Dat vind ik nou zo leuk
aan Den Haag

Ik trof laatst een meisje aan uit Amsterdam. Ik zat gewoon nors voor me uit te kijken, wat in de krant te bladeren en te slurpen van een kelkje Duvel. Niets bijzonders. Normaal gesproken betekent dat, dat je in een doorsnee Haagse kroeg met rust gelaten wordt. Je stoort tenslotte niet iemand die nors met een bel bier de krant zit te lezen tenslotte. Hoe anders reageerde dit meisje uit Amsterdam. Zij sprak mij aan.
'Ach een buitenstaander', realiseerde ik me.
Aardigheid veinzen. Gastvrijheid enzo. Ik schoof mijn krant terzijde.
'Ja? wat mot je', dacht ik. "Zei u iets, juffrouw", zei ik.

De bewuste juffrouw begon honderduit te babbelen. Over mijn stad, wat zij daarvan vond, en vroeg me opeens naar wat er nu zo leuk is aan Den Haag. We werden er beiden even stil van. Zij wachtte op antwoord en ik dacht diep na.
"Wat er leuk is aan Den Haag?", rekte ik tijd. "Dat het hier godverdomme een kankerzooi is, dat is leuk. Begrijp je wel!"
Ze keek me bedenkelijk aan.
"Ja. Dat vind ik nou zo leuk aan Den Haag," zei ik en stapte op. Buitenstaanders zijn vaak zo vermoeiend.

De reden dat ik dit artikel mag schrijven is de bijdrage geweest die ik ergens in december mocht leveren aan een debat waarbij Den Haag op de sofa werd gelegd. Zodra er sofa's in de buurt zijn zit het met mijn bijdrage gebeiteld. De thematiek waarover die bewuste avond in een oergezellig want oningericht nakend wit zaaltje in de nok van het IJspaleis gebabbeld en gepsychologiseerd ging worden was wat werd omschreven als 'de Haagse identiteit'. Zoals bekend is een debat altijd een poging een probleem te verhelderen, maar als zo vaak werd hier eerder een probleem gemaakt, dan verheldert. Het kon mij niet deren. Ik mocht namelijk plaatsnemen naast een alleraardigste dame: Sara Verroen. Om mij heen starend in de zaal straalden mij gelouterde steedse koppen van een Adri Duijvestein en een Chris Kwant tegemoet, want ja: het zou me het debatje wel worden. Nadat de eerste plichtplegingen achter de rug waren werd het tijd voor Sara en mij om ons bek open te trekken. Pijnlijk werd het wezenlijke probleem duidelijk: we wisten geen van beiden waar het nu werkelijk over ging vanavond. De Haagse identiteit? Wat is dat in godsnaam. Nu is het voor de vuist weg meningen geven normaliter geen enkel probleem en met een druk op de knop ratelde er de verdere avond menig mening uit onze strotten. Toen de bel ging en de klas zich op het belendende bier mocht storten keken Sara en ik elkaar aan. Waar hádden we het in godesnaam de hele avond over gehad? Over waarom de Hagenaars zo kankeren op hun stad.

Ik ben dus sinds een maand ofzo erkend specialist op het gebied van de Haagse identiteit. En dan wordt je gevraagd. Wat vinden de Hagenaars van hun stad? Een simpele vraag verdient een simpel antwoord: Niks! Hagenaars vinden niks van hun stad, Hagenaars zijn hun stad! Maar als je een probleem wilt formuleren, dan moet je de Hagenezen vooral om hun mening vragen, want dan zal je 'm krijgen ook!

Hoe denkt de Hagenaar over zijn stad? was de vraag. Vraag het maar aan een Hagenees, zou ik zeggen. Het antwoord is een karrevracht aan gekanker, soms in hele volzinnen tegelijk. En dan maakt het niet uit of het een Hagenees van het zand is of van het veen. Of hij duiven staat te laten vallen op een doorgerot bijstandsdak of oesters staat te slempen aan een lopend buffet van de Rotary. De tongval mag dan wat verschillen van wijk tot wijk, het gekanker blijft lood om oud ijzer.

Dat gekanker maakt de Hagenees interessant. Het is namelijk een dialektisch merkwaardigheidje van het Haagse taalgebruik, dat met name waar het meningen betreft de oprechte bedoeling door de rechtgeaarde Hagenaar struktureel in de vorm van een negatieve propositie wordt verpakt. Ja toch, niet dan. Let maar op: als een Hagenees iets mooi vindt, zegtie: 'Is nie maui!' Als een Hagenees zegt: 'Kankâhbakkie koffie', dan vindtie 't lekker. Op straat begroet men elkaar met 'Hé megaul!' en slaat men elkaar vriendelijk op de rug. Het Haags kent vreemde kostgangers. Het lijkt wel alsof de Hagenees door al dat gekanker alleen maar aan het afgeven is op zijn stad, maar wat er in werkelijkheid gebeurt is dat de Hagenees in zijn oereigen vorm kritiek uit op de zijn stad bedreigende, veelal van hogerhand afgedwongen danwel opgelegde veranderingen, die hij vanuit een sterk konservatief gedachtengoed én natuurlijk omdat hem niet om zijn mening werd gevraagd tot in de kiem van zijn ziel verafschuwd.

De Hagenaars zijn namelijk ongelooflijk trots op hun dorp. Zo trots, dat ze iedereen die die onverholen waardering in twijfel durft te trekken de wind van voren geven. En datzelfde lot is ook een ieder beschoren, die het Haagse dorp op welke wijze dan ook corrumpeert, mutileert, blameert, domineert, arresteert, knipt & scheert afijn, alles eigenlijk wat rijmt op 'verkeerd'.
Dus als je een nieuw stadhuis in het centrum wil plempen, dan zal je het horen ook. Als je een tram wil omleggen in de stad om ergens anders een tunnel te kunnen graven, dan is het gegil niet van de lucht. Als je een vermolmd belastingkantoor na 15 jaar eindelijk eens van een eindbestemmingsplan voorziet, dan gaan de termieten uit hun dak. Als je geen subsidie geeft aan kultuur, dan hoor je de kunst tandenknarsen.

Kortom: aan Den Haag moet je niet iets willen veranderen. Je moet er gewoon met je poten vanaf blijven. Als je in Den Haag iets wil doen, dan moet je het stiekem doen. Niets zeggen, gewoon doen en laten zien dat het beter is dan het was. Maar er vooral niet vooraf al een hoop stampei over gaan lopen maken en de stad overladen met dat 'excuses-vooraf-maar-het-is-zo-noodzakelijk-voor-de-gemeenschap' gelul. Je moet van dit dorp geen stad willen maken. Stelletje uitslovers!

Maar ik dwaal af. Moet je me maar niet naar mijn mening vragen.

Wie de oprechte trots van de Hagenaars en het daar direkt mee verbonden gekanker niet begrijpt, moet haast wel een buitenstaander zijn. Iemand die geen Haags praat en geen Haags verstaat. Buitenstaanders zijn vaak zo vermoeiend. Was iedereen maar Hagenees...


Gepubliceerd in Haags Straatnieuws, september 1997

© RJ. Rueb