Home : Projecten in Nederland : Onderzoek Incidentele Loonontwikkeling    
Start
Micromacro Consultants
Photos
Projects
Downloads
Contact
Nederlands
Micromacro Consultants
Fotos
ProjectenNL
CuracaoAruba
DownloadsNL
Route
 

Onderzoek
Incidentele Loonontwikkeling
(ILO)

in opdracht van
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
 
Micromacro Consultants
Den Haag
juni 1999
 
ISBN 90-76240-08-6


Keuzemenu:
Voorwoord
Inhoudsopgave
Lijst met tabellen
Samenvatting
Aanbevelingen
Volledig rapport downloaden
(Word document in ZIP-formaat, 238 Kb)
 

Voorwoord

Voor u ligt het verslag van een onderzoek naar het zeer ingewikkelde onderwerp: de incidentele loonontwikkeling. Het begrip wordt in de praktijk op meerdere wijzen uitgewerkt en instanties als het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Centraal Planbureau, de Arbeidsinspectie van ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Dienst IVOP (Informatie Voorziening Overheids Personeel) geven aan de berekening van de incidentele loonontwikkeling op hun eigen manier invulling met aanzienlijk uiteenlopende cijfers. De vraag "Wie van de drie" leidt niet tot een keuze voor één van de drie. Er is niet één van de benaderingen superieur aan de andere. Alle benaderingen hebben hun verdiensten en beperkingen.

Micromacro Consultants (MMC) heeft monnikenwerk verricht om helderheid in deze materie te verschaffen. Alleen door vele bestanden een groot aantal malen te bewerken is inzicht verkregen in de specificaties waaraan een inzichtelijk ILO-begrip moet voldoen. Dit was niet mogelijk geweest zonder de medewerking van CBS, AI, IVOP en CPB, zowel in de begeleidingscommissie als in de vele werkcontacten met MMC. In volkomen openheid is er gewerkt en heeft MMC kunnen beschikken over de diverse databestanden en informatie over de rekensystematieken.

Uiteindelijk heeft dit geleid tot een goed inzicht in de verschillen die deels het gevolg zijn van verschillen in concepten en definities en deels voortvloeien uit verschillen in de gebruikte bronbestanden. Dit heeft geleid tot een voorstel van MMC voor harmonisering van concepten en definities en een voorstel van MMC voor meer eenduidigheid in het te gebruiken bronmateriaal.

Als voorzitter van de begeleidingscommissie (namens het ministerie van BZK) dank ik MMC voor de enorme inzet en creativiteit en de leden van de begeleidingscommissie voor de openheid en deskundigheid waarmee de verschillende methoden - ook de eigen methode - tegen het licht zijn gehouden.

Met de presentatie van het rapport zijn we er nog niet. In het rapport zijn aanbevelingen opgenomen die de mogelijkheid openen om op termijn over vergelijkbare cijfers over de incidentele loonontwikkeling te kunnen beschikken.

De voorzitter van de begeleidingscommissie,

Frank Faber

 

Inhoudsopgave

Voorwoord

Samenvatting 

1. Inleiding

2. Overzicht met vergelijking van begrippen in AVO, EWL+ en VINK 

2.1 Algemeen overzicht van begrippen onder het incidenteel 

2.2 Belangrijke begrippen in AVO, EWL en VINK 

2.3. Analyse van de verschillen tussen de bestaande loonbegrippen 

3. Het incidenteel loon in de presentatievorm van diverse instanties. 

3.1 Het AVO-microbestand van de Arbeidsinspectie (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) *

3.2 Het VINK-bestand van InformatieVoorziening OverheidsPersoneel (IVOP) 

3.3 Het EWL-microbestand van het CBS

3.4 CPB-presentatie 

3.5 Overzicht ILO gegevens uit diverse bron

4. Overkappende presentatie van incidenteel loon 

5. AVO- en EWL-data conform overkappende presentatie uitgedraaid 

5.1 AVO 

5.2 Het microbestand EWL+ van het CBS 

6. Uitdraai van AVO-en EWL-data conform VINK-presentatie 

6.1 AVO à la VINK 

6.2 EWL à la VINK 

7. Mogelijke overige verklaringen voor verschillen 

7.1 Verschil AVO-VINK 

7.2 Berekening van onnauwkeurigheidsmarges bij AVO 

7.3 Nadere analyse verschillen in samenstellingseffect 

7.4 De aantallen in VINK en AVO vergeleken 

7.5 CAO-loonontwikkeling per bedrijfstak conform CBS dec/dec, okt/okt, jaar/jaar 

9. Voorspelbaarheid en beheersbaarheid 

9.1 Beheersbaarheid 

9.2 Voorspelbaarheid, raming structuureffect 

9.3 Raming overig effect (loondrift) 

10. Inventarisatie extra informatiebehoefte en aanbevelingen 

Spanningsveld tussen ideaal en praktijk 

Praktische aanbevelingen 

Algemeen: de resultaten van deze studie bezien in het licht van de probleemstelling 

Appendices 

Appendix 1 Definities 

Appendix 2 Gegevens uit het bestand EWL+ 

Appendix 3 Verder gedetailleerde uitsplitsing 

Appendix 4 Onnauwkeurigheidsmarges AVO 

Appendix 5 Loonstructuurvergelijking 

Appendix 6 Literatuur ILO-onderzoek 

 

Lijst van tabellen

Tabel S.1: Beoordelingskader verschillen AVO-EWL-VINK en inhoud ideale loonbegrip 10

Tabel S.2: Vergelijking incidenteel per VTE in VINK, AVO en EWL 13

Tabel S.3: Vergelijkend overzicht incidenteel naar overheidssector 14

Tabel 1.1: Wat hoort bij wie? 18

Figuur 1.1: Opbouw en onderlinge samenhang van de hoofdstukken uit dit onderzoeksrapport 20

Tabel 2.3.1: Vergelijking van min of meer overeenkomende loonbegrippen en arbeidsduurbegrippen van CBS, AI en IVOP

Tabel 3.1.1: Diverse loonbegrippen in AVO 29

Tabel 3.1.2: Mutatiecomponenten van de uurloonmutatie 96/97 volgens AVO 29

Tabel 3.1.3: Loonmutaties van blijvers op basis van AVO, aanvullende berekeningen 31

Tabel 3.1.4: Aanvullende berekeningen op basis van AVO voor Totaal Overheid en Bedrijfsleven voor blijvers 96/97

Tabel 3.2.1: Uitdraai VINK voor het Rijk 34

Tabel 3.3.1: Diverse loonbegrippen à la Walschots 38

Tabel 3.3.2: Uurloonmutaties 96/97 38

Tabel 4.1: Overkappende ILO-presentatie naar componenten voor Rijk, Brutoloon 41

Figuur 4.1: Twee benaderingswijzen van incidentele loonontwikkeling (ILO) 42

Tabel 4.2: Procentuele uurloonmutatie in een sector uitgesplitst naar blijvers, saldo komers en gaanders en totaal (bgk

Tabel 5.1.1: AVO conform overkappende ILO-presentatie betreffende het Functieloon 46

Tabel 5.1.2: AVO conform overkappende ILO-presentatie betreffende het Brutoloon 47

Tabel 5.1.3: AVO conform overkappende ILO-presentatie betreffende het Ruimloon 48

Tabel 5.1.4: Sectoraandelen in totale loonsom van 1996 48

Tabel 5.1.5: AVO conform overkappende ILO-presentatie betreffende diverse loonbegrippen 49

Tabel 5.1.6: Loonmutaties 96/97 gemiddeld per werknemer onder de blijvers 50

Tabel 5.2.1: EWL geselecteerde aantallen in procenten van totale sectorpopulatie 52

