Ter tering ende vermaak

Er is veel over te doen. Kultuur-edukatie. Wie de laatste tijd het jeugdige segment van de samenleving onder de loep genomen heeft ontkomt niet aan de konklusie. Het zijn barbaren! Volkomen kultuurloos en met een welbespraakdheid die niet verder strekt dan een opgestoken middelvinger.

Neen. Het wordt hoog tijd dat er wat aan gedaan wordt. Dat de oude goed-christelijke normen en waarden weer nieuwe diepte en betekenis krijgen, opdat de jeugd weer een richting kan vinden in de bikkelharde maatschappij en zich niet langer week hoeft te laten dreunen door monotone verveling om daarna te vluchten in een sektarische en niet zelden zelfvernietigende roes van zinloosheid. Laat de kultuur daarin de wegwijzer zijn, want de kultuur zegt het allemaal! Zeggen ze. En kultuur is nog leuk ook! Zeggen ze.

Eén keer in mijn leven heb ik als pleitbezorger de geneugten van kultuur-edukatie aan den lijve mogen meemaken. Er was mij gevraagd een literaire voordracht te verzorgen op een MAVO in Morgenstond. De lerares Nederlands had mij aan het werk gezien in de kroeg en achtte mijn oeuvre wel geschikt voor haar klasjes. Ze had wellicht wat veel gedronken.

Helemaal opgeladen meldde ik me 's morgens om half tien bij de conciërge van de school. Het was de eerste keer sinds een jaar of twintig dat ik een school binnenliep en de benauwing van klassikaal onderricht, norse konrektoren en Duitse leraren sloeg onverbiddelijk toe. Achter de veel te dikke conciërge slenterde ik de lange gangen door op zoek naar het zaaltje waar ik mijn kunstje mocht vertonen. Walgelijk hoe de nostalgie je dan bekruipt. Die knaapjes aan de muur. Het ijle geluid van kinderstemmen. Het opdreunen van een leesplankje. De tafel van vier. Dat soort dingen.
"Maaghond! Kankermuggoal!" Ik kon de openslaande deur net ontwijken, maar niet de skinhead die uit het klaslokaal kwam stuiven. Als een onafgewerkt noga-blok boorde zijn onoplettende puberlichaam zich in mijn darmstreek. Ondertussen ging de leerkracht in de deuropening verder met vloeken. "Teringbak! Krijg de typhus! Ga je melden met je onbeschofte pleuriskop!"
Ah! Taalonderwijs!, dacht ik. De kaalkop droop mompelend af. Ik hoorde zijn Nikes nog lang nasloffen in de lange gangen.

Voor mij in de tot aula omgebouwde gymzaal zaten 80 opgefokte pubers. Leeftijd: 14 tot 16 jaar. Opvallend hoe weinig haar de jeugd van tegenwoordig nog heeft. Ritmisch kauwden 80 stel kaken op en neer. Her en der klapte er een bubbel of werd de kauwgom bij een meisje in het haar gemasseerd. Iedere tien seconden kon de geoefende luisteraar een nieuwe variant op het bestaande repertoire van ziektebeelden opvangen. Want kreatief met taal, ja dat is de jeugd wel. Van wie zouden ze dat geleerd hebben?

Vanaf het moment dat ik begon voor te dragen verloor ik hun aandacht. Bij het eerste gedicht waren ze in ieder geval nog zo vriendelijk hun vuile blikken mijn richting op te werpen. Maar nadat ik een minuut of twee bezig was en de lerares met een vriendelijke glimlach door mijn regels heen begon te roepen dat iedereen toch alsjeblieft z'n bek moest houden, had ik evengoed kunnen ophouden.

Wat mij echter op de been hield waren drie meisjes die mij vanaf de eerste rij in hun blik gevangen hielden. En ik hen in de mijne, want de bakvisjes waren van een soort, dat je maar al te graag voor de lekkere trek in de kelder zou willen bewaren. Terwijl de rest van de MAVO-meute vast een voorschot op het speelkwartier had genomen en elkaar vol overgave tot moes begon te schoppen, staarde het traag voortkauwende trio me lodderig aan. Toen ik eindelijk klaar was en de lerares Nederlands me een staande ovatie had gegeven, bleven de meisjes me onverminderd aangapen. Ik liep stoutmoedig op hen af en vroeg hen wat ze hadden opgestoken van mijn bijdrage aan hun kulturele vorming.
"Kankerlijer", zei de middelste. De andere twee knikten instemmend.

Er zal nog veel over kultuur-edukatie gepraat blijven worden. Maar dat slijt wel, zeker wanneer onze generatie veilig onder de zoden ligt.

 

Gepubliceerd in Circuit, juli 1997
Gepubliceerd in Groeten Uit De Haag, 1999

© RJ. Rueb