaan, dus ik was maar wat trots in zijn voetspo-ren te mogen treden. De Witte heet een oude lullen-kroeg te zijn en waar ik al bang voor was gebeurde me reeds onder aan de kamerbrede trap. Een opgedirkte Melkert-portier wees mij beleefd op de gardero-be. Altijd fijn om te weten waar de mensen hun jassen hangen, dacht ik, maar kom ik heb het wat frisjes en waarom zou ik dat verergeren. De bejaardensuppoost liet zich echter niet vermurwen en maakte aanstalten de jas bij een volgende weigering ruw van mijn schouders te rukken. Ik diepte uit al mijn zakken kleingeld, sleutels, pennen, condooms, papiertjes en andere waardevolle zaken op en propte die in de zakken van mijn vale spijkerbroek, waardoor het net leek alsof mijn scrotum zich schrijlings in de richting van mijn beide heupen had verplaatst. Zo voelde het overigens ook. Dat kwam omdat dat ook het geval bleek te zijn. Pijnlijk liep ik de trap op naar de bovenetage, waar volgens opgave de Haagse horeca zich zou bevinden.

Stel je voor: een balzaal van veertig meter lang met kroonluchters in de dimstand en het geroezemoes van vierhonderd in C&A-pakken gecamoufleerde horecabonzen. En één reporter in een afgetrapte spijkerbroek met opbollende zakken. Ah, de pers is er hoorde ik een kalende ex-portier brallen. Een juffrouw van de organisatie leidde mij snel langs een Riha-orgeltje naar de voor de pers gereserveerde stoeltjes. 'Gaat u daar maar zitten', zei ze en ze wees naar het achterste zitje, dat in een onverlicht stukje van de enorme ruimte geheel tegen de donkere gordijnen wegviel.

Ik blikte de zaal rond op zoek naar de Haagse horeca, die zich hier verdekt moest hebben opgesteld. Boven de donkere stropdassen meende ik heel af en toe een vagelijk bekend smoel te kunnen herkennen. Zonder tapkast voor hun buik zien ze er heel anders uit, die kroegbazen. Verdomd, daar is de uitbater van die cafeetjes aan de Grote Markt. Stijf en nietszeggend als altijd zat de man achter een tafeltje. En daar, dat is Ronnie van de Bordelaise! Onherkenbaar. Langzaam maar zeker tekenden zich meer bekende gezichten af en begon ik mij af te vragen wat de reden was van deze massale travestie. Ik herinnerde me een film waarin mannen in donkere pakken in feite buitenaardse boemannen waren. Een angstig beeld drong zich in me op en ik besloot ter plekke de horeca voorlopig te mijden.

Plots kwam er beweging in de voortwauwelende groep. Acht mannen namen plaats achter twee tafels en de presentator van Den Haag Vandaag dook vanuit het niets op om het woord te nemen.
"Geachte ondernemers!" sprak hij. Plots werd het me duidelijk. Dit waren ondernemers. Dit was geen bijeenkomst van de Haagse horeca, maar een geheime ondernemersmeeting. De jongens van de Zwarte Hand, de vrijmetselarij, de Klan. En ja, ondernemers zien er natuurlijk héél anders uit dan horecabazen. Als ondernemer dien je je representatief te kleden, als kroegbaas maakt dat geen flikker uit.

De verdere bijeenkomst keek ik met open mond toe. Wat een hoop tekst kwam er uit al die zwartgeklede monden. Wat een problemen kende het gilde van gulden tap. Wat een debat ontspon zich hier. Twee hoofdzaken: de economische expansiedrift van de Haagse horeca en de bestrijding van het Zinloze Geweld. Wethouder Verkerk deed een knoop in het zakje met een volslagen ledig betoog. En weg was Verkerk. Hij wist niet hoe snel hij zich uit de voeten moest maken naar een volgende afspraak.

"Er wordt niet naar ons geluisterd!", brulde een als ondernemer vermomde canabis-handelaar uit de zaal, doelend op zijn vruchteloze pleidooien in allerhande overleggroepen.
"Voor den donder wel!", bekte burgervader Deet verbolgen. "Wij luisteren naar alles wat je zegt, maar doen er verder geen flikker mee. Dat is politiek, want als we wel gehoor geven aan jouw wensen, dan kunnen we geen gehoor geven aan de wensen van een ander. Konflikterende belangen noemen we dat. En daar kunnen we verder niets mee. Dat vind ik nou het leuke van politiek. Daardoor kunnen wij lekker zelluf bepalen wat we doen. Maar luisteren? Tuurlijk luisteren we! Hoe durruf je het te zeggen!"
Ik vind het een genot die man, die onbeholpen Haagse eerlijkheid. Zoiets had die sleutelhanger Havermans toch nooit uit zijn kabouterstrotje gekregen. Aan de andere kant krijg je van deze onopgemerkte want goed verpakte arrogantie toch een behoorlijke zin in zinloos geweld.

Zinloos geweld in horecatermen is niet veel meer dan wat vorig jaar nog gewoon een ongewenste matpartij heette. Of het ongevraagd lastigvallen van klanten. Gewoon dat onaangepaste gedrag dat sommige etters in de maatschappij soms noodzakelijk vinden te onpas te etaleren. Wat doe je daar aan. Ze eruit flikkeren en zorgen dat ze eruit geflikkerd blijven worden. Desnoods met geweld. Zinnig geweld zou je dat kunnen noemen. En daar heb je specialisten voor. We noemen ze portiers. En nou mag jij kiezen. Wat heb je liever: zinloos geweld of zinnig geweld. Of wil je gewoon liever de kit op je dak. Als ik een horeca-baas (sorry: een ondernemer) hoor vragen om meer blauw op straat, dan weet ik dat hij een goede omzet nastreeft. Iedereen blauw zijn zaak uit. Maar dat is een té flauwe grap.

 

Gepubliceerd in Circuit, december 1997

© RJ. Rueb