Materiaalkunde

Het enige dat ik ooit aan studeren heb overgehouden is een papiertje. En een kater maar dat had verder niets met de studie te maken. Hoewel. De chemische reakties die de vele zogenaamde koffietafels en borrelpartijen in mijn studiehoofd hebben veroorzaakt hebben mij mede gemaakt tot de persoon die ik nu ben. Een materiaaldeskundige. Geef mij een materiaal en ik noem je de bijpassende alcoholische drank. Dat leerde ik gretig aan de verplichte koffietafels.

Koffietafels waren in mijn tijd synoniem voor een verloren want stomdronken dag zwalken langs de grachten van de studentenstad. Koffie was namelijk het laatste wat er bij deze gelegenheden op tafel kwam. En vaak pas dan wanneer het tafelgezelschap allang een onder-de-tafel gezelschap was geworden. Max Havelaar heeft voor mij sinds die tijd dan ook een diepere betekenis gekregen. Ik ben makelaar in koffie Ik ben uw slijter zal je bedoelen. Gal en nog meer gal!

Om tien uur op de zondagmorgen verschenen al de eerste flessen koffie op tafel. Met een percentage van tegen de vijftig joegen deze de stemming er al ras goed in. De vreemdste cocktails kwamen er op tafel, niet zelden gevuld met terugkerende etensresten die, onwillig zich de maagsappen te laten welgevallen, niet wisten hoe snel weer terug te keren tot de buitenzijde van de menselijke mond. Komplete pizzeria's vlogen opgelucht de keelholte uit om daar een slechtriekende leegte achter te laten die slechts geneutraliseerd kon worden met een flinke slok van een vaag brouwsel met een al even vaag doch nietsontziend alcoholpercentage.

En wat deed je dan nog met je dag. Je ging biljarten omdat je het krijten van je keu zo'n zinvolle bezigheid vond. Je ging wandelen door het Von-delpark in de wetenschap de stelling te ontkrachten dat jij niet in zeven sloten tegelijk kon lopen. Want ook dat is wetenschap: falsificatie. Lekker eigenwijs iets anders beweren. Conflicten veroorzaken. Schijt aan de bovenmeester. Ik ben student en juist omdát ik het nog moet leren, weet ik het nú al beter!

Dat betweterige heeft mij gevormd. Zeker toen ik op zekere dag in een gezellig café in de Amsterdamse binnenstad een discussie aanging met een voetbalsupporter, die mij ervan probeerde te overtuigen dat de broertjes De Boer wel degelijk hersens hadden.
De één wat meer dan de ander, moest ik toegeven. Maar dié draagt dan ook een bril in zijn vrije tijd. Brildragers hébben nu eenmaal meer hersens. Maar dát zie je alleen als je een bril op hebt.

De supporter toonde mij zijn onbegrip. Een voor mij zeer leerzaam onbegrip. Materiaalkunde zou je het kunnen noemen. Door de korte demonstratie die deze F-side professor mij die middag gaf weet ik inmiddels maar al te goed dat metaal een goede geleider is. De hersenbloeding die ik in dat café opliep denderde nog seconden na in de loden pijp die hem aanrichtte. Waarmee ook gelijk kon worden vastgesteld dat lood bepaald geen óverdréven inert materiaal was. Was het wat trager geweest dan had ik hem wellicht nog kunnen ontwijken. Nu was echter de hoek van zijn inslag volkomen gelijk aan de hoek van mijn uitval. Met een barstende koppijn werd ik wakker. Was het de kater of was het het lesmateriaal geweest?

Studeren is dronkenschap. Studeren is bezopen. Het enige dat je er aan overhoudt is een papiertje.

 

Uitgesproken bij lustrum stud.ver. Tubalkain, november 1997
(optreden met Groeten Uit De Haag)

© RJ. Rueb