Huisvrouwen love Tuinkabouters

Urenlang zit ik nu al die kutkarpers te aaien. Mijn handen beginnen te kloven door het lange baden. De karpers zelf vinden het ook allang welletjes, maar aangezien hun verveling nog vele malen groter is dan de mijne blijven zij rondjes onder mijn handpalm zwemmen. In de hoek van het kunstmatig aangelegde bassin maakt een bamboehouten geval een teringherrie omdat er een opgepompte waterstraal doorheen jakkert. Het ding schijnt het leuk te doen in de vijver en een rustgevende invloed te hebben op goudvissen. Een gevarieerd assortiment fonteinen klettert een eindeloze cyclus. Het water kabbelt monotoon en luidruchtig tegen de uit bakstenen opgetrokken wanden van een met zwart plasticfolie bedekt badje in het hart van het tuincentrum. Mijn blaas staat op barsten en ik overweeg hem ter plekke te legen in de bak met Florentijnse roodkeuteltjes, minuskule roestkleurige visjes waarvan je je afvraagt wie zulke mislukte specimen in godsnaam in zijn vijver wil hebben. De prijs van de dingen geeft het antwoord: liefst 12 gulden moet je neertellen voor een exemplaar. Tussen de vissen urineren mag niet van de direktie. En daarbij moet ik niet. Mijn opgezwollen blaas is een psychosomatisch gevolg van de synergie tussen mijn opgekropte frustraties en het kabbelende badwater.

Rakelings passeert mij een prototypische winkelende huisvrouw (gezicht op oorlog, schmink als mislukte poging tot visuele upgrading, scheldend op de kinderen, slechtgeurende paringsdrift geprojekteerd op iedere man die niet haar ring draagt), met in haar kielzog een sullig ventje dat met een hoofd, waarvan een volgroeide ui nog een biet krijgt, ongegeneerd een winkelwagentje voortduwt waarin een levensgrote tuinkabouter met een sarkastische flauwte in zijn loensende oogopslag de rotzooi in zijn kruiwagentje overziet.
Ik voel me ellendig in deze opgekweekte teringzooi en verzin manieren om her en der een potje te breken. Als dit de natuur is, dan ga ik liever aan het gas.

Een plaag is het. Als paddestoelen schieten ze de grond uit. Tuincentra. Vooral in de omgeving van voorsteden breek je je nek erover. Maar ik moet ze meegeven: ze vervullen een bijzondere sociale funktie. Vroeger konden de huisvrouwen eens per jaar volslagen debiel worden tijdens de gestoorde dagen van het grote warenhuis die daar een klein wonder verrichtte door absoluut onverkoopbare spullen, waar gedurende de normale verkoopuren de rest van het jaar geen haan (kip) naar kraaide, alsnog tegen een woekerprijs aan de man (vrouw) te brengen. Uitgerukte haren, woeste knokpartijen, komplete veldslagen voerden de opgefokte moeders om het laatste boerenbonten theeëi te bemachtigen. Ieder willekeurig trapveldje in Beverwijk kan daar nog wat van leren.

Maar nu, met het fenomeen tuincentrum binnen handbereik, is het iedere zaterdag de Dag des Oordeels met de verplichting een paar uur door te brengen in de apathische luwte van een met planten en prullen volgestouwd pakhuis. De hele wijk kom je er tegen. Wie er in de voorstad ook maar over een braakliggende postzegel beschikt komt zich gedurende de gehele voorjaar- en zomerperiode ieder weekend het ongans kopen aan bloemen, planten, vijvers, vissen, pergola's, rozenstruiken, tuinkabouters en, misschien wel het ergste van alles: gipsen tuinornamenten. Want als ik ergens van over mijn nek ga, dan zijn het wel die kwasi-leuke beelden, waarmee de bevolking massaal hun tuinen volstorten. Tuinkabouters wekken bij al genoeg agressie op, maar tuinkabouters alleen volstaan niet meer. Komplete kinderboerderijen vol betonnen reigers, reuzeneikels, zeemeerminnen, naakte engeltjes, postduiven en zuilengalerijen trekken er langs de overbezette kassa's op de zondag- want koopmiddag. Voor duizenden guldens wordt er omwille van de 'gezelligheid' de tuinen in geplempt. Hele maandsalarissen worden omgezet in eenjarige planten, barbeque-schorten en tuintenten. De volksgekte der verslaafde verveling slaat woest om zich heen.

Bij de kassa breng ik mijn loodzware wagen tot stilstand tegen een aangelijnd hondje. Hoewel het beest kermt besteedt zijn bazin er weinig aandacht aan. Ze is te druk bezig haar zojuist aangeschafte kudde hangbegonias te ontluizen met een allerhandigst ontluisapparaat waarvoor zij grif de lieve somma van 97 gulden neertikte. Omdat de viervoeter trouw blijft doorkrijsen geeft ze hem een liefdevolle schop tegen zijn ballen.
"Val die meneer niet lastig!".
"Zo is het maar net!", denk ik hardop. "Val me niet lastig." Terwijl ik dat denk wringt zich een moddervette witte ragebol tussen de toonbank en mijn bloembak op wielen.
"Ik was wat vergeten", mompelt de bejaarde vrouw in een onvervalste voorstedelijke tongval en toont mij als bewijs het honderdgulden biljet in haar hand.
"Ja mevrouw, dat merk ik. U bent vergeten aan mij te vragen of u voor mag dringen. Maar als u mij die snip geeft, dan lullen we er niet meer over."
"Nee jongeman. Dat ziet u verkeerd! Ik was hier namelijk gisteren ook. En toen ben ik vergeten dit harkje mee te nemen." Ze toont me een martelwerktuig waarvoor ik drie passen terugdeins. "Dus ik ben nu aan de beurt." Ik krab mij op mijn hoofd en probeer haar gedachtengang te doorgronden. Dat lukt niet en daarom geef ik de hond nog maar een schop. Logika is besmettelijk.
"Mevrouw, als het op doodvallen aankomt, dan bent u absoluut het eerste aan de beurt. Maar ik vertoef reeds veel te lang in dit vervloekte placenta van de huisvrouwen-hysterie om u als eerste bij de kassa te laten aankomen. Ik kom ná dit kuthondje en dat zal het mormel u beamen ook!" Het hondje deed dit inderdaad en gaf een ijselijke kreet nadat ik hem opnieuw met mijn rechtervoet had laten kennismaken. Tegelijkertijd gaf ik de bejaarde een por tegen de witte slaap en zij wankelde vijf meter verderop de bak met tamme tuinpiranha's tegemoet.
Die overigens niet zo tam bleken te zijn.

Nadat het mij gelukt was de inhoud van het winkelwagentje nog binnen het uur samen te persen in de cabine van mijn auto en met een kapmes het stuurwiel te ontzetten, scheurde ik in een lange file het terrein af.

"Rij niet zo agressief", hoorde ik mijn vriendin vanuit de jungle roepen.
"Straks breek je mijn tuinkabouters nog."

In stilte gehuld reed ik verder, op zoek naar een geschikte boom om mijn wagen tegen te parkeren.

 

Gepubliceerd in Circuit, juni 1997
Gepubliceerd in Groeten Uit De Haag, 1999

© RJ. Rueb