And the deejay played on

De deejays hebben de macht gegrepen. Wipneus en Pim spelen komende zomer op het grote Parkpop podium. Traditiegetrouw is Parkpop een festival waar twaalf bands mogen optreden tegen het décor van 's werelds grootste picknick. Het worden er dit jaar elf. En twee deejays.

Niks ten nadele van Wipneus en Pim. Prima platendraaiers en nog betere feestenbouwers, dat zijn zij. Maar Wipneus en Pim als hoofdact op Parkpop tsja, wat moet je dáár nou weer van denken? Wie zit er in hemelsnaam te wachten op een met lolbroekerige lulligheidjes gevulde gezelligheidstherapie met de grootste hits uit de Fabeltjeskrant, de Berenboot en Ren je Rot tsja, daar wordt Parkpop natuurlijk nooit geen vooraanstaand popfestival van.

Het lijkt erop dat het draaien van platen belangrijker is geworden dan het inspelen ervan. De deejays zijn de sterren geworden en de producers de artiesten. Wipneus en Pim bieden humor met geluidsfragmenten. Lekker meezwaaien en -klappen met flauwe discohits en foute TopPop-classics als George Baker en Boney M. Muziek waar wij vroeger al dun van over onze zuiger gingen. Afgestofd omwille van de meligheid.

Wipneus en Pim staan dus op Parkpop. Samen met kanonnen als George Thorogood en de Fun Lovin' Criminals. Ingeperst tussen de punk van de Heideroosjes en melorock van Novastar. Is het nu echt zo slecht gesteld met de hedendaagse muziek? Of weten ze bij de Parkpop-programmering inderdaad niets anders meer voor mekaar te krijgen dan het lange halen-snel thuis verhaal dat dit jaar op het affiche prijkt.

Effectbejag. Maar het publiek zal het waarschijnlijk worst zijn. Die vinden het allang prachtig, mee te kunnen zingen met liedjes die iedereen tegen wil en dank uit het hoofd kent, en met zijn allen ten onder te kunnen gaan in een collectieve, zweterige debiliteit. Lachend op weg naar het einde van de wereld. And the deejay played on...

Column t.b.v. Radio West/Popstad 27 april 2001,
uitgeproken in de Zwarte Ruiter, 16 april 2001

© RJ. Rueb