De Schijnheiligman

Tegenwoordig is het zo dat je al in november het een en ander over Sinterklaas moet beginnen te zeggen. Doodziek wordt je daar toch van. November! Met aftrek van deadline betekent dat, dat je terwijl de eerste bladeren zich pas net zijn gaan bedenken hoe van de boom te vallen, je al moet gaan bezighouden met de plaag van iedere zeven-plusser: de Schijnheiligman. En waarom? Normaal gesproken gaat Sinterklaas pas leven rond zijn sterfdag (er wordt een hoop afgelogen rond 5 december; er gaan zelfs stemmen op die beweren dat Sint Nicolaas op 6 december jarig is. Gelul. Hij is dood en dus nog lang niet jarig). Maar onder druk van de kommersie, die goed geld aan die schijtmijter verdient, begint de Grote Kinderkoorts tegenwoordig al vroeg in november. Drie tot vier weken omzet gegarandeerd met een verfrissende uitloop in extra koopzondagen en andere winkelopenstellingen. De kassa moet nonstop kunnen blijven rinkelen.

Als je dan zo'n teringhekel aan Sinterklaas hebt, waarom schrijf je er dan over? Zou de argelozer lezer zich kunnen afvragen. Op zich geen slechte vraag, maar ook wel een beetje een domme. Wat is er nu lekkerder om over te schrijven dan iets zo lulligs en ergerniswekkends als een reeds eeuwen geleden tot as wedergekeerde Spaanse katholieke hotemetoot (kwam uit die hoek ook niet de Inquisitie vandaan?), die nog altijd een merkwaardige en blijkbaar getolereerde inbreuk doet op de prille leventjes van goedgelovige en daarom misbruikte kindertjes. Elke maand over wethouder Noordanus en zijn kornuiten schrijven is ook niet alles tenslotte. Hoewel zich plots toch wel enkele paralellen met het Sinterklaas verhaal aandienen. Net als bij Sinterklaas lijkt het alsof je heel wat van de wethouders krijgt, maar blijk je er uiteindelijk zelf toch behoorlijk diep voor in je geldbuidel te moeten tasten. Net als bij Sinterklaas is het hele beleid gebaseerd op een leugen: "de mensen willen dit". Net als met Sinterklaas lijkt de overheid op de een of andere merkwaardige en blijkbaar getolereerde wijze inbreuk te mogen doen op de onbevangen leventjes van goedgelovige en daarom misbruikte burgers. Maar ik zou het niet over Noordanus en kornuiten hebben. Ik zou het over de andere leugens hebben. Over de oer-Schijnheiligman.

"Hoe vertel ik het mijn kinderen?" is een credo dat al sinds mijn geboorte op soms pijnlijke wijze door mijn hoofd gonst wanneer ik weet dat ik iets doe, dat tegen de schijnheiligheid gericht is. Hoe kan ik hen behoeden voor dit bedrog, deze volksverlakkerij. Geef de kinderen kadootjes en ze geloven álles! Geef het volk brood en spelen en het gemor zal verstommen. Geef het volk god en vaderland en het zal ervoor willen sterven. Wie liegt ­met een gezond verstand in zijn donder­ zijn kinderen nu in hemelsnaam voor omwille van de onwetendheid, in de wetenschap dat onwetendheid misbruikt zal worden en leidt tot sterfte. Neen, Sinterklaas is een regelrechte bedreiging voor de mensheid. De zondebok waarop wij allen hebben gewacht. Te wapen! Laat de Kristalnacht herleven, maar doe het nu goed. Laat geen Sinterklaas meer uit de kast durven komen. Stop het bedrog, slacht een schijnheilige! Neem je zuster in de maling, maar laat de kinderen met rust. Schrap 'geloof' uit het woordenboek tot je het zeker weet. En we wéten het zeker: Sinterklaas bestaat niet!

"Bestaat Sinterklaas écht niet, papa?" waren de gevleugelde woorden van mijn nageslacht nadat ik hem het Ongeloof verkondigde.
"Geloof het of niet, mijn zoon. Sinterklaas is een verzinsel, een hardnekkige leugen in een rood mantelpakje. Een wolf in schaapskleren. Het is één van die vele hypokriete misleidingen die jij in je leven zal moeten doorprikken. Geloof me zoon: geloof niemand op zijn woord!"
"Je bent een cynist, papa", antwoordde hij. "Alsof je daar zo lekker mee bent. Als het aan jou ligt dan gaat het allemáál helemaal nergens meer over. Dan is er geen hoop meer."
Godgodgod wat draafde dat kereltje door. "Het enige dat er niet meer is, zijn kadootjes!" blafte ik terug. Het enige dat een cynist behoort te doen is blaffen tenslotte, zo zullen de oprechte gymnasiasten onderschrijven. "En nu opgedonderd, want de kerst komt eraan. Wacht maar tot je m'n kerstverhaal hoort. Over ongeloof gesproken."

 

Gepubliceerd in Circuit, november 1997

© RJ. Rueb