Het is vrijdag 18 oktober, wanneer we laat in de avond de Airbus A310 van Egypt Air uitrollen en ons een weg zoeken naar de ontvangstruimten van Cairo International Airport.
Voor een groot land als Egypte vind ik het vliegveld en de luchthavengebouwen klein, zeker in vergelijking met Schiphol. De aankomsthal is ook niet echt ruim bemeten, en ik spied in het rond om te ontdekken of Magdy, onze reisleider alhier, ons inderdaad staat op te wachten.
Er lopen diverse Egyptenaren rond met de bekende bordjes omhooggestoken van diverse reisagentschappen, maar helaas geen "Baobab-bordje", en dus geen Magdy. Zou het komen doordat we veel vroeger in Caïro zijn dan gepland? Aanvankelijk zouden we via Sharm El Sheik gevlogen zijn, maar dit bleek tóch een rechtstreekse vlucht naar Caïro te zijn. Ik vond het toch al een onlogisch vluchtschema, Caïro is immers veel belangrijker dan Sharm El Sheik...!?
Afijn, lastig is het wel een beetje, want er zou een groepsvisum worden geregeld, dat is goedkoper. Maar veel van mijn reisgenoten staan te popelen om door de douane te gaan om de bagage van de band te halen, dus wordt na een half uurtje wachten maar besloten dat een ieder gewoon een persoonlijk visum koopt.
Erg soepeltjes gaan we met visa door de douane, en ik struikel bij de bagageband bijkans over mijn eigen bagage, en de overige bagagestukken blijken er ook al te liggen. De brutale jongeman - een gids, een kruier? - die aan onze bagage zit blijkt zowaar Magdy te zijn, zojuist inderhaast gearriveerd.
Binnen een kwartier zitten we al in een kleine bus, op weg naar een hotel in Mohandessin, een van de betere buitenwijken van deze enorme stad. Van de tien medereizigers ken ik er nog slechts twee van naam, de rest ben ik nog voor het inchecken op Schiphol allang weer vergeten. In de bus, en later in het hotel, leer ik er nog zo'n twee a drie namen bij.
In het holst van de nacht is het niet zo druk in de straten van Caïro, maar desondanks maakt de stad een imposante indruk, en Magdy vertelt als een waardig gids wat wetenswaardigheden van stad en land, en wijst enkele objecten en gebouwen onderweg aan.
Het hotel ziet er knus uit, de kamers zijn zoals verwacht */** "Baobab-sterren". Ik deel de kamer, die zeer ruim is, een soort suite, met Sander en Ronald. We hebben stromend water, het toilet werkt, de douche zal het ook wel doen zo te zien, prima zo.
Twee verdiepingen lager is een bar, en daar komen we nog even bij onder het genot van een drankje. Als "extra welkom" krijgen we allen een klein bloemetje aangeboden, heel sfeervol. Ik voel me helemaal op mijn gemak, alles en iedereen hier in Egypte lijkt een en al gastvrijheid uit te stralen.
Niet al te laat ga ik naar bed, morgen staat ons al een drukke dag te wachten. Niks uitslapen, maar om halfacht ontbijt. Dan om halfnegen met de kleine bus en een gids de belangrijkste bezienswaardigheden in en om Caïro bezoeken.
Magdy heeft in de bar al vrij vlot een besluit doorgedrukt dat deze excursie zoals die oorspronkelijk gepland stond, zou worden uitgevoerd. De mening van diegenen die hier bezwaar tegen hadden gemaakt woog kennelijk of niet zwaar genoeg of was onvoldoende vertegenwoordigd? Feit is dat ik niemand hardop bezwaar heb horen maken, dus had Magdy "een makkie". Ik vind het allemaal best, ik ben hier per slot van rekening voor 't eerst, en de piramides, ach, het is eigenlijk best wel leuk, en een soort extraatje deze reis!
De volgende morgen is het stilletjes aan de ontbijttafel, typerend. Zoals altijd moet de groep even wennen, want wat voor vlees hebben we in de kuip? Het ontbijt is bepaald geen feest, 't-is zeer karig. Ik probeer een dik plak brood naar binnen te krijgen wat tamelijk eterig is, dat krijg ik dus nooit op. Het beleg, jam en honing, kan daar ook niks aan veranderen.
In de lobby wordt aan ons de gids voor vandaag voorgesteld, een charmante jongedame. Zo te horen spreekt ze goed Engels, gelukkig.
Netjes op tijd rijden we met de bus de stad in, op weg naar ons eerste doel, het Egyptisch Museum. We zouden eerst naar de piramides, maar het lijkt onze gids beter om dat anders te doen. Het is erg druk in het verkeer, maar gek genoeg schiet het hier schijnbaar veel meer op dan bijvoorbeeld in Amsterdam.
Waar het eveneens erg druk is, is in en om het Egyptisch Museum. In anderhalf uur worden we in hoog tempo rondgeleid en zowat sufgeluld. Onze gids gaat steeds sneller praten en is soms wat moeilijk te volgen. Ze heeft een aantal te vaak terugkerende stopwoordjes en uitspraken, iets wat mij later steeds meer gaat irriteren. Het meest gebruikt ze "by the way", wat ze bijna in dezelfde mate gebruikt als het vervelende "you know" van Ruud Gullit.
Maar, eerlijk is eerlijk, ze lijkt mij een hele goede gids. Iedereen schijnt haar ook te kennen, en dat zal wel een overtuigend bewijs moeten zijn dat ze al een tijdje meeloopt in Egyptisch Gidsenland, en behoorlijk wat respect heeft verdiend, zeker als vrouw!
Er zijn uiteraard (te) veel dingen te zien in het museum, maar ik kan de aandacht meestal redelijk vasthouden. Toch ben ik blij als we bij de schatten van Tut Anch Amon zijn aangeland. Een kwartier lang genieten van vooral de bekende gouden maskers en sarcofagen, ze zijn ook zo beroemd...
Indrukwekkend toch om dat eens "live" te kunnen aanschouwen.
In het souvenirstalletje beneden in de hal koop ik de diaserie van deze museumstukken, omdat ze zo mooi zijn en het mijzelf nooit zou lukken om die dingen zo goed op foto/dia vast te leggen.
Ik ben blij de drukte van het benauwde museum weer te kunnen ontvluchten, en ben nogal verrast als ik reisgenoten die hier al eerder zijn geweest hoor verkondigen dat het nu vrij rustig was in het museum!?
Op weg naar de bus laat Arie zich behoorlijk tillen door een verkoper van papyrustekeningen, en wordt daar door een zichtbaar geïrriteerde gids aan herinnerd - "What did I tell you...?"
De volgende stop is Giza, om de wereldberoemde piramides van Cheops, Chefren en Mycerines te bezichtigen. Ik ben totaal verrast over de ligging van de piramides. Zo rijden we nog op de lange en drukke Pyramidroad, en plotseling verrijzen de piramides aan de linkerkant. De stad is wel heel erg dicht tot bij deze bouwwerken genaderd...  Als je de piramides op TV of op foto's ziet lijkt het altijd net of ze midden in de woestijn een eind buiten de stad zijn gelegen, maar in werkelijkheid is dit dus niet zo.
We krijgen een half uurtje de tijd om rond te kijken bij de grootste piramide, die van Cheops, wat ik aan de krappe kant vind, maar goed, er is nog meer te bezichtigen vandaag.
Ik ben ook hier zeer onder de indruk, en heb het gevoel op een plek te zijn die je eens in je leven moet bezoeken.
Later rijden we naar het punt waar vandaan we een prachtig uitzicht hebben op de drie piramides - jawel, het punt van TV en foto's. Een zeer voor de hand liggend bezoekje, maar onmisbaar vind ik toch. En de souvenirverkopers van de strategisch opgestelde kraampjes storen mij in het geheel niet.
Dan is het tijd voor het bezichtigen van de ook weer wereldberoemde sfinx. Hier is het zeer druk, vooral omdat het oppervlak vergeleken met de piramides een stuk kleiner is. Toch weer genieten, en na een paar verplichte foto's gaan we op weg voor een snelle snack.
De snack wordt op verzoek van de groep - we hadden ook in een restaurant kunnen gaan lunchen - genuttigd bij ongetwijfeld een kennis of familie van de gids, en ik eet er een heel vreemd gevormd maar erg lekker broodje shoarma. En nog maar eentje er achteraan, ik heb nogal trek. En maar hopen dat het allemaal goed wordt verwerkt daarbinnen in mijn maag...!
Als derde en laatste doel vandaag bezoeken we Sakkara. We dalen diep gebukt af in de piramide van Unas door een hele lage gang, en vinden beneden muren die compleet zijn bewerkt met hiëroglyfen. Verrassend mooi, want van buiten is de piramide net een hoop puinafval.
Tenslotte bekijken we het enorme begrafeniscomplex van Djoser, met daarbij de piramide die als oudste van alle piramides wordt beschouwd. Hoe langer we door het complex dwalen, hoe meer ik spijt krijg dat ik bij de ingang niet extra heb betaald om te mogen fotograferen, want door de namiddagzon worden de verschillende objecten in prachtige, contrasterende kleuren gezet...
Lichtelijk vermoeid ploffen we in de busstoelen voor de terugrit naar het hotel, dwars door Caïro.
En ja hoor, er is volgens de gids en de chauffeur nog tijd over voor een bezoek aan een of ander fabriekje. Ik dacht al, wanneer krijgen we dat nog...!? Het wordt een papyrusfabriekje. Dergelijke "onverwachte" bezoekjes als deze zijn eigenlijk een verplicht nummer in zeer toeristische landen als Egypte, men probeert op deze manier nog wat extra geld uit de zakken van toeristen te kloppen. Voor de gidsen betekent dit een extraatje in de vorm van commissie, en de handelaren van de fabriekjes weten meestal wel wat te verkopen.
Dat blijkt ook deze keer weer. Sterker nog, ik ben tegen mijn gewoonte in deze keer bezweken voor een in mijn ogen mooi souvenir, en nog wel rijkelijk vroeg aangeschaft ook, de reis is nog lang niet voorbij.
De vele papyrustekeningen die de muren sieren vind ik echt heel erg mooi, maar ik laat het bij de aanschaf van een betrekkelijk kleine tekening van het bekende Tutmasker, a raison van 50 pond, wat ik in US-dollars afreken. De tekening kan worden vervoerd in een mooi stevige koker, en dat is eigenlijk datgene wat mij over de streep heeft getrokken. De tekening moet tenslotte nog heel wat doorstaan voordat ik 'm thuis ingelijst aan de muur kan hangen...!
Voordat ik de tekening op het allerlaatste moment koop, raak ik diverse keren verstrikt in geanimeerde gesprekjes met Egyptische jongemannen over voetbal. Ik oogst zichtbaar veel respect wanneer ik refereer aan het duel tussen Nederland en Egypte tijdens het WK in Italië... waar we zeer onverwacht verloren...! Natuurlijk kennen ze de meest bekende Nederlandse voetballers zoals Rijkaard, Gullit en Van Basten, maar ook nog vele anderen.
Teruggekomen in het hotel plof ik vermoeid op bed neer, en rust wat uit voordat we vanavond om halfacht uit eten zullen gaan.
Met taxi's rijden we die avond naar een soort partyboot die langs de Nijloever voor anker ligt met uitzicht op het mooiste en duurste gedeelte van het centrum van Caïro. Terwijl we genieten van een goed en door Magdy met zorg uitgekozen driegangendiner zie ik onophoudelijk partyboten op de Nijl heen en weer varen, vaak getooid met vele kleurige lichtjes.
Op het bovendek van de boot wordt een bruiloft gehouden, zo te zien van een zeer welgestelde familie.
We gebruiken het toetje en de thee en koffie boven op het dakterras, en Magdy probeert in het kort uit te leggen wat ons zoal te wachten zal staan tijdens deze reis. Het valt mij op dat hij zijn uiterste best doet om ons zo volledig mogelijk in te lichten en compleet op ons gemak te stellen, ik beschouw hem voorlopig daarom ook niet als een gewone reisleider, maar als Gastheer van zijn land.
Wanneer we de boot verlaten, gluren we nog even de zaal in waar het bruiloftsfeest nog in volle gang is. Ik hoor de klanken van "Cotton Eye Joe", en ja hoor, kijk nou-es, Egyptenaren op de Countrytoer...! Erg komisch.
Cairo
Dagboek Egypte Sinai
Sinai Jeeptrek
We zitten weer in de kleine maar geriefelijke bus, en zijn op weg naar de Sinai. Een lange rit van zeker een halve dag. Eerst duurt het een hele tijd voordat we Caïro en haar voorsteden uit zijn, en alvorens dat te doen, brengen we een beleefd bezoek aan de plek waar Anwar Sadat in 1981 is vermoord, en waar zich tevens dan maar het onvermijdelijke Graf van de Onbekende Soldaat bevindt. Een imposante plek, compleet met monumentale objecten en veel marmer.
Het traject van Caïro naar het Suez-kanaal is lekker saai. En dat hoort, want het landschap bestaat louter uit zandwoestijn. De beleving van deze omgeving hoort zeker bij de reis van deze dag, en ik waak ervoor niet in slaap te vallen zoals veel van mijn reisgenoten.
Een eindje voor de tunnel onder het Suez-kanaal maken we een theestop bij een tentje waarvan de eigenaar als een redelijk hoge pief destijds bij de bouw van het huidige kanaal was betrokken. Iets wat hij gaarne bereid is even uitgebreid uiteen te zetten!
We rijden door de Achmed Hamdi tunnel onder het kanaal door, en nemen gelukkig aan de oostoever een kijkje bij het kanaal. Hier hebben we een prachtig uitzicht, we zien in de verte een klein konvooi schepen noordwaarts varen naar de Middellandse Zee.
De grootste attractie echter is een grote groep Indonesiërs, die met hun bonte gewaden een prachtig - maar niet zo willig - fotografisch onderwerp vormen.
We lunchen ergens in het begin van de Sinai bij een soort tankstation annex restaurant/winkel, alwaar ik mijzelf voorzichtig waag aan een omelet met kaas. Voorzichtig vanwege het feit dat ik de afgelopen nacht er drie keer uit moest om mezelf middels "spuitdiarree" compleet te legen... Een imodiumpje houdt mij tot nu toe overigens prima op de been.
Het bestel/serveer systeem bij de keukenbalie is ongekend inefficiënt en buitengewoon onhandig. Je doet je bestelling, en gaat dan aan je tafeltje zitten wachten tot er eten vanuit de keuken op de balie verschijnt. Om dan vervolgens aan te zien dat "jouw" bestelling meerdere malen wordt weggekaapt door lieden die je ervan verdenkt de boel te belazeren of voor hun beurt te gaan. Met een soort vreemde weemoed denk ik aan De Chinees in Nederland, waar je bijvoorbeeld gewoon een nummertje krijgt bij je bestelling. Simpel.
Natuurlijk zijn er enkelen in onze groep die tevergeefs op hun bestelling blijven wachten, waarna een interventie van Magdy de boel moet herstellen.
De laatste fase van de rit met de bus brengt ons tot Abu Zenima. Een steeds mooier wordend woestijnlandschap zorgt ervoor dat het letterlijke reizen blijft boeien. De aanblik van de Golf van Suez is een mooi moment, vooral de tientallen schepen die op de rede liggen te wachten om de doorvaart door het Suez-kanaal te kunnen maken is een prachtig gezicht.
In Abu Zenima is het even zoeken naar de Bedoeïenen met hun jeeps. Even lijkt het of het mis dreigt te gaan, maar even later vinden we hen toch! De begroeting is vluchtig, en het duurt ruim een half uur voor alle bagage in de pick-up is geladen. Het personenvervoer zal geschieden met twee Toyota Landcruisers, die normaal gesproken ruimschoots op hun taak berekend zullen zijn.
Eindelijk vertrekken we dan met de jeeps, dieper de Sinai in! Het begin is zeer winderig, als we nog een eindje over de geasfalteerde kustweg rijden met een voor deze jeeps grote snelheid. Maar dan slaan we op een gegeven moment toch linksaf, en houdt weldra ook het asfalt op en wordt vervangen door zand.
Al snel blijkt dat het nodige van ons toeristen wordt gevergd, wanneer we ruw heen en weer worden geschud in de achterbak. Goed vasthouden is dikwijls het devies, en ik hoop maar dat ik niet al te veel last krijg van mijn rug...
Zo nu en dan stoppen we heel even, en kunnen we de ledematen even strekken en een fotootje maken.
In de namiddag houden we halt in een hele kleine Bedoeïenennederzetting, Sarabit El Khadim. Het is aangenaam warm, en we sloffen wat in het rond bij het betonachtige bouwsel wat ons verblijf voor de nacht zal vormen. Al snel is er heerlijke thee met lekker veel suiker, mmmm dat smaakt!
Steeds meer mensen beklimmen de heuvel vlak naast het huisje, waar vanaf je een heel mooi uitzicht hebt over de kleine vallei, of Wadi. Als de zon bijna achter de bergjes in het westen verdwijnt, neem ik wat dia's.
Vooral in verband met mijn verdachte inwendige toestand inspecteer ik het toilet. Dat is een erg schoon hurktoilet, maar het doorspoelen is een groot probleem: geen water, en het kleine gat zit totaal dicht. Zal wel een bende worden de komende nacht...
Het avondeten ziet er zeer goed uit, het ruikt ook erg lekker. Hoewel ik best wel trek heb, acht ik het verstandig om weinig te eten, en het vlees niet te nemen. Jammer, achteraf bezien was dit waarschijnlijk de beste maaltijd in de Sinai van de hele reis...!
Na het eten zit ik heel lang "na", het is heerlijk aangenaam buiten in de open lucht met een temperatuur ruim boven de twintig graden. We drinken thee, praten gezellig met elkaar. Af en toe bekijk ik de donkere hemel, speurend naar vallende sterren. De helderheid en de hoeveelheid van sterren valt een klein beetje tegen, ik had mij hier meer van voorgesteld. Maar dat wordt vooral veroorzaakt door het felle licht van een halve maan. De maan zal gedurende ons verblijf in de Sinai steeds meer wassen, dus aardedonker zal het niet worden.
Binnen in de hut is het net zo warm als buiten, maar "binnen" is eigenlijk ook buiten omdat het dak slechts voor iets meer dan de helft het huis bedekt.
Het is nog maar een uur of negen als de meesten al hun slaapzak hebben opgezocht, en ik ben zelf nog vrijwel kipfit en dus klaarwakker. En dan te bedenken dat ik geen moment heb zitten dutten tijdens de rit van Caïro naar Abu Zenima...!? Maar ik begrijp evengoed dat het tot nu toe best wel vermoeiend is geweest, en dan met name voor de geest. Niet het lichaam, dat komt pas later tijdens de wandelingen in de woestijn.
Ik ben gelukkig niet de enige die absoluut nog geen slaap heeft, vooral Arie heeft moeite met deze situatie omdat hij een avondmens is. Met een man of vijf zitten we nog tot een uur of elf, twaalf op.
Behoorlijk wat mensen hebben ervoor gekozen om echt buiten onder de blote hemel te gaan slapen. Ik ga binnen de muren slapen, "halfbinnen" zogezegd. Het is daar wat schoner, buiten ligt hier en daar wat rommel en er lopen een aantal geitjes los.
Behoedzaam begeef ik mij naar de plek waar ik een aantal uren eerder al vaag kwartier had gemaakt. Ik lig nog zeker een half uur wakker voordat ik in slaap val.
De volgende morgen natuurlijk vroeg wakker, maar dat is goed voor het ritme van de komende dagen. Het was warm vannacht, ik heb nog uren slechts in mijn dunne zijden lakenzak gelegen voordat ik een deel van mijn slaapzak over mij heen trok.
Na ons eerste Bedoeïenenontbijt met het karakteristieke pannenkoekenbrood gaan we al vroeg op weg om vlakbij onze eerste wandeling te maken. We zullen de Hathor-tempel bezoeken, en turkooismijnen.
Een jonge Bedoeïen is onze extra gids, en in een zeer bedaard tempo beginnen we meteen al aan een aardige klim. Het landschap is erg mooi, maar dat is overal zo in de Sinai. Er wordt veel gerust, en er is dus veel tijd om lekker van deze prachtige omgeving te genieten.
Halverwege de klim passeren we mooie door wind maar vooral lang geleden door water geërodeerde rotsformaties, en op een bepaalde plek zijn tekeningen en geschriften (in hiëroglyfen) aangebracht.
Als we op een gegeven moment boven komen te lopen, wordt het uitzicht op de omringende vlakten en bergen steeds spectaculairder. We komen nog wat andere kleine groepjes woestijntoeristen tegen, en maken eerst een kleine afdaling naar een spelonk wat onderdeel zou moeten uitmaken van de oude turkooismijnen. Onze gids weet zelfs in een kleine spleet een miniem stukje turkoois te vinden en iedereen werpt er een blik op met behulp van een zaklantaarn. Wanneer de gids mij vraagt of ik het zie zitten zeg ik van wel, maar ik zie echt niks...
Niet veel verder is de ruïne van de Hathor-tempel. We krijgen een half uur de tijd om een beetje rond te struinen. Jammergenoeg staat er in mijn Lonely Planet reisgids niets over deze plek, en het verweerde bord bij de ingang wat een plattegrond toont helpt ook niet. Hierdoor blijft deze hoop omgevallen en/of gebroken stenen gewoon een rommelige plek waar je je weinig bij kan voorstellen... Er liggen en staan echter een aantal met gave hiëroglyfen bewerkte grote stenen, die de moeite van het bekijken en fotograferen zeer waard zijn. En dan is er natuurlijk nog altijd de prachtige omgeving...!
Eigenlijk zou ik graag nog een eind te voet verder willen trekken vanaf de Hathor-tempel, maar vanmiddag gaan we weer verder met de jeeps. Langs hetzelfde pad gaan we weer terug naar het begin van de wandeling, maar omdat het zo'n mooie route is, is dat helemaal niet erg.
Na de wandeling gaan we met de jeeps meteen verder de Sinai in. In de routebeschrijving staat dat we een mooie, maar hobbelige rit door Wadi Es Sih gaan maken. Inderdaad, dat klopt als een bus. Vooral nadat we water hebben getankt bij een bron is de mooie rit zo nu en dan nogal heftig. Ik zit achterin in een van de jeeps, en voer daar een hevige strijd met een jerrycan van 20 liter met water, waarbij ik hulp krijg van Bernadette, die tegenover mij zit. Soms zit een van de drie Bedoeïenenjochies, Mahmoud, ook bij ons achter in de bak. Met name op die trajecten houden de twee jeeps soms een soort wedstrijdje, waarschijnlijk aangemoedigd door de bijna voortdurend schreeuwende Mahmoud en zijn kameraadje voor in de andere jeep. Dan gaat het gas er dus behoorlijk op, en moeten we ons nog steviger vasthouden dan anders. Op een gegeven moment kom ik zelfs helemaal los als de jeep over een hobbel rijdt...! En Mahmoud maar schreeuwen: "Meleheh, Meleheh...!".
Via een mooie, afgelegen en ook warme lunchplek midden in de woestijn rijden we in de middag Wadi Maghara in, waar we op een ontzettend mooie plek ons eerste echte woestijnkamp inrichten. Dit is tevens het "Dal der Inscripties", en we nemen meteen o.l.v. de "jeephoofdman" een kijkje. Het is zeer de moeite waard, de rotstekeningen zien er gaaf uit.
Maar nog mooier is de omgeving in zijn geheel, welke door de laagstaande zon in prachtige kleuren wordt weergegeven. Wat ongewoon dikke wolkenformaties op de achtergrond maken de sfeer compleet, en ik schiet een paar mooie foto's.
Wanneer ik bemerk dat, behalve mijn tentmaat Sander en ik, iedereen zijn tent opzet, ben ik nogal verrast. Zeker nadat de helft buiten heeft geslapen in het bedoeïenendorpje Sarabit El Khadim had ik verwacht dat dat zou worden voortgezet. Ikzelf vind het zo'n bijzondere ervaring om in een omgeving als dit prachtige plekje in de woestijn onder de blote sterrenhemel te slapen dat ik er absoluut niet over pieker om de tent op te zetten.
Het begint al te schemeren als een paar Bedoeïenen aan komen zetten met een klein geitje. Ik weet meteen hoe laat het is: dat wordt het eten... Ik hoop alleen dat het slechts eten voor de Bedoeïenen is, voor mij hoeft het niet. Ik heb daar minder goede ervaringen mee, ik kan mij een maaltijd in Nepal herinneren wat niet zo'n succes was...
Als een van de Bedoeïenen zijn mes gaat slijpen, wordt het tijd om mezelf even een eindje verderop terug te trekken met mijn walkman. Daar tref ik ook Betty aan, die zich met een boek heeft teruggetrokken tussen de rotsen.
Na een half uurtje loop ik weer terug naar het kamp. Het geitje is niet meer. Ik moet zeggen, ze hebben het heel netjes gedaan, achter een groot rotsblok een stukje van het kamp vandaan. Ook nergens sporen van bloed of slachtafval. Gelukkig maar, het zou mijn eetlust vrijwel zeker hebben bedorven.
De nacht onder de blote hemel is een weer bijzondere ervaring, en na een stuk of zes vallende sterren slaap ik in.
Ik word de volgende ochtend vroeg wakker, zo te zien ben ik een van de eersten. Behalve de Bedoeïenen natuurlijk, die zijn al bezig met water koken en deeg maken voor het versgebakken brood wat we straks zullen krijgen.
Na een half uur is de zon al zover opgekomen dat ze de eerste bergflanken in de omgeving in vuur en vlam zet, en ik beklim een heuvel bij de rots waar gisteravond het geitje is geslacht.
Het uitzicht vanaf slechts een meter of vijftien hoog is heel mooi, en het is leuk om vanaf dit punt het kamp te observeren.
Als we vertrekken, lopen we eerst een stukje, waarna de drie wagens ons achterop komen en we hiermee onze weg verder vervolgen. Hoewel de wandeling mij ietwat tegenvalt, vooral vanwege het feit dat we de hele tijd op of langs de zandweg lopen, ben ik nog veel meer teleurgesteld als we na een uurtje al in de gearriveerde wagens moeten stappen. Voor de rest van de dag wordt het dus weer hobbelen in de achterbak van de jeep...
