De cultuur van de wethouder

Volgens het woordenboek is een cultuur gelijk aan een kweekje dat tot wasdom komt. Of iets dergelijks. Een schimmel, een zootje bacterieën, een bak yoghurt voor mijn part. De laatste tijd heeft de Haagse gemeente zijn eigen culturen ontwikkeld. Over de vrijwillig verbannen loco-burgemeester Meijer zullen we het maar niet meer hebben (wat betekent 'loco' ook alweer in het Spaans?). Sommige culturen moet je nu eenmaal niet te lang blijven ruiken en deze is er inmiddels ruimschoots voor onderscheiden. Dank voor stank, zullen we maar zeggen.

Twee andere wethouderculturen ­ eentje voormalig, de ander doorontwikkeld tot een niet weg te bikken schimmelkorst ­ toonden onlangs met tamelijk onbescheiden trots hun sporen tijdens een zelfgeorganiseerd feestje ter gelegenheid van een jubelend boek over hun weldadigheid en een dito bouwkunstexpositie in het Atrium. Beide heren staken zichzelf en elkander talloze veren in de derrière voor al het goede werk dat zij de laatste decennia in de stad meenden te hebben verricht, met name op het gebied van stadsontwikkeling en architectuur. Om hun loftrompet nog harder te doen schallen hadden zij een terzakekundige hoogleraar opgetrommeld, die het aanwezige, strooplikkende publiek wel eens even zou verhalen over de almachtige goedertierendheid van deze uit de klei getrokken hoogwaardigheidsbekleders.

De professor bleek evenwel onverwacht een opréchte terzakekundige en benutte de gelegenheid dan ook om de beide zelfopgeworpen halfgoden te vergasten op een zeer verkwikkende schrobbering en ze tot diep in hun kostbare stadshart af te branden. Terwijl de een (die zijn magistrale inzichten inmiddels landelijk vanuit de politieke bankjes mag uitdragen) wijselijk niet inging op de fijnbesnaarde tirade, besloot de ander dit wel te doen. En met beproefde, maar daarom niet minder stompzinnige argumenten: "Haags chagrijn" en "Ik weet dat de stad mij steunt".

Oplettende Hagenaars weten echter al langer dat deze wethouder ernstige gehoorstoornissen heeft; hij is immers al jaren doof voor het aanzwellende Haagse gekanker op zijn beleid en de daaruit voortvloeiende chaos, die de gehele stad heeft lamgelegd. Dankzij deze arrogantie is de man bij leven reeds onsterfelijk geworden en wordt hij door sommige collega-columnisten niet geheel ten onrechte de 'Stalin van het IJspaleis' genoemd. Het is dan ook geen kleinigheid om als volksvertegenwoordiger je electoraat vol in de rug te dolken. Maar gelukkig weet hij als geen ander dat de stad hem ook daarin steunt.

Hoge bomen mogen dan veel wind vangen, maar hoge bomen zijn in feite helaas weinig anders dan uit de hand gelopen culturen. En van uit de hand gelopen culturen wil wel vaker een nare ruftgeur uitgaan.

Geachte wethouder Noordanus, uw lintje en ereburgerschap liggen reeds koud. U hoeft slechts nog even ­ net als uw voorganger Duivensteijn en collega Meijer ­ de stad te ontvluchten en het Haags chagrijn zal u daarvoor eeuwig dankbaar zijn.

Gepubliceerd in Uitpost Magazine, november 2000

© RJ. Rueb