Tabel 5.2.2: Overkappende ILO-presentatie naar sector als percentage van uurloon 1996, o.b.v. EWL 96/97: maandloon/jaaruren ('standaarduurloon')

Tabel 5.2.3: Overkappende ILO-presentatie naar sector als percentage van uurloon 1996, o.b.v. EWL 96/97: bruto maandloon/maanduren 54

Tabel 5.2.4:

Tabel 5.2.5: Overkappende ILO-presentatie naar sector als percentage van uurloon 1996, o.b.v. EWL 96/97: jaarloon (incl. bijz. bel.) /jaaruren (incl. overwerk) 55

Tabel 6.1.1: Vergelijking van de loonontwikkeling 96/97 van het Rijk volgens VINK en o.b.v. AVO-data gepresenteerd à la VINK 57

Tabel 6.1.2: Vergelijking van de loonontwikkeling 96/97 van de Rechterlijke Macht volgens VINK en o.b.v. AVO-data gepresenteerd à la VINK 58

Tabel 6.1.3: Loonmutaties op basis van Functieloon AVO voor Rijk 96/97 60

Tabel 6.2.1: Loonmutaties op basis van Brutoloon EWL voor Rijk en Rechterlijke Macht 96/97 61

Tabel 6.2.2: Vergelijking van de ontwikkeling 96/97 van het Functieloon voor het Rijk volgens VINK met het bruto maandloon voor het Rijk en Rechterlijke Macht volgens EWL 62

Tabel 7.2.1: Onnauwkeurigheidsmarges van uurloon en uurloonmutatie 64

Tabel 7.3.1: Decompositie samenstellingseffect Rijk en Rechterlijke Macht voor AVO en EWL 65

Tabel 7.3.2: Decompositie aantal werknemers en percentage werknemers voor AVO en EWL 66

Tabel 7.4.1: Aantallen werknemers Rijk en Rechterlijke Macht oktober 1997 o.b.v. IVOP en AVO 67

Tabel 7.5.1: Indexcijfers van de CAO-lonen 68

Tabel 8.1: Overzicht van mogelijke oorzaken van verschillen in incidenteel 69

Tabel 8.2: Vergelijking incidenteel per VTE in VINK, AVO en EWL 72

Tabel 8.3: Vergelijkend overzicht incidenteel naar overheidssector 73

Figuur 8.1: Vergelijking incidenteel loon van totaal 96/97 AVO en EWL 75

Figuur 8.2: Vergelijking incidenteel loon van blijvers 96/97 AVO en EWL 75

Figuur 9.1.1: Spreidingsdiagram samenstellingseffecten en vast incidenteel (Functieloon) 77

Figuur 9.1.2: Functieloon 77

Tabel 9.2.1: Structuureffecten per sector volgens drie CPB scenario's, 1995-2020 ;(gemiddeld per jaar in procenten) 81

Tabel 9.3.1: Werkgelegenheidsgroei en loondrift, 1999-2002 82

Tabel 9.3.2: Instroom en uitstroom in 1997 84

Tabel 10.1: Beoordelingskader elementen ideale ILO-begrip 85

Tabel A.3.1: Diverse loonbegrippen, procentuele uurloonmutaties 1997 107

Tabel A.3.2: Procentuele uurloonmutatie uitgesplitst naar blijvers (b), komers (k), gaanders (g) en totaal (o) 109

Tabel A.3.3: ILO in een sector uitgesplitst naar blijvers (b), komers (k), gaanders (g) en totaal (o) 110

Tabel A.3.4: AVO conform overkappende ILO-presentatie betreffende het Functieloon (in guldens) 112

Tabel A.3.5: AVO conform overkappende ILO-presentatie betreffende het Functieloon (%) 113

Tabel A.3.6: AVO conform overkappende ILO-presentatie betreffende het Brutoloon (in guldens) 114