Maar zie, de rit is eigenlijk erg mooi, dat wil zeggen, de omgeving. We rijden een paar keer door nederzettingen, waarschijnlijk wonen hier vrijwel uitsluitend Bedoeïenen.
Het mooiste stuk is daar waar we door een soort versmalling in een wadi rijden, het lijkt haast een kloof. Niet lang hierna komen we op de asfaltweg die naar St. Catherina voert. Omdat ik blij ben weer voor even van het gehotsebots af te zijn, juich ik wanneer we het asfalt oprijden. Niet lang daarna ben ik weer ontevreden, want nu wordt het ongemak veroorzaakt door kou... Diegenen, die achter in de laadbak zitten, vlak bij de laadklep, hebben het het zwaarst. Zoals ik, en ik duik maar wat naar het midden van de laadbak, daar tocht het niet zo.
Daarom is de onderbreking in Wadi Feiran, waar we een nonnenklooster bezoeken, zeer welkom. Dat is nou jammer, de nonnen zijn niet thuis... Ze zijn naar de kust, het strand, voor een soort vakantie? Ze zullen wel niet aan het snorkelen of waterskien zijn, stel ik mij zo voor.
Door de afwezigheid van de vrome dames wordt dit bezoek helaas nogal oninteressant. We mogen even een blik werpen in het best wel mooie kapelletje, maar verder mogen we het terrein niet verkennen.
Een eindje voorbij het klooster, waar de oase bijna ophoudt, beklimmen we een heuvel van puin en zandsteen. Voor het mooie uitzicht over Wadi Feiran. Ik bedenk me dat dit de eerste keer is dat ik een echte oase heb gezien en bezocht.
Voor het klimmetje naar boven leef ik me eens lekker uit, ik rén haast naar boven. Heerlijk is dat, daar was ik nu net aan toe, om een pittige inspanning te leveren. Als compensatie voor de te korte wandeling van vanmorgen en het gestuiter in de jeep.
De lunchplek die Magdy ons vandaag voorschotelt is er een van bijzondere allure. De omgeving doet een beetje denken aan Cappadocië in Turkije, we zitten bij een sterk geërodeerde formatie van modder, zand en hele zachte steensoorten die de meest vreemde vormen hebben. Globaal genomen lijkt het op een verzameling gesmolten kaarsen. Een aantal van ons klimt in een van de spleten, en sommigen proberen zelfs ergens bovenop te komen. Mij lijkt dat nogal gevaarlijk, ik besluit dan ook om meteen weer terug te gaan.
Later beklim ik een twintig meter hoge hardere rotsformatie waar vanaf ik een prachtig uitzicht heb over de gehele omgeving.
De lunch die we gebruiken is de eerste in zijn soort, en later zouden we dit nog regelmatig herhalen. Het is een typisch Egyptisch maal. Het bestaat uit het bekende brood, met behulp waarvan we een door Magdy bereide saus oplepelen die nog het meest doet denken aan Chili Con Carne, maar dan zonder vlees en iets minder gevuld. Echter wel zeer smaakvol, en zo denken mijn medereizigers er zo te zien ook over, want de bodem komt alras in zicht. Het restje is voor twee van onze kleine Bedoeïentjes.
De rest van de jeeprit tot aan Catharina verloopt redelijk vlotjes, al is het op het laatst wel erg frisjes achterin. Overigens heeft de groene jeep plaatsgemaakt voor een taxi, er schijnt iets niet helemaal te kloppen of zo. Wanneer we een eindje voor Catharina een politiepost moeten passeren denk ik er het mijne van. Juist.
Catharina - Jebel Musa
Ons onderkomen in Catharina wordt door de Lonely Planet omschreven als "somewbat grubby", een beetje groezelig dus. En dat klopt als een bus. Een vreemde plek, het lijkt wel een oud legerkamp: een verzameling barakjes rondom een heel groot leeg terrein. Het is koud.
Binnen is het een en al eenvoud. Ik deel de "bungalow" met Sander en Ronald. De badkamer werkt, dat is al iets. Het enige wat er niet o.k. is, is het bed van Sander. De planken zijn te kort voor het door vocht uitgezette bedframe... We proberen het nog wat te fiksen met stukken gescheurde en gevouwen krant (De Groene Amsterdammer), maar dat mag helaas niet baten. Hup, naar buiten met dat bed, en zorgen dat er een ander kan komen.
Totdat we 's avonds in het dorp gaan eten, dood ik de tijd met wat lezen en muziek luisteren op mijn bed. Het is buiten te koud om lekker rond te lopen.
Magdy brengt ons 's avonds eerst naar een kleine verzameling winkeltjes waar we wat rondhangen. Sommigen posten nog wat kaarten. Daarna betreden we een leuk en ongetwijfeld typisch Egyptisch eettentje. We nemen plaats op en tussen kussens en kleden, en krijgen in een verrassend vlot tempo eten en drinken geserveerd. Dat heeft Magdy vast allemaal vanmiddag al geregeld. Zo wordt het niet al te laat, want we moeten er vannacht al om een uur of halftwee weer uit, om de Mozesberg te gaan beklimmen...
Tussen de bedrijven door, eigenlijk al in het begin. moeten we een serieuze poging ondernemen de kunsten van de Egyptische Dans onder de knie te krijgen. Behalve Bepke heeft zo te zien niemand aanleg daarvoor, maar ach, 't is wel lachen, en het wekt de eetlust op zullen we maar zeggen.
Zoals het de bedoeling was, wordt het niet te laat, en liggen we iets over tienen in bed. Het duurt wel even voordat ik werkelijk aan slapen kan gaan beginnen, want eerst moet ik er nog twee keer uit om de planken te verschuiven die mijn bedbodem vormen. Na wat heen en weer geschuif is de aanpassing zodanig dat ik kan liggen zonder dat een van de planken een ietwat comfortabele houding teveel belemmeren.
Om even voor half twee gaat het piepalarm van mijn horloge alweer af, en om twee uur staan we allemaal bij een van de jeeps te wachten tot we gaan vertrekken. Om voor mij onduidelijke redenen wordt het een ietsepietsje later, en de door Magdy beloofde thee gaat kennelijk niet door.
Om kwart over twee zijn we met de jeep op een plek aangekomen waar overduidelijk het startpunt is van de wandeling naar de top van de Jebel Musa. Dat kan echt niet missen, er staan al vele andere voertuigen geparkeerd, hele touringcars volgeladen komen soms aangereden met "Mozesbergbeklimmers".
We zijn lekker op tijd, maar dat is helaas tevergeefs omdat een van de deelnemers van ons groepje iets heeft vergeten. Hierdoor moet Magdy dat met de jeep gaan ophalen, en zo beginnen we een half uurtje later aan de wandeling.
Een lastig nadeel hiervan is dat zo ongeveer de hele meute van naar schatting vier- a vijfhonderd mensen voor ons uit loopt. In het begin merken we daar niks van omdat wij daar een kilometertje achter aan lopen. Magdy zet er vrij stevig de pas in, hij wil zeker wat van de verloren tijd inhalen... Het is ondanks een behoorlijke hoeveelheid maanlicht nog donker genoeg om goed te moeten opletten waar je loopt. Zeker omdat je hier per slot van rekening op onbekend terrein bent. Hoewel, wanneer we langs imposante hoge muren lopen, herken ik de contouren van het beroemde Catharina klooster. Die ken ik weliswaar alleen van
foto's, maar dit is een indrukwekkend gezicht. Het boezemt ontzag in, als de vesting van een machtig krijgsheer.
Niet lang na het klooster begint de werkelijke klim. We zien een lang lint van lichtjes traag omhoog kruipen: De Meute.
Het tempo van die meute mensen ligt heel laag, en is te vergelijken met dat van een stille rouwstoet. We proberen ons groepje bij elkaar te houden, maar dat wordt gaandeweg steeds moeilijker. Ik loop ergens voorop in ons groepje, en ondanks dat ik het vrij rustig aan doe passeer ik waar dat kan zoveel mogelijk mensen. Na een poosje, als de allertraagsten zijn gepasseerd, wordt het pad makkelijker begaanbaar, en er vallen steeds meer open gaten tussen de vele wandelaars.
De menigte klimmers is van een zeer bonte samenstelling. Jong en oud. Sterk en minder sterk. Lenig en minder lenig. Soms zie je een ouder iemand worden ondersteund door een jonger persoon, of zelfs langzaam en vastberaden op eigen kracht met behulp van een stok voortgaan. Omhoog, omhoog.
Behalve wandelaars lopen er ook veel kamelen met hun begeleiders, ik schat hun aantal op een gegeven moment in als pak 'm beet één kameel op tien wandelaars. En steeds hoor je de kamelendrijvers zachtjes en tot vervelens toe hetzelfde herhalen: "Kamehl? Kamehl...!? Zo te zien maken niet zo erg veel mensen gebruik van deze taxi naar boven. Ik vind het wel een beetje griezelig, die grote beesten die je soms rakelings in het halfduister stilletjes (!) passeren, maar ik troost mij met de gedachte dat die dieren daar allang aan gewend zijn.
Om de paar honderd meter komen we langs een theestalletje. Meestal stoppen we heel even om ons groepje te laten hergroeperen, slechts zelden stoppen we om werkelijk een glaasje thee te drinken. Ik denk dat dat te maken heeft met Magdy's gewijzigde beklimmingstactiek, veroorzaakt door onze vertraging bij de start.
Magdy heeft in de dagen voorafgaand van De Beklimming meerdere keren uitgeweid over hoe dit zou moeten gaan verlopen: op tijd vertrekken, rustig aan, af en toe een relaxte theestop, en ruimschoots voor zonsopgang op de top aanwezig zijn...
Zo te zien is Magdy's enige zorg nu vooral om op tijd, voor zonsopgang, boven te zijn.
Wanneer we op een punt aankomen dat het gemoedelijk omhoog slingerende en redelijk goede pad overgaat in een steiler stuk, deelt Magdy ons mede dat we nu goed op schema liggen. Sterker nog, we liggen er op voor! Dus hebben we alle gelegenheid om een wat langere stop te maken bij een theestalletje waar tevens het eindpunt is van de kamelen. Er liggen er tientallen van die beesten. Er wordt trouwens van de kamelentaxi's steeds meer gebruik gemaakt naarmate de klim vordert. De vermoeidheid van sommige beklimmers neemt op een gegeven moment dermate toe dat men toch tenslotte toegeeft aan het "Kamehl?".
Niet lang na deze theestop gaat het pad over in een in de rotsen uitgehouwen trap van wel zo'n 700 treden. Dat klinkt nogal veel, maar het is niet zo dat ik die treden tot aan de laatste toe ga aftellen. Integendeel, het loopt best wel prettig. Ik doe het heel rustig aan en loop voorop, met vlak achter mij Sander, en niet veel verder daarachter de rest.
Soms stop ik even. Niet zozeer om uit te rusten, maar om te genieten van de omgeving. De maan staat heel helder halfvol boven ons, en veel sterren zijn ook duidelijk te zien. Maar het mooiste is de oostelijke horizon, die heel langzaam een vage roodachtige gloed begint te tonen. De eerste voorbode dat de zon daar straks op zal gaan komen.
Sander merkt bij de eerste stop op dat hij dit een perfect tempo vindt, en ik kijk of anderen die mening ook delen. Zo te zien een stuk of vier, vijf. De overigen van ons groepje zijn met Magdy vrij ver teruggevallen.
Nogal plotseling kom ik op de top aan. Of liever gezegd bij de top, want het is er ontzettend druk. Ik was hierop voorbereid door het lezen van het stukje die mijn Lonely Planet gidsje hieraan heeft geweid, dus dat is geen verrassing. Ik kan mede hierdoor de drukte niet als storend opvatten, en dat is een groot voordeel. Mmmm, ik vind het geloof ik zelfs wel gezellig hierboven, en ik wurm mijzelf even door de massa mensen heen om mij wat te oriënteren.
Ik heb al heel gauw een heel mooi plekje gevonden vanwaar de zonsopgang prachtig, en in een redelijke rust kan worden gevolgd. Dat vinden Raymond, Bernadette en Sander ook, die zitten op dezelfde plek. Ronald en Cieleke zitten iets verderop.
Dit plekje ligt ongeveer vijf meter onder de werkelijke top, en daar is het zeer druk. Eigenlijk is er geen echte top, want de top is nogal groot en vrij vlak. Er staan zelfs twee bouwsels: een kapelletje en ja hoor, zelfs nog een theestalletje.
Het is fris, maar het valt toch wel mee met de temperatuur. Het is elf graden, zie ik op mijn sleutelhangertje. Maar omdat we vrij lang zouden stilzitten op de top, heb ik mijn voorzorgsmaatregelen getroffen. Vandaar dat ik voor deze gelegenheid twee extra shirts heb meegenomen in het rugzakje, die ik meteen maar aantrek nu ik nog warm ben van de klim. De handige col tover ik met het ingebouwde koordje om in een muts, die onder de capuchon van mijn dichtgeritste jack verdwijnt.
De lucht aan de horizon krijgt een steeds vuriger rode kleur, en we wachten met spanning op de zon. Om precies zes uur breekt het moment suprème aan. Het is een vrij steriele zonsopkomst, er zijn praktisch geen wolken. Slechts een dun reepje nevelsluiers vervagen het beeld de eerste minuten enigszins. Al vrij snel wint het zonlicht dusdanig aan kracht dat het te fel wordt om naar te kijken.
