KUNSTKOPPEN

"Kunstkoppen' is een serie duo-columns, die vanaf januari 2001 verschijnt in Uitpost Magazine. In deze serie communiceren RJ. Rueb en cabaretier Marcel Verreck via e-mail met elkaar over het Haagse culturele leven...

EDITIE: MAART 2002

Marcel!

Kunst. In Den Haag is kunst iets dat je in het algemeen aantreft tussen en onder losliggende stoeptegels. Dat is dan ook de voornaamste legitimatie die ik althans aan dat onmiskenbaar Haagse fenomeen kan geven. Die losliggende stoeptegels dus. Maar goed, dat is geen kunst. Dat is gewoon onwil. En onwil is geen kunst. Nee, voor echte kunst moet je naar de musea. Niet de galleries, want kunst is pas ècht kunst als het in een museum hangt.

Ik ben zo'n oetlul die maanden uitkijkt naar een bijzondere gelegenheid om vervolgens, als die bijzondere gelegenheid dan eindelijk werkelijkheid wordt, te constateren dat geduld een schone zaak is en omdat het de eerste weken toch wel een gekkenhuis zal zijn, zich voorneemt om nog maar even te wachten met het bezoeken van die bijzondere gelegenheid.
De bijzondere gelegenheid in kwestie is dit keer de expositie Van Picasso tot Tàpies in het Gemeentemuseum. Voorwaar, een échte tentoonstelling. Goed, de Winterlandschappen in het Mauritshuis mogen er ook zijn, maar ja je moet maar net van winterlandschappen houden. Ik voel me prettiger bij warmere beelden. En warm, ja, dat beloven de Spaanse meesters in het Gemeentemuseum wel te zijn. Er zou tenslotte een foto van de Guernica hangen! Hoe warm wil je het hebben?
De expositie werd op 27 oktober geopend, althans voor het publiek. Waxíma mocht haar breekbare beentjes uiteraard al eerder in ons kunstpaleis laten schrijden. Maar laten we het niet meer over Waxíma hebben. Was er niet iets met haar vader aan de hand?

Kunst dus. Ik wilde dolgraag naar die expositie, maar besloot te wachten tot de ergste drukte voorbij was. Kwam goed uit, want ik had toch geen rust in m'n donder. Als het de vriendin niet is, dan zijn het wel de kinderen. Kinderen, ook zo iets cultuurloos. Een vaag gevoel van ouderlijke plicht doemde hinderlijk op: ik moest mijn kinderen eens meenemen naar het museum. Wekenlang bebroedde ik snode plannen om hen enthousiast te krijgen. Het hele internet ging eraan, maar ja als er geen joystick aan zit is internet voor de jeugd ook niet meer interessant te krijgen.

Op 18 februari was het dan zover. Ze waren murw. Wij met z'n allen naar het museum. Weg expo! Al die fraaie kunst, van Picasso tot en met Tàpies, met de stoomboot terug naar Spanje.
"Waarom is Pikachu er niet meer?" vroeg mijn jongste dochter, die zelfs de uitleg van het begrip kunst niet kan bevatten. Pikachu? Dat pokkémormel?
"Ja," zei mijn penetrant puberende zoon. "Wij willen Pikachu! Manga! Kunst!"
Pikachu? Bedoelden ze wellicht dan toch Picasso? Ik zeeg neer voor de dichte deur.
"Picasso is dood" lispelde ik.
"Pikachu dood?" vroeg mijn dochtertje met een biggelend traantje.

RJ. Rueb
(www.rjrueb.nl)


RJ !

Jij begint over het Gemeentemuseum en ik kan weer niet veel anders dan herinneringen op te halen. Dat zegt geloof ik ook verontrustend veel over mijn eigen museumbezoek dezer dagen. Ik woon op languitvalafstand van het Amsterdamse Museumplein, dat niet voor niets zo heet, maar denk vooral niet dat de suppoosten van Rijks, Stedelijk en Van Gogh mijn kunstzinnige kop (her)kennen. Deze situatie illustreert wel een belangrijk levensprincipe: juist de dingen die je voor het grijpen hebt, laat je vaak iets te makkelijk liggen. Die jongen die naast de school woonde kwam ook altijd te laat.
En wat Den Haag betreft, ik vrees dat die stad zelf voor mij steeds meer Een Museum wordt. Stel dat ik mij, opgehitst door jouw bevlogen verslag, weer eens ga dwingen naar het Gemeentemuseum te gaan. Dondert niet wat voor expositie er is, de vaste collectie is er al mooi genoeg. Dan zal ik ongetwijfeld tijdens mijn wandeling langs de Breitnertjes en Mondriaantjes (verkleinwoorden zijn bij die formaten en prijzen eigenlijk niet op zijn plaats), door de stijlkamers en langs al die andere schatten die ik aan de hand van mijn moeder vroeger zo vaak bewonderd heb, af en toe ook uit het raam gluren. Want in de museumtuin voetbalde ik elke dag tot het donker werd. Zoals er op de bevroren vijvers in de winter op doorlopertjes gekrabbeld werd. Als de geprofeteerde klimaatverandering zich doorzet, dan zijn we inderdaad voortaan op het Mauritshuis aangewezen voor manifeste schaatspret.
Misschien komt het doordat ik zelf nog geen kinderen heb, die Pokemon en Picasso op een relativerende wijze door elkaar husselen, maar vooralsnog zie ik op dit soort plekken overal mijzelf spelen. Laten we dat dan maar de kunst van de herinnering noemen, waarbij de onverbiddellijke tijd een lijst om het kunstwerk plaatst. Want op een dag is het af: wij voetbalden er niet meer toen wakkere museumdienaren het strafschopgebied vol struikjes hadden geplant.
Alleen, en dat is een troost, is er binnen die lijst nog voldoende beweging en vervorming mogelijk. De taal is mijn verf en ik ben van plan nog een hoop te schilderen. Zo ben ik nu een boek aan het schrijven, getiteld 'Een Wondermiddel', met veel verhalen en herinneringen.
Grote kans dat ik straks wel de boekhandel binnenloop, waar mijn taalkunstwerkjes worden geëxposeerd. Dat zal mijn eerste museumbezoek zijn. Afijn, je hoort het al, ik ben weer zo druk bezig met mijn eigen dingen, dat ik überhaupt geen tijd en ruimte heb om naar de kunst van een ander te gaan kijken.

Maar, en dat biedt troost, kunst heeft geduld.

Groetjes,

Marcel Verreck
(www.marcelverreck.nl)

(O ja, het is eigenlijk allemaal de schuld van de NS, zij hebben me mijn museumjaarkaart afgepakt!)

© RJ. Rueb/Marcel Verreck 2002

reactie: