The End

Verleden week zaterdag stond er op de B1 van de Haagsche Courant een kort bericht. 'Jim Morrison als theaterstuk' kopte de krant. De volgende maandag zou de voor mij volstrekt onbekende Bas Voets in de Vredeskapel in de Malakkastraat een voorstelling geven. Een voorstelling die nog tot en met april volgend jaar maandelijks herhaald zou worden. Voets zou volgens het stukje de poëzie en muziek van Jim Morrison hebben samengebald tot een lyrisch theaterspektakel. Kijk, dat boeide me natuurlijk; ik was zelf tenslotte jarenlang bezig geweest met Morrison, als studie-object maar meer nog als vertaler en analyticus van zijn gedichten en daarin verwoorde gedachten. Ik heb het boek gelezen, ik heb de film gezien, alleen de musical ontbrak nog in het rijtje.

De volgende maandag vervoegde ik me om tien voor acht in de Malakkastraat in Archipel. Het was even zoeken voor ik de Vredeskapel gevonden had, maar ik kon mijn auto voor de deur parkeren. De dichte deur overigens. De Vredeskapel lag er volstrekt verlaten bij en het was er donker. Op straat was er geen mens te bekennen. Zou ik me vergist hebben? Was het artikeltje in de krant onjuist? Ik liep langs de kapel naar een deur waarboven een lampje brandde. Naast de deur hing een bordje waarop stond dat er hedenavond toch echt een theatervoorstelling van Bas Voets op het programma stond. Ik besloot aan te bellen en de koster deed even later open. Ik vroeg hem wat er aan de hand was en of de voorstelling misschien niet doorging. Hij keek verbaasd en stelde dat 'ze' waarschijnlijk nog aan het eten waren. Ik volgde hem naar een belendend pand, waar in een kale, met TL-balken sfeervol uitgelichte ruimte een kleine dertig mensen zaten. Toen ik binnenkwam viel het geroezemoes stil. Iedereen keek naar me. Er is niet veel mensenkennis voor nodig om uit de gemiddelde oogopslag de conclusie te trekken dat het hier een kudde geestelijk gehandicapten betrof. Er kwam een klein kalend mannetje op me aflopen. Hij mompelde iets en pakte mijn hand. Hij bracht mijn hand tot op enkele centimeters van zijn dikbeglaasde bril en staarde er aandachtig naar, ondertussen mijn vingers en handpalm strelend en besnuffelend. "Ik hou van mannenhanden," zei hij. Ik glimlachte wat verveeld. Achter in de ruimte zat een man met een gitaar tussen zijn benen. Op zijn hoofd hing ongeordend langdradig pluis. Hij leek een hippie. De koster vertrouwde me toe dat dat Bas Voets was, de artiest van vanavond. De klok in de ruimte wees acht uur aan, het geplande aanvangstijdstip. Ik begreep er geen reet van. Daar was de artiest, was dit zijn publiek? En wat deed ik hier dan?

Zullen we dan maar beginnen? zei de koster uiteindelijk en hij pakte de gitaar uit de handen van Bas Voets en beende ermee weg de straat op en de kerk in. Voets volgde zwijgzaam, zijn hoofd slap op zijn nek, die diep weggezakt op zijn schouders hing. Ik rukte mij los van de handenstaarder en volgde de artiest op zijn pad richting kapel. Buiten de deur was er meer publiek komen opdagen. Een jongen en een meisje van een jaar of 20, bij wie ook de nieuwsgierigheid was gewekt door het stukje in de Haagsche. De nieuwe lichting Morrison-fans. Ook zij begrepen er niets van. Waar was het publiek?

In de kapel was plaats zat. Van de 200 stoelen waren er 200 vrij. 198 nadat twee van de geestelijk gehandicapten erin waren neergeploft. De rest bleef in de eetzaal achter. Bas Voets testte zijn microfoons. Eentje bij het spreekgestoelte en een klein microfoontje met een knijpertje om zijn gitaar te versterken. Hij wachtte nog even vijf minuten om het verlate publiek de kans te geven alsnog binnen te komen. Er kwam niemand meer.

Voets nam plaats achter het katheder en sloeg een multomap open. Hij haalde diep adem en keek de lege zaal door. In boerensteenkool Engels begon hij aan zijn voordracht van de mij zo bekende Morrison-gedichten, steevast de klemtoon verkeerd plaatsend en zonder inleving. Her en der had hij er zelf woorden in veranderd. Het waarom hiervan volstrekt onduidelijk. Na vijf minuten voordracht nam hij plaats op een stoel en pakte hij zijn gitaar. Hij clipte het kleine microfoontje op zijn broek en begon met spelen. Na erin geslaagd te zijn vrijwel iedere snaar verkeerd aan te raken belandde hij in een naar punk neigend accoordenschema waar hij de woorden van Riders on the Storm overheen schreeuwde. Toen hij daarmee eindelijk klaar was, ontclipte hij de microfoon weer en slenterde terug naar de katheder. Hij begon nu uit eigen werk voor te lezen. Je reinste rijmelarij over de maan en de sterren boven de zee en de wind die er wolken voorjoeg. De relatie tussen zijn sinterklaasversjes en de sjamanistische dionysische poëzie van Morrison was ver te zoeken. Na nogmaals plaats te hebben genomen achter de gitaar om de woorden van het magistrale apocalyptische The End over een slap, al te vrolijk kampvuurliedje heen te schreeuwen werd het mij teveel. Ik stond op en liep weg. Ik verexcuseerde me ten opzichte van de artiest en de vier andere aanwezigen. Voets keek mij vragend aan. "Waarom?" vroeg ik hem en zonder zijn antwoord af te wachten verliet ik de kapel. Het was stil achter me, toen ik de deur achter me dichttrok.

'Dit is het einde! Dat doet de deur dicht'. Het oude liedje van Stuif-es In was het enige verband dat ik deze avond nog wist te leggen. This is the End.

Jim's Parijse graf is op de monumentenlijst geplaatst. Van mij mogen ze het nu definitief ruimen. This is the End.

© RJ. Rueb 2003

reactie: