INLEIDING SWI-SYMPOSIUM

Het is mij een volstrekt raadsel waarom de voorzitter juist mij benaderde om hier wat te zeggen over de SWI. Ik ben namelijk een volslagen leek op het gebied van werkgelegenheid, weliswaar een ervaringsdeskundige op het terrein van werkloosheid, maar weer een absolute nono op het vlak van arbeidsbemiddeling. Het kan zijn dat ik mijn naam mee heb, of mijn imago van de columnist die er om het even wat uitflapt. Hopelijk legt de voorzitter hier na afloop van dit debat een goede verantwoording over af, want ik sta er persoonlijk niet voor in dat hetgeen ik hier vandaag de zaal inmompel geheel conform de verwachtingen van dit debat zal zijn.

Om mijzelf in te kunnen lezen in de materie kreeg ik een pakket A-viertjes thuisgestuurd, dat ik gisteravond onder het genot van een lekker glas bier (of vier) heb doorgeworsteld. Het ging ­ uiteraard ­ allemaal over de SWI. En omdat ik nog niet eerder echt iets met de SWI te maken heb gehad, was alles voor mij redelijk nieuw. Ik dacht altijd dat de Stichting Werklozen Initiatief een organisatie was, die werklozen een nuttige dagbesteding gaf, de aandacht op hun specifieke problemen vestigde en als een soort belangenbehartiger in de richting van de overheid en de maatschappelijke meningsvorming opereerde. Diep in mijn herinnering stond mij zelfs nog De Bazuin bij, het krantje dat ik wel eens inbladerde als ik in het toenmalige Amicitia in de rij stond om mijn wekelijkse WW-uitkering op te halen. Die ik vervolgens dezelfde avond in hetzelfde, inmiddels tot discotheek Aozora omgetoverde, zaaltje weer net zo hard achterliet. Het was begin jaren '70 en als je toen niet werkloos was, dan hoorde je er niet bij.

De SWI hield zich in de beginjaren vooral bezig met activiteiten voor zich vervelende werklozen: toneelles, een krant maken, video en fotografie, en in de marge ook nog een sollicitatie-cursus voor de échte opportunisten. Ondertussen betaalden de Sociale Diensten zonder al te veel problemen de uitkeringen uit en zorgde de overheid voor een redelijk betrouwbaar vangnet. Wat een prachtige wereld. Wat een genot om werkloos te zijn.

Na het doorklunen van de stukken blijkt de SWI het toch iets anders bedoeld te hebben al die tijd. Hoewel het tot 1984 duurde voordat er een beleid geformuleerd werd, waarin het "activeren van baanlozen (een aangepaste naam om verwarring te voorkomen) tot gerichte stimulerende activiteiten" tot kernpunt werd verheven. Het grappige is dat de SWI pas in 1986 verheugd kon mededelen dat zij haar eerste betaalde medewerker had aangesteld. Voorwaar, geen slecht resultaat na 7 jaar. Inmiddels ­ nog eens 14 jaar later ­ werken er 24 betaalde mensen bij de SWI, dus de groei zit er flink in. Hoeveel van deze mensen zijn voortgekomen uit het werk- of baanlozen-circuit is echter nergens terug te vinden.

Het mag duidelijk zijn, ik begrijp er niet veel van. Maar toen ik de stukken doornam kon ik mij helaas niet aan de indruk onttrekken, dat de SWI eenzelfde organisatie is als zovele andere organisaties, die in het maatschappelijke veld actief zijn. Goedbedoelend, welwillend, maar bovenal bezig zichzelf in stand te houden. En om jezelf in stand te houden is doelgroep nodig. De geslaakte noodkreet in de documentatie, dat de doelgroep dankzij het aantrekken van de economie steeds dunner gespoeld is, is veelvuldig. En dat is dan ook een van de redenen dat wij hier bijeen zijn. Vroeger was het nog makkelijk. De werklozen lagen voor het oprapen en een groot deel van hen liet zich gedwee en soms zelfs vol enthousiasme naar een nieuwe werkkring toe begeleiden. Maar nu door de grotere welvaart het kaf van het koren gescheiden is, blijft alleen het residu over: de moeilijk te bemiddelen werklozen en de mensen die door welke omstandigheid dan ook niet vooruit te branden zijn naar de door de maatschappij beoogde, volwaardige maatschappelijk status.