Dat is het moment om de blik af te wenden naar de andere kant. En dat is eigenlijk een veel groter spektakel dan het beeld wat zich zojuist in het oosten heeft vertoond. Het berglandschap in westelijke richtingen wat door het dieprode prille zonlicht wordt beschenen lijkt in lichterlaaie te staan...!
Deze kleuren doen denken aan de rode zandduinen van Sossusvlei in Namibië, of Ayers Rock in het hart van Australië. Gewoonweg fantastisch mooi.
Ik druk in vrij korte tijd een keer of zes op de knop van mijn camera. Volgens een ongeschreven wet in de fotografie schiet je de mooiste plaatjes 1 a 2 uur na zonsopgang of voor zonsondergang, en op momenten als deze weet je absoluut zeker dat daaraan niet hoeft te worden getwijfeld.
Het is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk om te zien dat het overgrote merendeel van de Mozesbergbeklimmers binnen een kwartier na zonsopgang alweer de terugtocht naar beneden aanvaarden, en ik vraag mij dan ook af of ze wel de andere kant hebben opgekeken. Kennelijk niet.
Wat mij ook opvalt, is dat er blijkbaar weinig mensen met religieuze motieven deze klim hebben gemaakt. Nee, dit zijn waarschijnlijk allemaal pure toeristen. En toch ongeveer net als ik. Hoewel, ik heb de Bijbelse geschiedenis toch wel even overdacht. Niet zozeer op de top, maar meer tijdens de klim. Je vraagt je toch af wat er in Mozes omging tijdens zijn klim.
Na een half uur is het een stuk rustiger geworden op de top van de Jebel Musa. Ik kuier op mijn gemak wat rond, en geniet simpelweg van het uitzicht. Het begint te waaien vanuit het westen, en in de luwte van het theetentje is het in het zonnetje prima uit te houden. De meeste reisgenoten hebben plaatsgenomen binnen in het theetentje, daar zal Magdy wel voor hebben gezorgd. Het is gezellig daarbinnen zo te zien. Ik kies ervoor om buiten te blijven met mijn glaasje thee, want dat uitzicht is veel te mooi.
Bij het hekje voor het kapelletje hangt de kartonnen uitvoering van de stenen tafelen met daarop de Tien Geboden. Er is een elfde gebod bijgeschreven: "Thou shalt not litter" - "Gij zult niet vervuilen". Gedoeld wordt op de vervuiling door toeristen van de Mozesberg met lege verpakkingen van etenswaren en mineraalwater.
Om zeven uur, een uur na zonsopgang, beginnen wij aan onze afdaling. Het is natuurlijk erg prettig dat de terugweg veel rustiger zal verlopen dan de heenweg, de meesten zijn al halverwege of misschien zelfs al beneden. Vooraf had ik mij al voorgenomen om niet dezelfde weg terug te gaan, maar te kiezen voor de lange trap van 3000 treden. Deze weg is weliswaar moeilijker, maar een stuk mooier, vooral omdat je daar een prachtig uitzicht hebt op het Catharina klooster.
Volgens Magdy is deze weg heel moeilijk en zwaar. Deze taxering zal vermoedelijk gelden voor de gemiddelde Baobab-reiziger, en dus niet voor mijzelf. De meesten gaan daarom ook met Magdy langs hetzelfde pad weer terug, en Sander, Bernadette, Raymond en Cieleke gaan met mij mee langs de trap.
Voordat ons groepje in tweeën wordt gesplitst dalen we de eerste honderd meter gezamenlijk af. Daar komen we wat monniken en nonnen tegen die op weg zijn naar boven. Natuurlijk, denk ik bij mezelf, zie je wel, ze zijn er toch. Degenen met voornamelijk religieuze beweegredenen kiezen ervoor om niet met de massa mee te gaan, maar in betrekkelijke rust de ervaring te ondergaan...
Nadat we een soort kamelenstation annex theestop zijn gepasseerd, lopen we onder een stenen boogje door en betreden de eerste treden van de trap. We zijn lang niet de enigen die deze weg gekozen hebben, maar toch is het er niet erg druk.
We doen het rustig aan, de treden zijn veelal ongelijk, soms moet je goed kijken waar de "ideale lijn" loopt. Een beetje creatief afdalen, daar hou ik wel van. Het is dan ook geen saai pad. Af en toe passeren we wat langzamere afdalers, zoals wat groepjes Aziaten. Op een gegeven moment komen we een oud Aziatisch dametje achter op die volgens mij zeker de zestig, en wellicht ook de zeventig, al ruimschoots is gepasseerd. Dat moesten de anderen, vooral Magdy, eens zien! Niks heel moeilijk en zwaar pad...
Als we om een soort bocht komen, zien we voor 't eerst het klooster liggen in de diepte. Inderdaad een mooi gezicht. Nog iets lager ga ik op een rotsblok zitten, en tuur wat door mijn verrekijker naar beneden. Daar speur ik naar reisgenoten die via het andere pad naar beneden zijn gegaan. Na een poosje zie ik ineens Marianne en Bepke. De rest krijg ik niet in mijn vizier.
Niet veel later lopen we langs de muren van het klooster. We zijn beneden. Om negen uur opent het klooster een aantal poortjes voor toeristen, en wij zijn ook van plan even een kijkje te gaan nemen.
Dat plan hebben ruim honderd andere toeristen ook, dus is het ook hier weer gezellig druk. Als wij aankomen bij de ingang, zijn de anderen er ook allemaal. Iedereen is gezond en wel weer beneden gekomen. We zullen morgen wel zien wat de schade is, denk ik, veel stijve ledematen...
Bij de ingang van de hoofdpoort staan mannen die erop toe moeten zien dat iedereen die naar binnen gaat, gepast gekleed is. Dus geen halfnaakte lichamen van brutale toeristen. Maar ook geen blote benen, en ook een enigszins gekleed bovenlichaam. Diegenen die met blote benen naar binnen gaan, worden zonder uitzondering voorzien van een lange doek die je om je heupen moet wikkelen om zo de benen te bedekken.
Je staat er nog van te kijken wat voor een idioten er bij de poort verschijnen om naar binnen te gaan. Zo af en toe zie ik vooral mannen met korte broekjes en weinig verhullende hemdjes, en zelfs komt er een snuiter met alleen een korte broek aan. Kan absoluut niet. Getuigd van zeer weinig respect voor de hier heersende waarden...
In het klooster is niet zo bar veel te zien vind ik. Er is maar een betrekkelijk klein gedeelte waar je mag komen. Misschien is het beter om, wanneer je echt interesse hebt, aan een door de monniken begeleide rondtour deel te nemen (als die bestaat?).
De publiekstrekkers worden gevormd door het interieur van de kapel, Het Bramenbosje, en in een ander gedeelte van het klooster, wat via een andere poort kan worden bereikt, een "knekelkelder", een lugubere verzameling beenderen van overleden monniken.
Omdat het nog even duurt voordat we naar de parkeerplaats gaan waar we weer worden opgehaald door Magdy met de jeep, beklim ik even een rotspartij tegenover het klooster, waar vanaf je een prachtig uitzicht hebt op het gehele klooster.
Sinai Kamelentrek
Rondom het middaguur vertrekken we met de jeep, de pick-up en de taxi vanaf het hotel, om naar een plek te rijden ergens in de woestijn waar de kamelentrek zal beginnen. Een eindje na de politiepost duikt de groene jeep weer op en wordt er weer overgestapt. Ik begrijp nog steeds niet veel van deze truc, maar ik meen dat er iets mis is met de rijbevoegdheid van de jeepchauffeur...?
De rit duurt gelukkig niet zo heel lang, en na een poosje rijden over zandvlaktes komen we aan op een hele mooie plek bij een klein zandduin met wat zandstenen formaties.
Vlak voordat we uitstappen gooi ik alvast mijn kleine rugzak naar buiten schuin achter de jeep. En net ben ik uit de jeep gesprongen, als de jeep weer in beweging komt, en eerst een klein stukje achteruit rijdt, om daarna een stukje verderop te parkeren. Ik roep een heel erg lelijk woord want volgens mij reed die vent daarnet over mijn rugzakje heen... ! Met daarin enkele breekbare zaken zoals mijn gewone bril, mijn walkman en mijn camera.
Gelukkig blijkt na een korte inspectie dat de jeep slechts over een schouderband is gereden. Pffffffffff........
Als ik van de schrik ben bekomen zie ik pas echt hoe mooi dit plekje is. Volgens Magdy is het zandduin goed te beklimmen via de niet zo steile achterkant, te bereiken langs een kleine route om de zandsteenrots heen. Vrijwel meteen volg ik zijn advies op, blij als ik toch wel weer ben mijn benen te kunnen strekken na de hobbelige rit door het zand.
Binnen tien minuten zit ik op de kam van het dertig meter hoge zandduin in het zonnetje te genieten van de omgeving. Als de meeste anderen eveneens verschijnen, daal ik met grote stappen via de steile kant weer af.
De eerstvolgende twee uurtjes brengen we voornamelijk door met nietsdoen. Beetje lezen, beetje walkman luisteren, praten, spulletjes op orde brengen.
Ik beklim nog even die mooie zandrots iets verderop. Daar vandaan heb je weer een mooi uitzicht op het zandduin en het kamp, beschenen door de zon die inmiddels ook alweer een stuk lager aan de horizon staat.
Onze laatste daad bij daglicht vandaag, is een korte wandeling naar de andere kant van de wadi, zoals een vallei wordt genoemd in het Arabisch. Daar komen we bij een echte bron aan. Door Ishmail, onze gids, wordt een emmertje water geput. Ik drink er van, een beetje gokkend op een gezonde zuiverheid. Het smaakt heel zacht, alsof je uit een glas drinkt waar zojuist eerst melk in heeft gezeten. Nu maar hopen dat ik er niet ziek van word.
De groep Bedoeienen die ons gaat begeleiden bestaat uit zes man, en er zijn acht kamelen beschikbaar. Ik ken ze niet allemaal van naam. Ze zijn zojuist wel aan ons voorgesteld maar ik ben de meeste namen al weer vergeten... Ik ken eigenlijk alleen onze gids van de wandeling, en de leider van deze groep heet Abdellah.
Het eten smaakt best, en na het eten is het nog lang gezellig rondom het kampvuur. Er is bijna altijd wel thee, en daar drinken we dan ook heel veel van.
Ikzelf drink dat met lekker veel suiker. Daar is meer dan genoeg van, want de Bedoeienen hebben diezelfde gewoonte.
Een van de Bedoeienen doet een poging om wat spulletjes te verhandelen. Wat snuisterijen zoals kettinkjes, hangertjes en mooie dwarsdoorsneden stenen. Maar ook hoofddoeken ("Arafat") en jallabya's, de bekende lange katoenen gewaden, meestal wit, die mannen dragen in veel Arabische landen. Arie toont wat lichte belangstelling, en in een mum van tijd is Arie getooid met een hoofddoek, en is een jallabya om zijn schouders gedrapeerd. Cieleke krijgt eveneens een doek om haar hoofd. Om de lol compleet te maken, wordt Arie voorzien van een zonnebril, en lijkt zo precies op een rijke oliesjeik.
Het is gezellig bij het kampvuur, en ik blijf vrij lang aanzitten. De plek die Sander en ik voor dit kamp hebben uitgezocht als slaapplaats, blijkt vlak naast het kampvuur te liggen, een beetje ongelukkig uitgekozen. De volgende keer zal ik er beter op letten dat we iets rustiger en minder in de weg zitten.
Het is overigens wel een van de betere plekjes, omdat het enigszins beschut ligt achter een paar rotsblokken en een doornbosje. Het waait een klein beetje, en zo liggen we precies goed voor een onbezorgde nachtrust. Ook de komende nacht slapen Sander en ik weer als enigen onder de blote hemel. De uitgespreide tent doet weer-dienst als royaal extra grondzeil.
We maken een klein foutje: we liggen verkeerd om met onze slaapzakken. We liggen met onze hoofden in de richting van de wind, en zo komt er een klein beetje tocht langs onze nekken in onze slaapzakken. Door wat dieper weg te duiken, en met wat aantrekken van een paar koordjes los ik dit probleem alsnog op. Ik hoop dat het vannacht niet harder gaat waaien....
De volgende morgen word ik al om 5 uur wakker. Ik blijf nog een half uurtje liggen. Enkele van onze Bedoeienenbegeleiders zijn al in de weer met water koken en deeg maken voor het verse brood wat ze straks zullen gaan bakken.
Ik heb mezelf gisteren voorgenomen om voor zonsopgang het zandduin te beklimmen, indien ik op tijd wakker zou worden. Dus dat doe ik dan ook. Ik beklim het duin deze keer van de steile kant, de meest direkte weg.
Ik doe het in een vrij stevig tempo, wat in het begin al vrij snel erg zwaar is. Het laatste stuk wijk ik een stukje naar links uit, daar is het zand voorzien van een dunne harde zandkorst, en daar gaat het lopen wat gemakkelijker indien ik mijn voeten zo plat mogelijk neerzet. Wanneer ik na twee minuten boven kom, ben ik net niet buiten adem. Met een zere keel van het hijgen plof ik wijdbeens bovenop de richel neer.
