De Stennisbaan

­ Kan je stennissen?, vroegen ze me met z'n drieën tegelijk.
De mannen stonden nonchalant tegen de scheidsrechtersstoel geleund.
De ene liet zijn racket losjes stuiteren op de netrand,
de andere wierp een balletje op
en de derde rookte een sigaret.

­ Ja, antwoordde ik.
­ Dan kunnen we dubbelen!, juichden zij in koor.
Ik hing eraan op die achteraf gelegen gravelbaan.

Ik sjokte naar het houten bankje en trok mijn trainingsbroek uit.
Hoe durfden ze het te vragen. Al een dikke drie decennia was ik ongenaakbaar! Ik haalde mijn racket uit de hoes, klopte het gravel onder mijn schoenen vandaan en raapte een bal op, die verloren onder het bankje lag.

­ En jullie? Kunnen jullie stennissen?
De mannen keken me aan.
De ene man die zei niets, de andere die zweeg. De derde zei: ach kom nou, ik sla op alles wat beweegt.
Als door een bovennatuurlijke kracht geleid liepen wij allen naar een andere hoek van het symmetriese lijnenspel.

­ Jij begint, sprak de man naast mij dreigend.
Ik gooide de bal op en ramde mijn racket er zelfverzekerd tegenaan. Met een strakke neerwaartse curve suisde de bal laag in het net.
Drie paar ogen priemden zich een weg naar mijn ego.
­ Godverdomme!, zei mijn opponent ontevreden. Zo bouw je nooit geen rally op.
De andere man knikte instemmend en de derde liep op me toe en maakte me attent op regel 1 van het praktisch Handboek: de geserveerde bal moet altijd In zijn; anders telt hij niet.
Hij gaf me een nieuwe bal en zei: probeer het nog maar eens.

Weer wierp ik op en hoog boven mijn hoofd doorkliefde mijn racket de zwangere lucht. Een roestig metaalgeluid voorspelde weinig goeds. Met een slap boogje stui-terde de bal op de dichtsbijzijnde lijn om vervolgens lullig verder te hobbelen naar het net.
­ Dubbele fout! Idioot! Mijn teamgenoot liep rood aan. Zo winnen we natuurlijk nooit! Je zei dat je het kon. Aan de andere kant van het net keken de andere twee al even kwaad.

Ik krabde mij ongelovig op het achterhoofd en ging op zoek naar twee nieuwe ballen. Mijn partner liep mij op de hielen en bleef maar foeteren over mijn gebrek aan opslag en andere vaardigheden, waarbij hij me ondertussen onverstoorbaar op mijn milt bleef stompen.
Hoe onterecht ook, ik kon er niks tegen te berde brengen. Als je een dubbele fout slaat heb je geen argumenten.

Ik liep terug naar de baseline en gooide de bal opnieuw het zenith in. Met af-dwalende gedachten en een hoofd vol konsentratie voelde ik elders aan mijn lijf mijn arm een draaiende beweging maken. Een plof gaf kennis van een rake mep. De bal volgde een ogenschijnlijk goede koers naar de overzijde van het veld.

­ Raak! gilde ik op zoek naar erkenning.
­ Uit! gilde de ene man aan de andere kant.
­ In! gék! schreeuwde de andere aan mijn kant. Dit is óns punt.
­ Ben je helemaal!, schoot de andere aan de overzijde vol uit zijn slof. We stoven op het net af om daar de verhitte dialoog met het verheffende nivo nog even voort te zetten. Nadat mijn partner twee klappen op zijn oog in ontvangst genomen had, besloot ik mij vast gereed te maken voor mijn volgende service.

Met niet al te veel vaart beheersde ik mijn opslag nu zodanig, dat de bal met een pisboogje in het midden van het juiste vak viel en er geen verdere diskussie mogelijk was. Dat hadden ze aan gene zijde van het net ook begrepen en daarom stapte de andere man enthousiast in teneinde een geduchte return te produceren.

'Finaal' is wellicht een zwak understatement als we het hebben over hoezeer hij over de bal heen maaide. Met grote passen stapte zijn partner op hem af en plantte de steel van zijn racket diep in zijn onderbuik, waarna hij zich happend naar adem op zijn knieën liet zakken.
­ Goeie bal, sprak de man aan mijn linkerzijde. Vijftien gelijk!

Nadat de boel aan de overzijde van het net weer enigszins bespeelbaar was hervatte ik mijn servicebeurt. De bal vloog snoeihard in een kaarsrechte lijn in het gelaat van de ontvanger, die zich iets te dicht achter het net had opgesteld. Een duidelijke taktiese fout.
­ Ace! riep ik niet zonder trots toen ik hem ineen zag zakken op het gravel. Zijn partner sprong over het net en posteerde zich dreigend op mijn tenen. De man was enorm. Zijn rechtervoet groots. Met volle im-pakt plaatste hij hem tegen de twee ballen in mijn zak. Voor het eerst in mijn leven vond ik het jammer dat ik geen meisje was; die dragen hun ballen tenslotte altijd aan de achterzijde onder hun rok. Zijn stem bulderde: Let!

­ Nee nee! antwoordde ik in een vreemde toonsoort. Uw partner was ten tijde van de bal-inslag een dood element. Ik boog mijn nek om langs hem te kijken. En dat is hij nog steeds. Het punt telt. Veertig vijftien.
Tijd om mijn nek weer terug te draaien gunde de kolos mij niet. Met een doffe dreun perforeerde hij mijn oogkas. Het is heel lastig spelen tegen tegenstanders die over de juiste argumenten beschikken.

De joker werd in dit geval door mijn partner op tafel gelegd. Met een dof pistoolschot maakte hij een eind aan de diskussie. We stonden voor!

Aan de andere zijde van het veld was het dode element ook weer opgekrabbeld en hij stond tollend op zijn benen klaar om de volgende service in ontvangst te nemen.
­ Voetfout! schreeuwde hij met een tandeloze mond terwijl de bal nog hoog boven mij het effekt van de zwaartekracht afwachtte. Ik griste het pistool uit de zak van mijn partner en schoot de tegenstander tussen de ogen.
­ Overruled! Game, set en match.

­ Ach, we hadden service-voordeel, sprak mijn teamgenoot terwijl wij bloedend de baan afliepen.
­ Ik had service-voordeel, zal je bedoelen, antwoordde ik, en sloeg mijn racket met volle kracht stuk tegen zijn nekwervels en steeg spontaan drie plaatsen in de ladderkompetitie.

Stennis,
de koninginnesport,
de moeder van alle veldslagen,
ieder punt wordt zwaar bevochten.

 

column t.g.v. 80-jarig bestaan van Tennispark Houtrust

Gepubliceerd in Circuit, maart 1998
Gepubliceerd in Groeten Uit De Haag, 1999

© RJ. Rueb