En daarmee geloof ik dat ik opeens mijn aanwezigheid hier kan duiden. In het dagelijks leven ben ik namelijk ook nog eens hoofdredacteur van Haags Straatnieuws, de lokale dak- en thuislozenkrant. En in die functie heb ik uiteraard dagelijks te maken met het kaf van de maatschappij. Sterker nog: door een daklozenkrant te maken scheppen wij 'werkgelegenheid' (tussen dikke aanhalingstekens weliswaar) voor mensen die door de reguliere arbeidsmarkt als on(be)handelbaar en ongewenst worden beschouwd. Op jaarbasis verkopen er zo'n 120 dak- en thuislozen de krant. Per persoon verdienen zij daarmee gemiddeld rond de 750 gulden per maand. Uitschieters naar beide kanten buiten beschouwing gelaten. Zij verkopen de krant vanuit hun blikveld puur vanwege die paar centen meer, die voor hen goud waard zijn. Sommigen kopen er kleren van of schoenen, anderen huren een kamer, weer anderen scoren alcohol en drugs. Dat maakt ons niet uit. Wij hebben geen oordeel over hoe iemand zijn leven moet inrichten en of daar wel of niet een maatschappelijk nut mee gemoeid is. De mensen zelf hebben zo mogelijk nog minder boodschap aan het maatschappelijk nut van hun handelen. Waarom zou je met de maatschappij in het reine willen komen, als je ­ zoals in veel gevallen ­ door diezelfde maatschappij omlaag geschopt bent?

Dat deze mensen met de straatkrant wat extra geld op zak hebben, is mooi meegenomen, maar geen doel op zich. In onze verborgen agenda valt er veel meer eer te behalen aan dit project. Want door op straat te gaan staan en de krant te verkopen, zijn de daklozen zichtbaar geworden in de stad ­ niet langer als verlepte leprozen die voor apegapen op bankjes liggen te boeren en te brallen, maar als mensen die bereid zijn te werken voor hun bestaan. Mensen waarmee je kunt praten in plaats van er met een grote boog en dichtgeknepen neusgaten omheen te lopen. Mensen die het ook leuk vinden dat er weer door de 'gewone' mensen met hen gepraat wordt, die op die wijze uit hun isolement komen, hun waardigheid en zelfrespect hervinden en weer geloof en vertrouwen krijgen in zichzelf en hun medemensen. We worden bij de straatkrant overladen met complimenten en regelmatig voorgedragen voor allerhande ereprijzen omdat we zulk goed maatschappelijk werk doen. Daar worden we zelf niet warm of koud van. Wij doen namelijk helemaal geen maatschappelijk werk. We geven alleen maar een krant uit. Het zijn de verkopers, die het werk doen. Wij kunnen dan ook geen groter compliment krijgen dan wanneer wij tijdens de pasjesverlengingen verkopers zien terugkeren in telkens betere en schonere kleren, goed verzorgd, vrolijk, enthousiast en vooral vervuld van dromen over en geloof in een betere toekomst.

Om terug te keren bij de SWI: in het jaarverslag 1999 las ik tot mijn grote schrik dat slechts 75 mensen in dat kalenderjaar een stapje verder werden geholpen bij hun reïntegratie in het arbeidsproces. Van die 75 waren er slechts 31 die daadwerkelijk werk vonden, de rest is in opleiding of nog in bemiddeling. Een mager resultaat voor een organisatie met 24 betaalde medewerkers en een budget van liefst 890.000 gulden. Daar schrok ik even van. Maar de SWI gaf in datzelfde jaarverslag te kennen dat dit een bijzonder goed resultaat was. Dus dan zal ik het wel verkeerd zien.