Het is een grappig gezicht om te zien dat de meesten nog in hun slaapzakken liggen, sommigen slapen misschien zelfs nog. Nadat de zon is opgekomen wacht ik tot ik het lekker warm heb gekregen, en alle anderen ook zijn opgestaan. Dan ren ik met grote stappen naar beneden.
Vandaag gaat het dan echt gebeuren. Het trekken door de woestijn, te voet. Met onze Bedoeienen en hun kamelen vormen we een "echte" kleine karavaan. Met enige spanning volgen we het beladen van de kamelen. Gaat al die rommel met die acht kamelen mee? Hoe zullen ze mijn spullen opladen, doen ze er wel voorzichtig mee?
We vertrekken iets eerder dan de kamelen en hun begeleiders. We zijn al aardig vroeg op weg, maar al gauw begin ik ontzettend te zweten. Moet ik nog wat wennen? Ik loop ook al gauw achteraan, maar dat komt meer doordat ik soms even stilsta om een foto te maken of op mijn gemak om me heen te kijken. Tevens krijg ik op deze manier de gelegenheid om de rust van de woestijn in mij op te nemen. Als je tussen alle anderen loopt is daar geen mogelijkheid toe, iedereen is druk met elkaar in gesprek.
Ergens in een soort kleine inham van een grote wadi is onze lunchplek. We zien hier tevens onze kamelen weer terug, ze komen een kwartier na ons aanlopen. Ze hebben een meer direkte route gelopen, wij zijn in een soort halve cirkel hier naartoe gewandeld. Een handig systeem, zo zou het de komende dagen ook veelal worden uitgevoerd.
Tijdens de stops, zoals bij de lunch, is het zaak om een lekker plekje in de schaduw te zoeken, want de zon brandt onbarmhartig. Het is niet zozeer bloedheet, maar de straling van de zon maakt dat je haast instinctief de zon vermijden wilt.
Het terrein waar we overheen lopen is afwisselend, net zoals met de wandelingen die we tijdens de tweedaagse jeepsafari maakten. Het is vaak voortdurend zoeken naar een harder gedeelte van de zandvlakte. Meestal is dat wel te vinden, maar soms moet je een heel stuk door mul zand. Het lekkerst loopt het natuurlijk over rotsachtige bodem, of over ietwat aangestampte kiezelvlaktes.
Na de lunch komen we door een soort licht oplopende zandgeul, die aan de bovenkant uitkomt op een schitterende vlakte. Links verrijst er een zeer imposante wand van zandsteen van wel een meter of tachtig hoog, en in de verte zijn wat kleinere zandsteenformaties te zien.
Ik blijf even stilstaan, en kijk toe hoe mijn reisgenoten verder trekken richting de zandsteenwand. Nu pas zie ik echt goed hoe indrukwekkend deze wand is.
Vlakbij de wand rusten we even uit bij een van de kleinere rotsen, die een aantal van ons ook even beklimmen.
Ik hoor Arie schreeuwen, hij probeert de echo uit. Nou, zo te horen galmt het behoorlijk hier, wat een kabaal!
Ons kamp voor vandaag is een paar kilometer verderop gelegen. Wandelend tussen nog een aantal zandsteenformaties, en door veel plekken mul zand, komen we op een grote zandvlakte die voor mijn gevoel wat hoger ligt dan waar we tot nu toe hebben gelopen.
Opeens zijn we allemaal aan het hout sprokkelen. Het is verbazingwekkend hoeveel kleine dode takken er verspreid liggen in de woestijn. Soms ligt er echter niet zo heel veel, en plukken we van een van de meestal in ruime getale aanwezige bosjes wat dood hout. Er is echt altijd genoeg, en volgens Magdy - en de Bedoeienen - is er sowieso in de Sinai genoeg brandhout, omdat er zo weinig mensen wonen, en er in deze woestijn nog behoorlijk wat groeit, en soms bloeit! Ik vraag me alleen wel af of dat straks niet eens zal veranderen met al die toeristen hier, het toerisme is de laatste jaren enorm toegenomen.
We komen de sporen van onze kamelen tegen, en weldra zien we ze ook ergens aan de rand van de vlakte. Daar slaan we bij zandrotsen ons kamp op. Er is een soort kleine geul in de rotsen gesleten, die kan prima dienen als plek om beschutting te zoeken tegen de zon. We drinken sloten thee, en het kamp wordt ingericht. Wederom zetten Sander en ik onze tent niet op.
Wanneer het donker begint te worden, komt vlak nadat de zon net is ondergegaan de maan op. Volle maan vannacht!
Dat het hier iets hoger is gelegen, is te merken aan de temperatuur, want het lijkt wel een ietsje kouder.
De omgeving wordt door het felle maanlicht prachtig verlicht, maar er zijn weinig of geen vallende sterren te zien. Tja, je kunt niet alles hebben...
De volgende morgen vertelt Sander mij dat hij 's nachts iets heeft zien rondsprinten bij ons hoofdeind. Waarempel zie ik wat verse sporen in het zand; gelukkig lijken het geen slangensporen te zijn.
Dan zie ik een grote kever; misschien zijn daar de sporen van?
We gaan op weg om de Jebel El Barga te beklimmen. Dat schijnt NIET de berg te zijn die in de reisbeschrijving van Baobab wordt genoemd, dus we hoeven niet het laatste stuk met een touw omhoog te klimmen. Een paar dagen geleden, in Catharina, op de avond voor de beklimming van de Mozesberg, heb ik met Magdy daar een verwarrende discussie over gehad. Volgens hem zijn er twee bergen in de Sinai met min of meer dezelfde naam, alleen spreek je ze net iets anders uit of zo. In ieder geval, de berg uit de reisbeschrijving zit niet meer in het programma, want die was opgenomen in de NORMALE variant van de woestijntrek. Wat wij nu aan het doen zijn, is de ZWAARDERE variant - in de beschrijving wordt gesteld dat in goed overleg voor een iets zwaardere, maar mooiere route kan worden gekozen. Volgens Magdy is de reisbeschrijving dan ook niet meer up-to-date.
We lopen eerst een stukje om de berg heen, en beginnen aan de achterkant aan de klim. Aanvankelijk lopen we over een soort paadje, maar al vrij snel moeten we ons een weg banen door een met kleine en grote rotsblokken bezaaide helling. Het tempo ligt niet hoog, en ik loop iets voor het midden van de groep. Nadat we een pauze hebben gehad, loop ik wat meer achteraan. Sommigen hebben het een klein beetje moeilijk, en samen met Arie hou ik een oogje in het zeil.
We komen op een plateau, en houden daar nog een keer een pauze. Ik zweet weer behoorlijk, het is warm om zo in de volle zon te klimmen, ondanks dat ik het tot nu toe rustig aan gedaan heb.
Ik verbaas mij er iedere keer weer over hoe het toch kan dat sommigen niet of nauwelijks enige vorm van transpiratie schijnen te hebben, want ik zie bij enkelen T-shirts en overhemdjes die nog zo goed als droog zijn...!? En dat terwijl mijn shirt zo ongeveer drijfnat is...
Na deze laatste pauze komen we via een grote drempel op een veel groter plateau, en krijgen zicht op de werkelijke top van de berg, die als een mooie piramide van puin naar de hemel wijst.
Via wat losliggende puinheuveltjes komen bij een vaag soort gravelpad wat aardig steil omhooggaat. Dat is echt het allerlaatste stukje, nog een meter of dertig aan hoogtemeters.
Als ik in een ietwat verhoogd tempo vlotjes het pad omhoog loop, hoor ik achter mij geluiden van reisgenoten die het toch wel een klein beetje eng vinden, dit pad.
Toch komt iedereen bovenop de top, waar het uitzicht uiteraard fantastisch is! In feite is de kans dat je geen mooi uitzicht hebt erg klein hier in de woestijn, waar het eigenlijk altijd wel mooi weer en dus zeer helder is vanwege de zeer droge lucht.
Het is een beetje jammer dat we vanaf deze top geen uitzicht hebben op de Golf van Aqaba, zoals Magdy - die geen zin had in deze klim - beneden had "beloofd". Het is onmogelijk om de zee te zien vanwege de vele bergtopjes die een vrij uitzicht naar de zee belemmeren.
We kunnen wel heel goed het massief zien van de Catharina- en de Mozesberg, hoewel het gissen is wat nu welke top is, zelfs met de verrekijker.
We blijven ongeveer een half uur op de top, en het is bijna altijd jammer om weer de afdaling te moeten aanvaarden. Maar we hebben vandaag nog meer te doen, want er volgt vanmiddag nog een wandeling naar het volgende kamp.
Vlak voor we aan de afdaling beginnen, hoor ik Raymond roepen dat wie een slang wil zien, even bij hem moet komen. Snel kijk ik zijn richting uit, en zie daar inderdaad iets kronkelen.
Als ik bij hem kom, is de slang alweer verdwenen, en dat is misschien maar goed ook, je weet maar nooit. Volgens Raymond was het er eentje van een meter of anderhalf, twee. Hij weet niet wat voor soort. Het kan een adder geweest zijn, of een cobra, die komen hier het meest voor.
Het terrein is in het begin van de afdaling vergelijkbaar met het rotsblokkenveld van de beklimming. Zoals altijd is het afdalen een stuk lastiger dan het klimmen, bij twee passages moeten we zelfs even op ons achterste een stukje behoedzaam naar beneden schuiven.
Het grootste deel van de afdaling echter is erg gemakkelijk, want die voert langs een groot stuk zandhelling, die als een soort gletsjer vanaf de berg naar beneden lijkt te glijden. Dit was de "verrassing" die Magdy ons beloofd had. Ik ga als een van de laatsten het duin af, ik wil zo lang mogelijk genieten van het uitzicht en van het vreemde gevoel dat je deze zeer prettige afdaling in het vooruitzicht hebt...
Met grote stappen ren ik al "maandansend" het duin af, schitterend, het is net of ik het klimduin van Schoorl drie keer achter elkaar doe!
Na een korte pauze aan de voet van het zand/klimduin lopen we het korte stukje naar het kamp. Ik bedenk me dat we eigenlijk de ultieme beklimming hebben uitgevoerd. We zijn welbeschouwd gewoon over de Jebel El Barga heengelopen, aan de ene kant omhoog, aan de andere kant er weer af.
Was de "Jebel El Barga Experience" al een indrukwekkend begin van deze dag, het vervolg is zeker van een gelijk gehalte.
We lopen eerst over de grote zandvlakte, en slaan na een poosje rechtsaf. Na een kleine stijging komen we bij het tweede zandduin van vandaag, alleen is dit duin nog veel groter. Maar liefst anderhalve kilometer lang volgens de reisbeschrijving en Magdy. Dat klopt wel, zie ik, wanneer ik boven op de kam sta. De klim naar de kam is erg gemakkelijk omdat we al op hoogte lopen, het is een klimmetje van slechts twintig meter. Het "eigenlijke pad" vervolgt zich in een licht dalende lijn rechts van mij, en ik ben zeer verbaasd als blijkt dat slechts vier reisgenoten mijn voorbeeld volgen om een stukje over de kam te lopen.
Ik had mij allang voorgenomen om dit te doen - hoe zwaar ook. En als het dan toch zo gemakkelijk is als nu...? Het uitzicht is fantastisch, maar wat het meeste telt, is de pure ervaring van het belopen van deze enorme zandmassa. Smetteloos, geen voetstap te zien, elke aantasting weggevaagd door de wind.
Mijn medeklimmers genieten zo te zien ook, vooral Betsy, die al gauw uit beeld verdwijnt waar de kam weer steil naar beneden lijkt te gaan. Even later zie ik haar weer, ze loopt weer,terug om de kam nog een keer in de volle lengte te belopen.
De afdaling lijkt sterk op de afdaling van de berg vanmorgen, met dat verschil dat er meer stenen tussen het zand liggen. Het laatste stuk gaat heel steil, en weer draaf ik met grote stappen naar beneden.
En ook daar nemen we weer een pauze, we wachten even op de kamelen. Het is een leuk gezicht om onze kleine karavaan zo te zien afdalen. Al is hun route minder steil dan de onze, je kunt goed zien dat de beesten zo'n beetje aan de limiet van hun (daal)vermogen zitten. Gelukkig gaat het goed, al rammelt er soms een stuk bagage af van de hevig schommelende kamelenlijven.
Het is nog maar een paar kilometer tot aan ons volgende kamp, en dat traject voert ons door een prachtige kloof. Doordat het inmiddels later in de middag is geworden, schijnt er prachtig rood-oranje licht doorheen.
Bij het opzetten van het kamp is het een beetje een vreemde gewaarwording als ik in de verte een bus zie rijden. Het blijkt dat we hier op slechts een kilometer of zo van een weg af zitten.
's Avonds na het eten worden we vermaakt door Arie, die een Masai-dans voor ons opvoert. Erg komisch, en volgens mij zeker voor onze Bedoeienen-begeleiders. De act wordt nog iets versterkt doordat een aantal van ons op-aangeven van Arie ritmisch mee-neurien. Het klinkt net echt, maar dat kan ook komen door de whisky, eveneens verzorgd door Arie.
En zo komt aan de wat mij betreft meest bijzondere dag tot nu toe een einde.
