Pier

Ik moet het eerlijk bekennen: lange tijd heb ik gedacht dat de uitdrukking 'zo dood als een pier' direct ontleend was aan de doodse saaiheid van de door betonrot getekende loopplank, die al zolang ik mij kan herinneren vanuit de Scheveningse promenade over de zeespiegel ligt uitgerold. Goede herinneringen aan de Pier heb ik niet of nauwelijks. Het is er altijd stervenskoud, van je lichaam maakt zich ­ ongeacht kleding en jaargetijde ­ een verstijving meester, die je normaliter pas na je verscheiden te grazen zou moeten nemen. Afgezien van die klimatologische ongemakken was er nooit al te veel te beleven op het amper zeewaardige uitstulpsel van onze badplaats.

Het kan zijn dat ik te laat geboren ben (vreemd omdat ik een zevendemaandskindje ben), maar werkelijk enerverende bezoekjes heb ik nooit aan de Pier gebracht.

Als kind sleurden mijn ouders mij regelmatig mee voor wat zij 'een frisse neus' noemden. Jaren later vertelden ze mij overigens dat die frisse neus wat hen betreft synoniem was aan het mij mijn zin geven, na langdurig en vooral onophoudelijk gejengel. Iedere keer dat wij over de boulevard liepen schijn ik er met rood aangelopen hoofd op aangedrongen te hebben het ding te betreden. Blijkbaar had ik toen al een zucht naar geestdodende apathie.

In mijn tienerjaren wilden wij nog wel eens nachtelijk spoken op de Pier. In het donker was het een ultiem décor voor B-films. Beneden joeg de wind guur rond de pijlers, vanuit de Noordzee doemde een grauwe mistbank op en half-ont-bonden doch bloedbesmuikte stoffelijke overschotten vlogen ons in gedachten houterig maar ijzig naar de keel. Achter ieder obstakel ontwaarden wij Bela Lugosi-achtige creaturen, vanaf de trap van de oude toren kwam steevast Vincent Price naar beneden vleermuizen en ergens op een stoeltje aan het begin zat Roger Corman met een megafoon zijn regie-aanwijzingen te debiteren. We gebruikten in die tijd nogal veel geestverruimende middelen en wellicht steeg de Pier daardoor in onze waardering.

Later keerde ik er terug met mijn eigen kinderen. Want op de Pier daar stond een glijbaan. Toen mijn nageslacht olijk tierend de gepamperde billen openreet aan de roestige moeren en losgescheurde stalen glijbaanplaten was de lol er snel af. Ik eiste mijn gulden terug, maar de zwaarverveelde juffrouw achter het entreeloket keek me alleen maar glazig aan. Had de pil van Drion toen al bestaan

Het moet inmiddels alweer dik tien jaar geleden zijn dat de Pier voor een bodemprijsje van de hand werd gedaan. Met het oog op de toekomst, zo heette het destijds. De afgelopen tien jaar zijn echter niet bijster imposant geweest met datzelfde oog op de toekomst. Er verrees een familierestaurant, waar af en toe wat cultureels te beleven viel. Her en der zat er plots een likje nieuwe verf op of was er zomaar een kapotgeslagen ruit vervangen ­ zonder dat daarbij de overige ramen overigens werden gelapt.

Het is me altijd een raadsel geweest waarom niemand op het idee gekomen is de Pier om te vormen tot pronkstuk van Scheveningen. Er een bruisende plek van te maken vol amusement. De Pier is gezichtsbepalend voor de Haagse kust, maar tegelijk sterk ondergewaardeerd in zijn functie. Want hoewel een doel of een nut ver te zoeken is, kan dat er wel degelijk aan gegeven worden. Wat meer prioriteit geven aan onderhoud en invulling en de Pier is weer ­ zoals hij ooit, ver voor mijn geboorte was ­ de plek waar toeristen en lokale bewoners elkaar kunnen kruisbestuiven. Dan mag voor mijn part de entreeprijs ook worden opgewaardeerd, naar een euro ofzo.

Column t.b.v. brochure over 100 jaar Pier Scheveningen

© RJ. Rueb