Toch denk ik dat die zogeheten positieve uitstroom vele malen hoger zou kunnen liggen als de uitgangspunten eens goed op de schopstoel zouden komen. Zo lees ik in het plan van aanpak, dat de titel 'Werken is (ook) leuk' draagt, ondermeer dat de SWI werk ziet als maatschappelijk nut. Maar is die visie nog wel actueel? De gemiddelde werkloze die ik anno 2000 ken lacht je recht in je gezicht uit als je hem probeert uit te leggen dat werken maatschappelijk nuttig is. Wat kan hem dat soort jaren 70 Sociale Academie-ideologie nou schelen. Werken doe je voor geld, en met geld kan je de kwaliteit van je leven verbeteren. Het laatste waaraan hij behoefte heeft is dat er een zoveelste, goedbedoelende maatschappelijke werker aan zijn kop gaat lopen zeuren, dat hij daarvoor eerst dit en dat moet gaan doen en desnoods een tijdje als vrijwilliger werkervaring moet gaan opdoen.

Direct hieraan gekoppeld wil ik graag de toelatingseisen van de SWI tegen het licht houden. Kort samengevat moet de potentiële SWI-deelnemer aan het volgende profiel beantwoorden: een gemotiveerd uitkeringstrekker met cijfermatig inzicht en creativiteit, die goed Nederlands schrijft, verstaat en spreekt en uitstekend in teamverband kan werken.

Dat soort werklozen bestaan er dus amper meer. De meeste werklozen, die nog wel willen werken, komen niet aan de bak juist omdat ze de taal niet machtig zijn, omdat ze door om het even welke fysieke, psychische of sociale omstandigheid niet in staat zijn tot het werken met cijfers of in teamverband en omdat ze in de meeste gevallen ook niet over de creativiteit beschikken om zichzelf op autonome wijze staande te houden in maatschappelijke conteksten.
Zet daartegenover het geformuleerde SWI- uitgangspunt: "Wij zijn tegen elke vorm van uitsluiting van (groepen) mensen" en het probleem is duidelijk: de SWI sluit middels zijn criteria zijn eigen doelgroep buiten.

Als je dit soort dingen roept, dan wordt er doorgaans van je verwacht dat je met je betweterige kop ook wel even de oplossing aandraagt. Die pretentie heb ik allerminst. Weet ik veel hoe je mensen weer aan het werk krijgt. Ik ben maar een eenvoudige bladenmaker en schrijver tenslotte. Maar ik zou willen voorstellen de boel eens om te draaien. Benader de zo moeilijke groep chronisch werklozen eens met een concreet voorstel. Geef ze eens wat perspectief. Biedt ze een baan aan, een eenvoudig baantje, waarmee ze meteen geld kunnen verdienen. En begeleid ze in die baan naar een hoger bewustzijn, laat ze zien dat ze kúnnen werken en dat werken niet alleen geld oplevert, maar ook nog eens leuk kan zijn. Vanuit verschillende initiatieven in het land is hier al een voorzet voor gegeven. In Rotterdam bestaat al jaren een telefonisch enquête-bureau, waar uitsluitend hardcore verslaafden werken. Met waanzinnige resultaten. In Amsterdam is vorig jaar het PUK opgericht: het Project Uitzendbureau Kutklusjes, dat daklozen tegen betaling werk laat doen dat vroeger door de gastarbeiders werd gedaan en waarvoor nu niemand meer te vinden is. Door dit soort initiatieven te benutten zal het scoringspercentage voor de bemiddeling naar hoogwaardiger werk flink toe kunnen nemen. Het enige dat daarvoor nodig is, is de oude idealen ombuigen naar de maatschappelijke werkelijkheid.

Er is allang geen behoefte meer aan hulpverleners, maar wel een schrijnend gebrek aan concrete hulp.

Hier wil ik het graag bij laten. Bedankt.

Voorgelezen t.g.v. symposium 21 Jaar SWI in DeBatterij, november 2000

© RJ. Rueb