De volgende dag lopen we het langste traject van de gehele kamelentrek in de woestijn. Niet lang na het vertrek wachten we bij een strategisch punt op de kamelenkaravaan, om ze bij de passage uitgebreid te kunnen fotograferen. Er  zouden vandaag nog meer gelegenheden van een iets spontanere aard voorkomen om eens rustig wat mooie plaatjes te schieten.
We lunchen op een mooie maar niet zo gunstige plek, want we zitten in de volle zon. Waarschijnlijk is dit de warmste lunchplek van de trek geweest...
Gelukkig blijven we daar niet zo lang, want we maken eerst zonder bagage even een kort uitstapje naar een smalle kloof vlakbij. De kloof loopt op een gegeven moment dood, en we komen uit bij een modderig poeltje water. Ik speur of ik een teken van leven kan ontwaren, maar ik zie aanvankelijk slechts kleine kriebelende beestjes en wat dode wespen. Dan zie ik in een heel kort moment een soort schorpioen-achtig beest van zo'n zeven centimeter lengte, heel griezelig. Ja, je tal maar een ontzettende dorst hebben...!? Het is dus letterlijk een poel(tje) des verderfs…
Als we terugkomen bij de lunchplek kunnen we nog juist het bakken van het brood meemaken, en ik leg dit nu eens eindelijk op beeld vast.
Na de lunch volgt er vooral voor de kamelen een lastige steile passage, en komen we uit op een enorme vlakte, waar we ruim anderhalf uur overheen lopen. Deze ervaring is "The Real Thing", dit benadert het meest het daadwerkelijke gevoel dat je in een desolaat, uitgestrekt en van de bewoonde wereld afgezonderd gebied trekt.
Na een van de pauzes raken we achterop bij de kamelenstoet, en zien we ze in de verte langzaam uit beeld verdwijnen.
We komen uit bij een weg, en voor het eerst sinds dagen steken we weer eens een weg over, wat een beetje vreemd is. Aan de overkant zie ik tussen zandsteenheuvels de karavaan lopen, maar Magdy weet kennlijk niet zeker waar ze zijn heengegaan. Volgens mij weet Arie het wel, hij loopt voorop. Magdy roept Arie toe dat hij verkeerd gaat, maar Arie is overtuigd van de richting, evenals ik. Dan ziet Magdy het ook opeens. Toch typisch dat je in zo'n betrekkelijk leeg landschap een kamelenkaravaan zomaar uit het oog kan verliezen.
Ook ons kamp van vandaag slaan we niet ver van de weg op, maar de zandsteenheuvels waar we vanaf de weg een stukje tussendoor zijn geslingerd geven het idee dat we weer ver van de beschaving kamperen.
Het waait een beetje, windkracht 3 a 4. Nadat de zon is verdwenen koelt het behoorlijk af, en is het zaak je redelijk goed aan te kleden. Op mijn thermometertje lees ik een temperatuur af van een graad of 14. "Koud".
Voor het eerst tijdens de trek besluiten Sander en ik om - nog voor de duisternis valt - de tent maar op te zetten tegen de kou. Het is vooral prettig om even in de tent beschutting te zoeken tot het avondeten.
De Bedoeienen bouwen van al het materiaal dat de karavaan bevat een muurtje in de vorm van een kraal wat hen beschermt tegen de wind, en daar binnenin brandt het kampvuur. Dat is echt nodig, want het is anders te koud om lang zo te blijven zitten. Er wordt deze avond dan ook niet lang na-gezeten na het avondeten...
De volgende morgen nemen we vlak na het ontbijt alvast afscheid van de meeste Bedoeienen, die op deze laatste trekdag met een paar kamelen alvast huiswaarts keren - een behoorlijk deel van de bagage is inmiddels opgegeten en opgedronken. Het afscheid is hartelijk, ondanks het feit dat we elkaar maar sinds enkele dagen hebben leren kennen is er een leuke band ontstaan.
Bijzonder is de band die tussen Arie en Saleh is ontstaan, al vrij snel was duidelijk dat het goed klikte tussen die twee. Ik vond dat het de afgelopen dagen als een soort rode draad door de woestijntrek liep.
Er worden door enkele reisgenoten wat kadootjes overhandigd waar onze Bedoeienenvrienden een beetje mee in verlegenheid worden gebracht maar toch blij mee zijn. Arie geeft Saleh zijn zonnebril.
Na dit afscheid beginnen we aan de Laatste Wandeling. Het zou weer een hele bijzondere en mooie etappe worden.
Het begin is al meteen heel spectaculair, we klimmen in een zandsteenkloof steil omhoog, niet een kleine passage waar een goede tredzekerheid zeer welkom is. Via een drempel in de kloof komen we boven en betreden we een mooie hoge vlakte.
Daar lopen we niet zo heel lang overheen, want we duiken in een van de andere smalle kloven, die als scheuren door de vlakte lopen, weer naar beneden. Dat gebeurt dus niet bij de plek waar we eerst even wat lacherig in zo'n scheur naar beneden turen - "No Way", hier kun je zonder touwen en haken niet in afdalen...! Nee, er wordt een "gemakkelijkere" plaats gekozen waar we naar beneden kunnen. Nou, dat is ook niet echt simpel, we moeten eerst drie meter op ons achterwerk over de kloofrand naar beneden schuiven. Ik kan mij voorstellen dat er best wel enkele reisgenoten tussen zitten die dit eng vinden.
De kloof is "slechts" twintig meter diep, en als we op de zandbodem staan laat onze Bedoeienengids Suleyman nog even zien dat wij de "65+ route" hebben genomen. Behendig als Spiderman daalt hij in een smalle spleet op blote voeten in de kloof af.
Het lopen in deze smalle kloof is echt heel bijzonder, ik heb nog nooit in zo'n smalle kloof gelopen. Na een paar honderd meter echter wordt de kloof nog veel smaller. We moeten hier via de lastigste passage van deze dag nog een stukje zittend naar beneden glijden, en dan volgt er een stukje kloof van een meter breed, echt waar! Niet te geloven, als je tamelijk fors geschapen bent kom je hier niet doorheen... Stel je voor, dan moet je terug met dat zware lijf, en moet je maar weer zien dat je hieruit komt...!
De kloof wordt later weer breder, maar veel breder dan een metertje of dertig wordt hij niet. We lopen nog een kilometer door en moeten dan weer een korte klim maken.
Als we boven zijn rusten we even uit, en kunnen vanaf dat punt in de verte een oase zien: Ain Hudra.
In Ain Hudra nemen we plaats in de tuin van de sjeik, en gebruiken daar de lunch. Er staat een briesje wind, en het voelt zowaar fris aan. En dat midden op de dag! Ik trek zelfs mijn fleece-vest aan.
Er duiken een aantal vrouwen en meisjes met de bekende snuisterijen op in de tuin, vlakbij waar wij hebben plaatsgenomen. Het is niet te geloven dat zelfs op de meest afgelegen plekken dit ritueel zich steeds weer herhaalt. Zelfs een paar dagen geleden, toen wij midden in de woestijn werden gedropt, zaten er daar
twee, drie dametjes met kettinkjes, kameeltjes, sierkleedjes enzovoorts... Ik neem er echt even mijn gemak van, en ik vermaak mezelf behalve met het nuttigen van de lunch met lezen en wat babbelen. Magdy vertelt over de pracht van de woestijn ten noorden en westen van Cairo, richting Alexandrie. Dat doet hij met zulk een enthousiasme dat dit aanstekelijk lijkt te werken op een groot deel van de groep, als het zou kunnen zouden er wellicht enkelen al ter plekke tot boeking van een dergelijke reis naar door die door Magdy in superlatieven besproken omgeving overgaan...! En ik moet zeggen dat het mij ook wel trekt, alleen niet zo snel na deze Sinai-reis. Misschien over een jaar of drie bijvoorbeeld.
Zonder de eigenaar van deze prachtige lunchplek, de Sjeikh, te hebben gezien, hij zou ergens aan de kust verblijven, Vervolgen we onze tocht van deze dag. Nog een paar uurtjes lopen, en dan zitten de wandelingen er op...
Deze "laatste loodjes" van de woestijnwandelingen blijken zowaar nog de zwaarste te zijn ook. Vooral de aller-allerlaatste kilometers zijn vrij lastig.
Voordat we daar aan beginnen lopen we door een paar rijen zandduinen waar we wat hout sprokkelen. Dan lopen we wat onhandig met onze handen vol met takken en twijgjes een stukje naar beneden, en betreden een grindvlakte. Normaal gesproken is het niet zo ver meer lopen vanaf het moment dat er wordt begonnen met sprokkelen, maar dit maal is het nog zeker twee kilometer lopen door fijn grind waar je soms diep in wegzakt. Sommige grindstukken zijn wat steviger, maar zo ongeveer overal is de grindgrond losgewoeld door talloze jeepsporen, het loopt echt heel erg vervelend.
Ik ben dan ook blij als we eindelijk bij de plek aankomen waar we ons laatste woestijnkamp gaan opslaan. Een beetje een vreemd einde van de woestijntrek, ik had mij dat toch iets anders voorgesteld...
Tot onze verrassing worden we in het kamp verwelkomt door een bijna voltallige Bedoeienenstaf, kennelijk waarderen ze het (weliswaar kortstondige) kontakt met ons dermate, dat ze er nog een avondje aan vastknopen. Ook voor deze komende nacht besluiten Sander en ik de tent weer op te zetten, het lijkt erop dat het weer net zo fris wordt als de afgelopen nacht. In elk geval waait hier zo ongeveer hetzelfde frisse windje...
Ons laatste avondmaal in de open woestijnlucht wordt een waar feestmaal, want er staat vis op het menu - vers uit Nuweiba! Aanvankelijk sta ik niet bepaald te juichen, ik ben geen visliefhebber, maar tijdens de eerste hapjes van mijn eerste vis moet ik mijn mening drastisch bijstellen, het smaakt uitstekend! Er is meer dan genoeg vis, ik eet twee vrij grote stukken.
Leuk is dat de Sjeikh van onze lunchplek van vanmiddag ook even ons kamp met een bezoekje vereert. Hij eet zelfs met ons mee.
Helaas-is het ook deze avond vanwege de kou niet zo prettig nazitten, maar een prima kampvuur maakt het wat draaglijker. Daarbij kruipen we in een kleine kring vrij dicht tegen elkaar aan, en dat houdt de warmte nog wat beter vast.
Het hoogtepunt van deze avond is het onverwachte moment dat Magdy een soort van evaluatie gaat houden van de reis tot nu toe. Een reis die al weer bijna ten, einde begint te raken. Magdy vraagt eerst aan iedereen persoonlijk naar zijn of haar mening. Zoals verwacht laat iedereen zich in positieve bewoordingen uit: Dan neemt Magdy een beetje plechtig het woord, en vertelt heel oprecht dat hij het ook erg naar zijn zin gehad heeft met deze groep. Hij zet zijn woorden kracht bij met behulp van een aantal kleine kadootjes. Een ieder wordt voorzien van een scarabee van turkoois en een "kitsch-kameeltje", en de dames en heren krijgen respectievelijk een echt lederen dames- en herenportemonnee. Vooral onder deze omstandigheden doet dit allemaal erg aandoenlijk aan, en ik ben er echt een beetje beduusd van. Met licht vochtige ogen zit ik - gelukkig in het donker, een beetje aan de buitenkant van de kring rond het vuur - met mijn kadootjes op mijn vouwkrukje.
De volgende morgen doen we het vrij rustig aan, want we hoeven slechts met de bekende jeeps naar Nuweiba te rijden. De twee Landcruisers waren er gisteravond al, en de pick-up verschijnt al vroeg in de morgen.
Na het definitieve afscheid van onze karavaan rijden we richting oost, naar de kust bij de Golf van Aqaba. Het is een mooie rit die niet zo lang duurt.
Als een van de eersten zie ik de zee, een mooi moment. Niet lang daarna rijden we Nuweiba binnen. Het eerste wat mij opvalt is dat het er een ontzettende gore bende is. Dit valt des te meer op omdat wij een aantal dagen in een betrekkelijk ongerepte natuur hebben gebivakkeerd. Het is net of de mensen hier op een grote vuilnisbelt wonen. Nu ben ik onderhand al heel wat gewend, na diverse malen in Derde Wereld-landen te zijn geweest, maar zo'n puinhoop heb ik zelden gezien... Jammer, het doet afbreuk aan hetgeen ik voor ogen had: een rustig, lieflijk en paradijselijk plekje aan de Rode Zee.
We stoppen in Nuweiba eerst even bij het huis van de "jeep-hoofdman", we zijn uitgenodigd om een glaasje thee te komen drinken. Het huis is zeer eenvoudig, hoewel deze man mij een vooraanstaand persoon lijkt. De vloer van het huis bestaat voor het grootste deel uit gewone zandgrond, tapijt ligt er nergens. Slechts ongeveer de helft van het huis is voorzien van een dak. Er is wel elektriciteit, er staan een wasmachine en een koelkast. Een radio en tv zullen ook wel ergens een plekje hebben.
We zitten met z'n allen op de grond, in het zand, in de serre zullen we maar zeggen. Ik kan er geen wijs uit worden hoeveel mensen er in dit huis wonen, en wie van de plusminus tien mensen die steeds door het huis heen en weer lopen hier nu werkelijk horen.
