SPONSORS GEZOCHT:

SHELL HELPT

 

Een stokerige column moeten inspreken over de bijdrage die het bedrijfsleven aan de kultuur kan leven, is wat mij betreft de moeilijkste opdracht die de Batterij tot noch toe voor mij in petto had.

Want het probleem is, dat ik sponsering van kultuur door het bedrijfsleven in het geheel geen probleem vind. Sterker nog: hoe meer geld er in de kunst gepompt wordt, hoe beter. En dat dat geen problemen hoeft te geven is al ruimschoots gebleken in de praktijk. De sponsornamen sieren al menige theatergevel en ook individuele programmamakers maken dankbaar gebruik van de reclamebudgetten van het bedrijfsleven. Geld is geld en per definitie niet vies en welkom.

Dus wat moet je dán vermelden in een inleidende column, die normaal gesproken een knuppel in het hoenderhok van de navolgende diskussie zou moeten gooien. Als het aan mij ligt zal deze talkshow zich kunnen beperken tot de centrale vraag: waarom gaat niet iedereen gewoon massaal op zoek naar een externe financier voor het eigen produkt. Maar je zal zien: er zal angst worden uitgesproken voor de betrokkenheid van sponsers, want wanneer het artistieke produkt gekoppeld wordt aan andermans marketingsdoelstellingen, dan ligt een ongewenst compromis op de loer.

Dat is dus een misvatting. Een voorbeeld: The Rolling Stones werden dik gesponserd door Volkswagen, maar zijn toch niet in het Duits gaan zingen of met een kever het podium opgereden. Hoe dik zit de VSB niet in het Circustheater, maar kan je er pinnen op het podium?

Uiteraard zal geen sponser voor niets de portemonnee trekken. Een tegemoetkoming in de vorm van reklame wordt zeker op prijs gesteld. Het is aan de kunstenaar daar kreatief mee om te gaan; kreativiteit is tenslotte zijn specialisme. Zo liet de Vlaamse schrijver Herman Brusselmans zich lange tijd ondersteunen door het bedrijfsleven. Het enige dat hij daarvoor hoefde te doen was op iedere oneven pagina een Belga op te steken en op iedere even pagina een Jupiler-pilsje achterover te slaan. Het hielp hem het toen nog niet zó lukratieve schrijversmétier draaglijk te houden. Inmiddels is Brusselmans arrivé en kon hij het zich zelfs permitteren te stoppen met roken en drinken.

De moraal van dit verhaal: laat je sponseren zolang je het nodig hebt. Uiteindelijk wordt je er nog gezond van ook!

 

Uitgesproken in Uur Cultuur, januari 1997
Niet gepubliceerd

© RJ. Rueb