Neger (m/v)

Het eerste dat ik zag toen zij binnenkwam was: ze is een neger. Plots voelde ik twijfel. Ik, blanke man, veertiger, niet onbemiddeld, recentelijk succesvol. Ze kwam mij vragen om werk. Ze liep binnen, weifelend als een sollicitant die zich weldra aan een test moet gaan onderwerpen. Die haar aanstondse gesprekspartner vooral welgevallig zal moeten zijn om aan die baan of aan de bak te kunnen komen. En ik, blanke veertiger, met al mijn pretenties en geluk omhooggevallen tot de positie, waarin ik mensen op de meerwaarde van hun kwaliteiten moet beoordelen. De meerwaarde voor mij wel te verstaan, want ik zal er zelf uiteindelijk op vooruit moeten gaan.

Ik kon het niet helpen: ik zag het. Ze wás een neger. Maar waarom moest ik het denken. Ik vroeg me af wat zij nu dacht: 'Het is een blanke!' Denken negers dat van blanken? Zoals blanken dat van negers denken?

De hele dag al had ik sollicitanten over de vloer gehad. Vrouwen, mannen, jong, minder jong, met scheve tanden, met vieze nagels, met teveel make-up, met een spraakgebrek, bloedstollend mooi, doodgewoon, saai, energiek, frivool, zelfs één met een Duits accent. Alleen nog geen neger.

Waarom dit rijtje? Waarom deze karakteristieken? Waarom zo onderscheidend zijn op basis van uiterlijkheden of opvallende eigenschappen? Waarop toets je een mens eigenlijk? Hoe kan je bij een eerste kennismaking in godsnaam de waarde van een ander inschatten? Hoe belangrijk is de eerste indruk die je krijgt van wie of wat er tegenover je zit. En hoe betrouwbaar, eerlijk en oprecht is je eerste indruk? Waarop selecteer je potentiële nieuwe medewerkers als hun kwaliteit pas in de praktijk zal kunnen blijken? Wat een hoop vragen werpt twijfel toch op. Onbeantwoordbare vragen.

Ik dacht na over wat ik dacht en probeerde het te rijmen met mijn hypocriete levensfilosofie. Een filosofie die walgt van discriminatie en racisme, die de pretentie koestert daarmee niets van doen te hebben. Maar ondertussen. Waarom dacht ik wat ik dacht. Waarom dacht ik niet gewoon van: 'daar is mevrouw de sollicitante; ik ben benieuwd wat zij in haar mars heeft'

Terwijl ik dit dacht, keek ik haar aan. Met een blik van: 'daar is mevrouw de sollicitante; ik ben benieuwd wat zij in haar mars heeft' Het viel mee. Zo erg was ik er nog niet aan toe. Ik vroeg haar plaats te nemen.
Ze nam plaats. Koket. Schuw. Zenuwachtig. Daarin verschilde ze niet van de voorgaande sollicitanten.
'Rustig maar, rustig maar de grote blanke veertiger bijt niet' dacht ik en plots kwam er een beeld uit de TV-serie 'Roots' bovendrijven. Slavenhandelaar duwt lippen van negerkoopwaar open om tanden te controleren. Ook een selectie-criterium.

Ik bood haar koffie aan. 'Zwart of wit' vroeg ik, terwijl ik de dop van de thermoskan opendraaide. Ik voelde mijn wangen kleuren. 'Zwart of Wit'. Het was een vraag die ik iedereen stelde, die ik een kop koffie aanbood. Maar nu klonk hij plots niet meer zo voor de vuist weg.

Ze brak mijn hart en zei: 'Zwart met melk en suiker'.
'Ah, koffie verkeerd dus', dacht ik.

Deze sollicitante is het uiteindelijk niet geworden. Niet omdat ze een neger was en ook niet ondanks dat ze een neger was. Positieve discriminatie vind ik bijkans nóg onnozeler dan recht-toe recht-aan discriminatie. Dan kan je iedereen die iets afwijkends heeft ten opzichte van hoe jezelf bent wel zalig verklaren. Nee, ze had het gewoon niet in haar mars. Zoals ook die andere sollicitanten het niet in hun mars hadden. Behalve dan die ene, op het eerste oog wat schuchtere, Marokkaanse jongen, met dat wat hangende oog en die onverstaanbare tongval en latente homoseksualiteit.
De concurrent heeft goede zaken met hem gedaan.

© RJ. Rueb