In het huis wonen ook zo'n driehonderd vliegen, die onophoudelijk om je heen zoemen, vooral als de zoete thee wordt geserveerd...
Na een uurtje stappen we weer in de jeeps, en rijden een paar kilometer noordwaarts, op weg naar het hotel aan het strand. Nuweiba is een vrij grote plaats, althans wat oppervlakte betreft, maar ruimte hebben ze hier genoeg. We komen langs de haven, maar vanuit de jeep kan ik helaas weinig of niets hiervan zien, en we stoppen niet eventjes. Jammer. Ach, daar kan ik later nog wel even heenlopen, denk ik. Het is echter nog een aardig eindje voordat we bij het hotel komen, dus die gedachte laat ik voorlopig maar even varen.
Vond ik het in deze omgeving bij het aankomen in Nuweiba al een grote puinhoop, wat we onderweg naar het hotel aan vuil langs de weg en in het landschap rondom ons zien liggen, vormt helaas de overtreffende trap, niet te geloven wat een bende...
Of het nu komt door deze specifieke ervaring weet ik niet zeker, feit is dat ik mij over de kwaliteit van het hotel al bij voorbaat geen illusies maak.
Aangekomen bij het hotel, betreden we via een nette maar informele receptie een vrij goed onderhouden tuin, waar op regelmatige afstanden van elkaar verspreid enkele tientallen vakantiehuisjes staan. Ziet er prima uit, maar ik wacht nog even met het vellen van een oordeel totdat ik de binnenkant van het huisje zie wat ik met Sander moet gaan delen.
Nou, dat ziet er ook helemaal niet verkeerd uit. Netjes, alles aanwezig, goede badkamer, lampen die het allemaal doen, goede bedden. Het enige wat er aan blijkt te mankeren is de watervoorziening, merk ik wanneer ik na Sander gebruik wil gaan maken van de douche. Het water is op, en de kranen laten ook gedurende enkele uren daarna slechts een vaag gorgelen horen...
Dan maar naar het strand. Ik wil toch wel even het woestijnzweet van mij afspoelen. Lopend door de tuin bemerk ik dat het behoorlijk stinkt. Een vieze rioollucht lijkt te komen vanonder diverse putdeksels, waarvan er eentje is gesitueerd vlak naast onze voordeur. Als we daar maar geen last van krijgen...
Het strand is van een redelijke kwaliteit, in elk geval schoon genoeg. Er staan een ruim aantal houten ligbanken welke door Magdy al zijn voorzien van kussens. Er zijn nog niet veel medereizigers aanwezig.
Al spoedig begeef ik mijzelf in het water, dat aangenaam van temperatuur is. Natuurlijk niet meer zo warm als in augustus, ik schat een graad of tweeentwintig. Fris van lichaam maar ook van geest kom ik na tien minuten het water weer uit, en dood de rest van de tijd met lezen, muziek luisteren en gewoon lekker luieren in de zon. Af en toe bestel ik een drankje bij een ober die hier op het strand bedient, wat ik toch wel weer een vreemd contrast vind. Een soort misplaatste luxe, niet geheel passend in de sfeer van de reis tot nu toe. Ik stoor mij er echter geenszins aan, integendeel, het is wel prima zo!
Samen met Magdy vaar ik een heel klein eindje de zee op met een krot van een waterfiets waarvan het roer slechts een kant op lijkt te kunnen, zodat het automatisch een rondje wordt. Magdy bemant het roer, en hij slaagt er in om het vaartuig dwars over het koraalrif vlak voor het hotelstrand te sturen. Er staat een vrij woelige zee vandaag, hierdoor valt er niks te zien onder de boot.
Jammer, ik hoop wel dat het morgen rustiger is, want dan wil ik gaan snorkelen. De Rode Zee is immers wereldberoemd om haar fantastische onderwaterwereld.
Vanaf het strand is heel duidelijk de overkant te zien: het Arabisch Schiereiland, oftewel Saudi Arabie. De Golf van Aqaba is hier maar zo'n twintig kilometer breed.
We gebruiken de lunch in het hotelrestaurant vlak bij het strand. Het doet een stuk sjieker aan dan je van buiten zou verwachten. Er loopt een behoorlijke hoeveelheid personeel rond in vrij smetteloze witte overhemden en keurig in de vouw zittende zwarte pantalons. "Echte" obers aldus. De zaal is vrij groot, en met ons groepje van een man of tien zijn wij zo ongeveer de enigen op dit moment. Zou dat altijd zo zijn? Ik voel mij hier niet helemaal op mijn gemak,. ik ben het zeker de afgelopen tijd een stuk informeler gewend...
Een blik op de menukaart leert dat het hier naar Egyptische maatstaven althans nogal prijzig is. Er staan onder andere een aantal schoftig dure flessen wijn op de menukaart. Veel honger heb ik niet, en ik bestel dan ook wat eenvoudigs, zoals de meesten overigens. De fles wijn laat ik ook maar achterwege.
Een van de obers denkt ons een groot plezier te doen door de airco aan te zetten, maar aangezien een van de airco-units vlak achter onze tafel is opgehangen en tegen ons aanblaast, zitten sommigen te rillen aan tafel...
En zo warm is het in deze tijd van het jaar toch ook niet meer...
Na de lunch, die trouwens goed smaakte. nemen we weer plaats op "ons" stukje strand bij de ligbanken. Een stukje strand wat door mensen van het hotelpersoneel speciaal voor ons lijkt te zijn gereserveerd. Daar heeft Magdy weer voor gezorgd, die blijft maar voor de ideale reisleider, pardon gastheer spelen.
Sander heeft vanuit Nederland een geleende duikbril meegenomen, welke ik even mag proberen, nieuwsgierig als ik toch wel ben naar wat er hier onder water te zien valt. Ik heb geen zin om tot morgen te wachten.
Ik zwem eerst wat rond in de buurt van de vloedlijn, om weer wat te wennen, het is al weer een paar jaar geleden dat ik gesnorkeld heb. Dat was in 1990, op het eiland Flores in Indonesie.
Aanvankelijk zie ik slechts veel stenen en hier en daar een miezerig grijsachtig visje, maar even later zie ik ook zeesterren, een paar rode anemonen en een stel zwarte zee-egels met hele lange vervaarlijke stekels. Oppassen dus! Ik ben meteen blij dat ik mijn sandalen aan heb, en ik weet zeker dat ik morgen ook zwemvliezen huur! Vanwege de ietwat woelige zee zwem ik maar niet naar het "huisrif ".
's Avonds gaan we uit eten in het toeristisch gedeelte van Nuweiba, wat ik Nuweiba-Noord noem. En met het toeristisch gehalte vind ik het welbeschouwd nog wel meevallen. Oke, er zijn een aantal bontversierde eettenten met terras, en een vrij groot aantal souvenirshops, maar het is allemaal kleinschalig. Ik vind het een gezellige boel hier. Het doet relaxed aan, wat misschien ook wel komt doordat het niet erg druk is met toeristen nu. Ik heb van Magdy al begrepen dat de drukste tijd achter de rug is, wanneer vooral veel Israeli's hier vakantie komen vieren. De stranden van Egypte zijn veel goedkoper dan de stranden van Eilat.
Het etablissement wat Magdy voor ons heeft uitgekozen heet Dokter Shish Kebab, het ziet er heel "echt" uit. Een beetje toeristisch, maar toch vooral Egyptisch. De witte muren zijn hier en daar wild beschilderd, en de muziek is goed. Omdat het een beetje winderig is gaan we niet helemaal op het terras zitten, maar nemen plaats "half binnen". Gelukkig is het in Nuweiba niet zo koud als de afgelopen twee nachten in de woestijn.
Binnen niet al te lange tijd ben ik er achter wie Dr. Shish Kebab is. Het is de man wiens portret in drievoud aan de muur bij de keuken hangt. Hij lijkt wat op Muhammad Ali van een jaar of vijftien terug, en zo loopt en gedraagt hij zich ook. De man zal vast ooit wel een bepaalde en wellicht vooraanstaande rol hebben gespeeld in de Egpytische samenleving, en leidt nu een proost leventje. Is eigenaar van een leuk restaurantje in een aangename omgeving, hoeft niet echt meer te werken, daar heeft hij zijn personeel voor. Hij loopt af en toe wat rond over het terras, en maakt hier en daar een babbeltje met zijn gasten. Soms geeft hij een vaag gebaar naar een van zijn personeelsleden, waarop die bijvoorbeeld onmiddellijk naar de keuken vliegt. Wanneer hij met Egyptische gasten praat, bulderen die van het lachen om alles wat Dr. Shish Kebab zegt. Dit MOET dus wel een invloedrijk man zijn.
Het wemelt er van de katten. Af en toe rennen ze achter elkaar aan over het terras als er blijkbaar ergens iets eetbaars te halen valt. Daarbij wordt er uiteraard wat afgeblaast en met uitgestoken nageltjes naar elkaar uitgehaald. Een paar keer zie ik een kat door de keukendeur naar binnen of buiten glippen. De keukendeur is een grauwe en smoezelige opening in een witte muur met een uitermate goor plastic bloemetjesgordijn ervoor. Ernaast zit nog een opening in de muur wat als een soort doorgeefluik dient. Hierdoor kan ik een schaarse blik naar binnen werpen, wat niet bevorderlijk is voor mijn eetlust. Het zal wel een aardig vieze troep zijn daarbinnen...
Na het verorberen van het voorgerecht ben ik die gedachte alweer vergeten, het smaakt prima, en zelfs naar meer: het hoofdgerecht. En ook dat is smakelijke kost. Halverwege mijn hoofdgerecht duikt er ineens een brutaal kattekopje naast mijn stoel op, wat het waarschijnlijk voorzien heeft op een deel van mijn maaltijd. Hoewel ik een kattenliefhebber ben moet ik nu toch even een ferme tik uitdelen!
We kijken na het eten uitgebreid rond in de talrijke souvenirwinkeltjes, diverse reisgenoten kopen diverse souvenirs. Ik houd het voorlopig nog maar even bij wat rondkijken.
s'Nachts wordt ik veelvuldig in mijn slaap gestoord door muggen, die met zijn twaalven - daar ben ik zeker van - in de duisternis elkaar de loef af proberen te steken met het zo vaak en zo lang mogelijk aanraken van mijn niet door lakens beschermde lichaamsdelen...
De laatste volle dag van ons verblijf in Egypte breekt aan, en ik ben van plan daar nog eens goed van gaan te genieten. Daarom sta ik ook op tijd op, en zit met Sander om half negen in het restaurant voor het ontbijt. We zijn een van de eersten. Cieleke is al klaar met haar ontbijt, ik zie haar al kwartier maken op een van "onze" ligbedden aan het strand.
Nadat ik zelf mijn intrek op het strand heb genomen, huur ik meteen snorkelspullen bij het kioskje twintig meter verderop. Zodoende heb ik tenminste eerste keus in deze spullen, waarvan ik qua kwaliteit bij voorbaat maar geen hoge verwachtingen heb.
Die instelling blijkt helaas gegrond, 't-is echt een allegaartje. Er zitten heus wel goede spullen tussen als je goed zoekt, oprecht geholpen door de aardige en behulpzame eigenaar van de kiosk. Maar je moet goed opletten op vooral uitgedroogd rubber, gebarsten duikglasvattingen en te slappe en stukgebeten mondstukken.
Uiteindelijk heb ik dan toch een naar mijn mening goede duikbril met snorkel gevonden - de zwemvliezen zijn eigenlijk allemaal wel in orde. Maar als ik het even uitprobeer aan de kant, merk ik dat er ondanks vele aanpassingen aan het verstelmechanisme toch steeds water naar binnen komt. Reden om de duikbril dan maar om te ruilen voor een ander model.
"No Problem", zegt de kioskeigenaar, en weldra lig ik weer in het water met mijn tweede duikbril. Dit model lijkt beter, er komt althans minder water naar binnen, maar nog altijd te veel... Tevens voel ik veel te veel druk op mijn neus en bovengebit. Dus weer terug naar de kiosk.
Ik verwacht een nu wat licht geïrriteerde kioskeigenaar aan te treffen, maar niks hoor. Of ik voor het eerst binnenkom. Ach, het zijn ook van die alleraardigste lui, die Egyptenaren...!
Gelukkig blijkt deze derde duikbril acceptabel. Er komt wel water naar binnen, maar heel weinig, en hij zit ook vrij goed. Daarom is het nu tijd om eens wat verder te zwemmen, richting koraalrif. Ik zwem wat verder weg dan gisteren. en zie ook wat meer. Het is weliswaar niet zo mooi als wat je op foto's of televisie ziet, maar het is best wel leuk. Het hoort een beetje bij de sfeer van deze omgeving vind ik. Niet uitbundig, maar eenvoudig, en daar moet je het ook naar inschatten. Het is een kwestie van waarderen van hetgeen je ziet, het letten op details.
Als ik op een gegeven moment wat meer gekleurde vissen zie in plaats van de enkele grijsachtigen die ik tot nu toe gezien heb, en daarbij wat felrode en -groene anemonen, begin ik werkelijk wat enthousiaster te worden.
En wanneer ik even het water uit ga, breng ik dan ook redelijk opgewekt verslag uit van mijn eerste echte orientatie onder water. Inmiddels zijn de meeste Baobabbers op het strand verschenen en zijn de ligbedden van het stukje Baobab Beach weer versierd met badlakens en dagrugzakjes.
