Once upon a time

Ik weet niet wat het is, maar het lijkt wel of mijn leven de laatste tijd op herhaling gaat. Zou ik aan het sterven zijn? Je hoort wel eens dat je in je laatste minuten je hele leven aan je voorbij ziet flitsen. Dat heb ik ook in mijn dromen. Hele flarden uit voorbije episodes in mijn roerige bestaan passeren de revue. Maar bleef het maar bij alleen mijn dromen...

Vorige week zaterdag werd ik gemaild door een vriend die ik een slordige twintig jaar niet meer had gezien of gesproken. Of ik meeging naar de reünie van het Maerlant Lyceum, de plek waar ik in mijn adolescente jaren een slordige zes jaar had rondgehangen en waar ik sindsdien never nooit meer heen terug geweest was. Met reden, maar dat spreekt voor zich. Ik besloot om met hem mee te gaan en aldus vervoegde ik me om een uur of drie op de afgesproken plek, koffiehuis Retty, waar we destijds zoveel gespijbelde uren hadden rondgehangen achter de flipperkast.

"Zo Rueb," klonk een vertrouwd doch lang vergeten stem, terwijl ik nog met de klink in de hand stond. Naast mij stond een vrouw op leeftijd, die met een blik van herkenning in haar ogen naar niets in het bijzonder op pakweg 20 centimeter naast mijn hoofd keek. Retty her-self, nog altijd even loenzend en nog altijd even ordinair qua kapsel en kleding. Vroeger al geen lekker wijf, nu al helemaal geen aantrekkelijke bejaarde. Ze klemde me aan haar nog altijd voloptueuze voorgevel en kuste me wel twaalf keer vol op de mond.
Bekomen van de schrik keek ik de ruimte door. Niets veranderd, nog altijd dezelfde smakeloosheid, nog altijd hetzelfde bruingrauwe suffe behang. Achter in de zaak blinkte de flipperautomaat, uiteraard dezelfde als voorheen. Er achter stond een sterk kalende veertiger, zijn heupen woest tegen de kast zwierend, hardgrondig te vloeken en te zweten. Het was Peter, de man die toen ik jong was evenoud was als ik, hetgeen een vriendschapsband smeedde. Ik besloop hem van achteren en gaf een doodschop tegen de poten van de flipperkast.
"Godverdomme," vloekte Peter, "TILT! Weg Philips Lichtpret!" Zijn stem was niets veranderd, zijn hoofd vreemdgenoeg wel. Pafferig geworden, drankneus, wallen als verhangenen bungelend onder zijn vermoeide ogen.
"Klootzak," zei hij. "Heb je de nieuwe Pink Floyd al gekocht, anders zijn we snel uitgepraat." Ik wist niet eens dat er een nieuwe Pink Floyd was, maar loog dat ik 'm in ieder geval wel illegaal gekopieerd had.

Even later betraden we het oude schoolgebouw. In de hal werden we verwelkomd door een dixieland bandje met een vertrouwde naam en een vertrouwd gezicht achter de klarinet: mijn oude leraar Diederik C., welk vak hij doceerde weet ik niet meer. Hij knikte me vriendelijk toe en toeterde onverstoorbaar vals verder. Het was niet druk en afgezien van her en der een vagelijk bekend voorkomen herkende ik niemand in het bijzonder.
"Rueb!"
"Rueb!"
"Rueb!"
Plots kwam het van alle kanten. Mensen die me herkenden. Vrouwen in mantelpakjes, kirrend van blozende herinnering. Ik dook in een vertwijfelde blik. Wie waren deze ongetwijfeld ooit net zo oud als ik geweeste dames toch? Ik knikte beleefd en vroeg hen wat er van ze geworden was. Allen reden BMW zo bleek, gekregen van hun mannen die iets belangrijks waren en die ik me vast ook nog wel kon herinneren. Niet dus. Geen flauw idee. Maar het keuvelde lekker, ondanks dat ik niets van deze dames wist terug te halen, laat staan hoe ze heetten.

Ik werd afgeleid door een beduidend beter geconserveerd exemplaar van vrouwelijk kunne, die zich bevallig tegen een pilaar in de aula had gedrapeerd en mij van daaraf smalend aanstaarde. Een vlaag van herkenning daalde over me neer. Het was Monique, mijn onbereikbare jeugdliefde. Ik liep op haar af en stak mijn tong uit. Ze neigde haar hoofd en slurpte hem op.
De herkenning was compleet. Ik was weer terug in het Maerlant van de jaren zeventig, stiekem slowend op het schoolfeest, Long Tall Ernie & the Shakers op het podium, nerveus zwetende conrectoren op zoek naar onderbouwschepsels die allang naar huis hadden moeten zijn.
We praatten urenlang in een vurige tête à tête en spraken af ons niet te laten verleiden tot een discreet terugtrekken in het vertrouwde schoolkrantenredactiehok, waar onze samengesmolten herinneringen nog mierzoet in het ranzige tapijt zouden moeten kleven. Haar nog net niet ex-man in Italië zou daar zijn goedkeuring niet aan willen geven, veronschuldigde ze zich uit deze benarde situatie.

Wel gingen we deze week nog eten en samen naar de film. Er stond kannibaal op het menu, zo besloten we bij het kaarsverlichte diner, de nieuwe Hannibal Lector. Ik verkneukelde me bij de gedachte dat zij zich uit volle overgave aan de ongetwijfeld mensontgriezelende filmbeelden, angstig tegen me aan zou schurken, maar bij binnenkomst in de bioscoop wachtte ons een verrassing. Geheel onverwacht bleek de bioscoop deze avond een klassieker in de aanbieding te hebben: Once Upon A Time In The West, bepaald niet de minste dus. Hoewel ik de film al een slordige 170 keer gezien heb was het alweer minstens 15 jaar geleden dat ik 'm op een echt bioscoopscherm had mogen bewonderen.
"Ah, Sergio Leone," zuchtte Monique.
"Ah, Claudia Cardinale," beaamde ik in katzwijm.
"Fuck de kannibaal!" spraken wij in koor.
Een dikke drie uur later kwamen we ademloos en met volle blaas uit de filmzaal. We hadden elkaar niet aangeraakt op die donkere stoeltjes op de laatste rij.
Sprakeloos namen we afscheid bij de laatste tram, die net kwam voorrijden. De volgende dag ging zij weer terug naar haar mislukkende huwelijk in Italië.

Die nacht droomde ik in de tegenwoordige tijd, met alle gevolgen van dien. Ik ben blijkbaar nog steeds dat jongetje, die verliefde schoolknaap die niet weet hoe hij zich stoer en onbereikbaar moet opstellen en daar in al zijn hulpeloze onwetendheid behoorlijk goed in slaagt.

Dag Maerlant, dag Monique, dag Claudia Cardinale. Tot later, in het bejaardenhuis, tot de volgende keer dat we elkaar vaarwel zeggen.

Volgend jaar meer ellende.

voorgedragen tijdens wekelijkse culturele borrel in Galerie Haags

© RJ. Rueb 2002

reactie: