Voor een dubbeltje
op de eerste rij

of: Hoe duur moet een vrijkaartje zijn.

Ik verkeer, net zoals de meeste aanwezige hotemetoten bij dit debat, in de gelukkige omstandigheid dat ik zelden voor een kaartje hoef te betalen. Het waarom daarvan is mij vaak niet geheel duidelijk, maar die vraag stel ik mij ook maar liever niet. Een vrijkaartje is tenslotte een aardige geste van de programmeur naar de bladenmaker die in hun ogen een aardige bijdrage leverde aan de leegverkoop van kaartjes aan de kassa.

Ik keek dan ook laatst vreemd op toen ik bij het theater plots mijn portemonnee moest trekken ­ik ben tenslotte geen bladenmaker meer en daarbij was mijn theaterbezoek een abso-lute impulsbeslissing. Een rib uit mijn lijf, dacht ik terwijl ik met het kaartje in de hand de zaal inslenterde. Dat moet ik niet al te vaak doen. Dat kon mij nog wel eens duur komen te staan.

De voorstelling die ik gadesloeg werkte slaapverwekkend en al snel porden omzittenden mij in de zij om mijn gesnurk de kop in te drukken. Geduldig wachtte ik op de pauze die veel te laat kwam. Met moeite wist ik mijn ogen open te houden en probeerde vergeefs de ongetwijfeld diepere intensies van de duur betaalde voorstelling te achterhalen en er nog iets aan te vinden.

In de pauze liep ik terug naar de kassa en vroeg mijn geld terug. "De voorstelling is bedorven. Er hangt een vleem van onwelrie-kendheid over, die mij ­vermits de slaap mij niet gegund is­ schier doet kotsen." De onderbetaalde en/of vrijwillige stageaire achter de computerkassa keek mij onwennig aan en stamelde dat ze daar niet aan kon beginnen. Ik gaf haar groot gelijk. Had ik maar niet naar deze voorstelling moeten gaan. Had ik het lovende persbericht maar niet zo letterlijk moeten nemen. Het kopen van een kaartje bleek een onomkeerbare daad te zijn. Je geld ben je kwijt, of je het produkt nou wel of niet kan waarderen.

De volgende vraag is: maakt het gezien het voorgaande iets uit hoeveel geld je aan dat kaartje kwijt bent. Het hier boven aange-haalde voorbeeld was een produktie van een in Den Haag zeer gerespekteerd theatergezelschap dat al dik vijfentwintig jaar een knotsgezellig pandje in Scheveningen bespeelt en daar volle zalen trekt. Het kaartje kostte mij pakweg 35 gulden. Had men mij aan de kassa gezegd dat het er 50 waren geweest, ik had ze vanuit mijn nieuwsgierigheid en kulturele interesse grif betaald. Hoewel

In de lange periode dat ik vrijwel ongelimiteerd vrij entree genoot in de Haagse zalen en theaters heb ik véél, heel véél voorstellingen, shows en konserten mogen bijwonen. Grof gezegd was rond de 40% daarvan ronduit bagger, een verdere 30% zware middelmaat en slechts een paar dingen waren van een klasse waar de superlatieven zich bij beginnen aan te die-nen.

Eén van de dingen die ik daarbij heb geleerd is, dat de lokatie waar iets geprogrammeerd staat geen of weinig garanties biedt voor de kwaliteit van de voorstelling. Hetgeen mij tot de konklu-sie leidt dat de voorstellingen die in de theaters staan niet vanuit een bepaalde kwaliteitsvisie van de programmeur zijn geselek-teerd, maar veelal domweg ingekocht omdat de capaciteit van de zaal zich daar nu eenmaal voor leende. Het is dan ook niet zelden geweest dat een programmeur mij na afloop toever-trouwde zelf ook iets meer van de voorstelling verwacht te hebben na het lezen van de lovende persberichten die het gezelschap hem maanden daarvoor ­toen de voorstelling nog diep in de pen zat­ als lokkertje deed toekomen.

Per theater hangt er ­uitzonderingen daargelaten­ een bepaald vast prijskaartje aan de voorstellingen. Dat is een prijskaartje waar geen verdere kwaliteitsgaranties aan verbonden zijn. Je betaalt het bedrag om naar binnen te mogen en te kijken of er iets leuks te beleven valt. Soms weet je dat vantevoren omdat je de voorstelling of haar makers al kent, soms waag je een gok in de hoop iets nieuws te treffen. De kansen zijn daarbij 50-50.

Dat systeem is opzich zo slecht nog niet. In een klein theater als PePijn betaal je zo'n 15 piek voor onbekend talent, in het Theater aan het Spui en Diligentia 25 gulden voor het ontluikend talent, bij de Appel 30 ballen voor gearriveerd talent, in de Schouwburg 40 gulden voor bejaard talent en in de Circustent een dikke meier voor bekend talent. Het heeft iets weg van het casino. Je kan voor kwartje aan de jackpot hangen of grof schuiven aan de duurste roulette.

Je koopt aan de kassa van het theater geen produkt theater, je neemt een gok en investeert daarmee impliciet in de kontinuïteit van de kultuur.

Maar geef mij toch dat vrijkaartje maar weer.

 

Uitgesproken in Uur Cultuur, februari 1997
Niet gepubliceerd

© RJ. Rueb