Het is lekker om even in de zon te liggen na een duik in het water, dat niet koud maar zeker niet erg warm is. Het relaxte strandleven waar we gistermiddag even op konden oefenen neemt weer met opmerkelijk gemak bezit van geest en lichaam van ons Sinai-reizigers, en ik voel mij daar bepaald wel bij. De ober wordt af en toe aangeroepen om ons te voorzien van verfrissende drankjes, boeken worden weer opengeslagen en walkmans opgezet, veelal te witte lichamen worden verlangend blootgesteld aan de ongetwijfeld ongenadig schijnende zon, meestal wel verstandig ingesmeerd...!
Het is zeer rustig en mooi weer vandaag, er staat praktisch geen wind, de zee is bijna vlak. Ideale omstandigheden voor het snorkelen aldus. In tegenstelling tot gisteren staat er bij het rif nu geen wilde golfslag, en besluit ik bij mijn derde duik om daar heen te zwemmen.
Al tijdens de korte zwemtocht van slechts een meter of vijftig naar het rif toe zie ik veel meer leven en kleur in het water dan tijdens de eerste twee duiken, en wanneer ik bij het rif aankom beland ik in een totaal andere, wonderlijke wereld...! Het is of ik in een aquarium zwem met de meest indrukwekkende zee-planten en -dieren die de natuur kent, en het lijkt wel of ik persoonlijk deelneem aan een fantastische televisiedocumentaire. Eigenlijk is dat ook zo, alleen de camera's zijn er dit keer even niet bij...
Het is gewoonweg fantastisch mooi hier, ik zie steeds meer verschillende vissen en' planten. Hele scholen vissen, in aantallen van tientallen tot honderdtallen. De planten lijken elkaar te overwoekeren zoals ik dat alleen nog heb gezien in de jungle. En dan die kleuren... Als een kleurenblinde als ik al zo onder de indruk ben, kun je wel nagaan hoe mooi het hier is!
Ik zwem diverse malen over en om het rif heen, en ik voel mij net een vogel die over bergtoppen scheert en door dalen vliegt. Soms rust ik even uit, voorzichtig staande met mijn zwemvliezen op het scherpe koraal. Voordat ik dat doe, kijk ik altijd eerst even onder water waar ik mijn voeten plaatsen kan, want er liggen aardig wat van die grote zwarte zee-egels op de bodem! Ik leeg ook af en toe mijn duikbril, er blijft steeds toch een beetje water naar binnen komen, zonder dat het hinderlijk wordt.
Na zeker een half uur bij het rif te hebben gesnorkeld begin ik het knap koud te krijgen, en rillend kom ik het water uit om mezelf weer wat op te warmen in de zon. Dit keer probeer ik zo enthousiast mogelijk verslag uit te brengen van mijn wondermooie ervaringen, en zou het liefst zien dat iedereen onmiddellijk het water in rende met snorkelspullen. Dat gebeurt uiteraard niet, het lijkt waarempel wel of men mijn verhaal in twijfel trekt!? Ach, ik begrijp dat wel, ik was zelf eerst ook sceptisch omtrent de vermeende pracht van de onderwaterwereld alhier. Maar het is dan ook ongelooflijk hoe ontzettend groot het contrast is tussen de belevingswereld bij de vloedlijn en die bij het rif, die op slechts veertig meter van elkaar verwijderd zijn…
Ik heb al eens eerder gesnorkeld, onder andere op een aantal plaatsen in Indonesie en bij het Groot Barriere Rif in Australie, wat erg mooi was, maar toch niet zo mooi als hier...!
Ik maak later nog twee of drie snorkeltochtjes bij het rif, en ik geniet met volle teugen. Dit is precies waar ik op gehoopt had, "This is The Real Thing"! Ik zie ook hele grote vissen met prachtige felle kleuren, al zijn ze niet groot in aantal. Wel groot in aantal zijn een soort van "glitterguppies", waar ik wanneer ik met de klok mee om het rif heen zwem dwars tegen in ga. het zijn er zeker tienduizenden...!!! Dit is de mooiste ervaring tot nu toe...
Later ondernemen ook een aantal reisgenoten snorkelpogingen, maar de meesten hebben te veel problemen met lekkende duikbrillen en zo om werkelijk aan genieten toe te komen, zodat ze nooit zo enthousiast worden als ik. Erg jammer, ik deel dit soort ervaringen graag met andere mensen, het is voor mij een belangrijke reden om met dit soort groepsreizen mee te gaan.
In het begin van de middag loop ik met Sander een eind langs het strand, op zoek naar een lichte en snelle snack bij een kioskje of een van de andere hotels. Tot mijn teleurstelling en verbazing treffen wij niets van dat soort gelegenheden, alles schijnt dicht te zijn. Het is duidelijk buiten het seizoen nu... De enige mogelijkheid is bij het nogal dure Helnan Hotel tweehonderd meter verderop, maar die verkopen alleen uitgebreidere lunches voor navenante prijzen. Dan maar niks gegeten, en weer terug naar het eigen strandje. Ik heb ook geen zin om in ons eigen restaurant te gaan eten, dus neem ik weer plaats aan het strand.
Later in de middag maken we een uitstapje met de glasboot van het Helnan Hotel. We nemen onze snorkelspullen mee.
De glasboot ziet er van een afstand prima uit, dat was wel te verwachten bij zo'n duur hotel. Maar als we eenmaal in de bak turen van de boot, door het glas in de bodem, valt het behoorlijk tegen. Dat komt doordat het glas zo te zien nooit of nauwelijks wordt schoongemaakt, het ziet er ronduit goor uit.
Het duurt dus niet lang voordat bijna iedereen in het water ligt bij het rif voor het Helnan Hotel. Dat rif is evenals het hotel van een grotere en "luxere" omvang dan ons "eigen" rif en hotel. Dit rif is net zo mooi als ons kleine rifje, maar dan tien keer zo groot...! Dit slaat echt alles, wat ontzettend prachtig...!
Ruim een half uur flipper ik over, door en langs het koraalrif, en ik zie dat enkele reisgenoten nu ook eindelijk van deze fantastische onderwaterwereld kunnen genieten.
Het rif is verdeeld over een aantal aparte secties die niet met elkaar zijn verbonden, en het is leuk om zo nu en dan van de ene naar de andere sectie te zwemmen. Daarbij kun je hier steeds de bodem zien, in tegenstelling tot bij ons kleine rif, waar aan de oostkant - de zeekant - van het rif een gapende afgrond is.
Het is hier zo mooi, ik ben zo onder de indruk, dat ik het nauwelijks merk dat ik behoorlijk ben afgekoeld wanneer ik als laatste - en dat is niet verwonderlijk - aan boord klim van de glasboot die aanstalten maakt om weer naar de kant te varen. Einde van deze onvergetelijke snorkeltocht...
Aan ons strandje koester ik mijzelf nog even in de late namiddagzon, en kom weer helemaal op temperatuur. Dan ga ik nog even met Sander en Ronald richting "Nuweiba Noord" om nog even wat rond te slenteren in dat toch wel sfeervolle buurtje. Dit keer met wat meer intentie om nog iets leuks te kopen, hoewel ik een beetje door mijn Egyptische Ponden begin te raken. Ik heb echter nog wel een ruime voorraad dollars op zak, daar zal ook vast wel wat mee te koop zijn...
We komen nog een aantal reisgenoten tegen op souvenirjacht, sommigen schijnen er maar niet genoeg van te kunnen krijgen en blijven maar kopen. Of ben ik nu zo'n zuinige vrek? Nee, feit is dat Egypte een van de aantrekkelijkste landen is waar ik ook ben geweest qua souvenirs, ze verkopen vaak echt hele leuke en mooie dingen. Niet veel later scoor ik een hele mooie vaas...
s'Avonds gaan we weer, en voor de laatste keer, gezamenlijk uit eten. Voor deze gelegenheid heeft Magdy iets speciaals geregeld, hij heeft weer ontzettend zijn best gedaan. Dat kan eigenlijk ook worden gezegd van het hotelpersoneel, want we eten bij ons eigen hotel, of liever gezegd in het sjofel uitziende maar erg sfeervolle tentje bij de waterlijn wat de afgelopen dagen een uitgestorven aanblik bood. Binnen branden overal lichtjes, en een lange tafel is feestelijk gedekt. Een aantal obers zijn bezig met vlees grillen en het opdienen van heerlijk uitziende salades en dergelijke, een waar feestmaal ontvouwt zich voor mijn verbaasde ogen.
Na deze heerlijke maaltijd verhuizen we naar een soort Bedoeienentent even verderop, waar we nog even wat nazitten, gezeten op kussens op de grond. Er wordt thee geschonken en er staan twee waterpijpen klaar voor gebruik. Zo ongeveer iedereen probeert de waterpijp even uit, maar evenzovelen lijken er niet echt veel prijs op te stellen.
Al met al is deze avond, of eigenlijk deze hele dag, een mooi besluit van een mooie vakantie.
Voor de tweede keer tijdens deze reis moeten we de volgende morgen al weer heel vroeg opstaan. Onze vlucht vanaf Sharm El Sheik staat al vroeg gepland, en eerst staat ons een lange busrit te wachten van een kleine twee uur. We gaan met dezelfde bus als welke ons vanuit Cairo naar de Sinai heeft gereden. Het lijkt mij niet erg efficient, zeker niet omdat deze bus nu weer helemaal uit Cairo naar Nuweiba moet komen, wat een veel grotere afstand is dan van Nuweiba naar Sharm El Sheik...
Terwijl we in de "lounge" van het hotel zitten te wachten, deelt Magdy ontbijtpakketten uit, en er zijn thermoskannen met koffie en thee. Het wachten op de bus zou eigenlijk niet nodig moeten zijn, normaal gesproken had de bus allang hier moeten zijn. Dat blijkt ook wel uit Magdy's gedrag, want hij staat een aantal keren te bellen en hij voert wel erg veel gesprekjes met de jongens van de balie.
Volgens Magdy is de bus wel degelijk gisteravond vanuit Cairo vertrokken. maar kennelijk heeft hij onderweg pech gekregen of een ongeluk gehad... Daarom stelt Magdy een noodplan op waarbij twee grote taxi's uit Nuweiba een grote rol spelen.
En zo rijden we wat later dan de bedoeling was, maar toch precies op tijd, weg uit Nuweiba. De taxi waar ik in zit stinkt ongelooflijk naar benzine, en als de chauffeur even later een sigaret opsteekt voel ik mij niet bepaald op mijn gemak.
We komen bij een paar wegversperringen. Op zich een normaal beeld in deze contreien. Overal kunnen we gelukkig doorrijden. Bij de laatste wegversperring duurt het wat langer. Er stapt uiteindelijk een militair bij ons in de taxi, en we rijden weer.
Magdy legt ons ongevraagd - maar we zijn toch wel nieuwsgierig - uit dat President Mubarak vandaag een bezoekje brengt aan Sharm El Sheik, voor een overleg met Shimon Peres. Alle hens aan dek dus, qua veiligheidsmaatregelen…! Ik herrinner mij inderdaad het een paar maal overvliegen van een helikopter bij het strand in Nuweiba. Volgens Magdy hadden we geen paar minuten later bij deze laatste wegversperring moeten aankomen, want dan hadden we niet meer door mogen rijden en hadden we dus onze vlucht naar Cairo en onze aansluiting naar Amsterdam gemist! Wij waren de laatsten die door mochten rijden. Alle toegangswegen naar Sharm El Sheik worden voor een paar uur afgesloten.
Als we Sharm El Sheik naderen rijden we over een grote zandvlakte die schuin afloopt naar de punt van de Sinai waar Sharm El Sheik gelegen is. Het uitzicht is hier erg mooi, in de verte kun je de Rode Zee zien. Iets meer naar links zien we het Eiland Tiran, wat bij Saudi Arabie hoort. De Straat van Tiran, zoals de zee-engte heet, is hier slechts 15 kilometer breed.
Op het kleine vliegveld van Sharm El Sheik sta ik in no time met mijn boardingpass in mijn handen, dat heeft onze Magdy weer heel snel geregeld. We hoeven niet zo heel lang te wachten tot ons vliegtuig vertrekt, ik vermaak mij in de wachtruimte met het kijken naar een natuurfilm over de Rode Zee.
Het uitzicht vanuit het vliegtuig is tijdens de vlucht heel mooi, omdat het toestel niet vol zit kan ik een mooi plekje bij het raam bemachtigen.
Als we in Cairo aankomen zie ik Magdy al snel in gesprek staan met een beambte die zo te zien heel wat te vertellen heeft op het vliegveld. Het feit dat alles ook hier erg vlotjes voor ons verloopt heeft hier alles mee te maken, zeker als we die beambte weer aantreffen bij de incheckbalie voor Amsterdam.
Daar staan wij dan, gescheiden van Magdy door een soort niemandslandzone, we zijn zojuist door de douane gegaan. Het echte afscheid - de handdrukken, de zoenen - heeft al voor het douanepoortje plaatsgevonden.
Nog eenmaal loop ik op Magdy toe, roep vanaf twintig meter nog eenmaal "Bedankt!", en na een laatste zwaai draai ik mij om en loop met een klein brokje in mijn keel met de anderen mee richting tax-free zone.
Nuweiba