Tabel A.3.7: AVO conform overkappende ILO-presentatie betreffende het Brutoloon (%) 115

Tabel A.3.8: AVO conform overkappende ILO-presentatie betreffende het Ruimloon (in guldens) 116

Tabel A.3.9: AVO conform overkappende ILO-presentatie betreffende het Ruimloon (%) 117

Tabel A.5.1: Resultaat regressieberekeningen op basis van LSO96 120

 

 

Samenvatting

 

Samenvatting Onderzoek Incidentele Loonontwikkeling (ILO) en aanbevelingen

Het doel van dit onderzoek is een bijdrage te leveren aan de beleidsdiscussie inzake de incidentele loonontwikkeling bij de diverse overheidssectoren door de weergave van de diverse cijfers over de incidentele loonontwikkeling (ILO) inzichtelijker te maken. Dat is van belang omdat in het regeerakkoord het budget voor de incidentele loonontwikkeling voor de overheid vastgesteld is op 0,6%, zonder dat er evenwel een directe relatie bestaat met de feitelijke ILO.

De incidentele loonontwikkeling (ILO) is de gemiddelde loonmutatie door andere redenen dan CAO-afspraken. Op dit moment bestaan voor één en dezelfde sector verschillende cijfers. Voor het bestaan van verschillende cijfers voor ogenschijnlijk dezelfde begrippen, kunnen de cijfers betreffende het incidenteel voor de sector Rijk voor 96/97 als voorbeeld dienen (zie appendix 1 voor een lijst van definities):

AVO-bestand van ArbeidsInspectie (AI) van het Ministerie van SZW (zie noot 1 blz.18) 2,2%
VINK-bestand van IVOP 1,1%
EWL-bestand van het CBS (voor Rijk en Rechterlijke macht) op basis van de standaarduurloonberekening –0,1%

De probleemstelling voor dit onderzoek is geformuleerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Daarin staan vier vragen centraal, namelijk: 1) de ontwikkeling van een geschikt ILO-begrip dat bruikbaar is in de begrotingsdiscussie en een vergelijking met de marktsector mogelijk maakt, 2) een kwantificering van het te ontwikkelen ILO-begrip voor een recent jaar op basis van data van het CBS, AI en IVOP. Indien sprake is van leemtes in de databestanden om het nieuwe ILO-begrip te kunnen berekenen, wordt aangegeven hoe daarin kan worden voorzien, 3) een analyse van de verschillen tussen de ILO-cijfers van AI en IVOP, en 4) het geven van een kwalitatieve aanzet van de mogelijkheden de toekomstige ILO met behulp van het nieuwe begrip te voorspellen.

Deze studie is als volgt opgezet: Eerst worden diverse loonbegrippen vergeleken. Daarna wordt het incidenteel bezien zoals dat m.b.v. de verschillende bronnen wordt berekend. Op basis van de drie databestanden (VINK van IVOP, AVO van AI en EWL van CBS) zijn diverse berekeningen uitgevoerd, waarbij de data van iedere instantie eerst zijn gereproduceerd (om exact vast te kunnen stellen wat de gehanteerde berekeningsmethodiek is), waarna zoveel mogelijk de data van de ene instantie worden uitgerekend volgens de berekeningsmethodiek van de andere instantie, en andersom. Dit alles voor de mutaties 96/97. Daarmee wordt het mogelijk te zien in hoeverre de geconstateerde verschillen voortvloeien uit verschillen in presentatie en definitie, dan wel in hoeverre de verschillen voortvloeien uit verschillen in de achterliggende data. Verder worden voor 96/97 proefberekeningen uitgevoerd voor het nieuw ontwikkelde ILO-begrip.

Incidenteel, wat is dat? Welke begrippen spelen een rol?

Het incidenteel (ILO, afkorting van incidentele loonontwikkeling) is de mutatie van het gemiddelde brutoloon door andere factoren dan CAO-afspraken. De analyse van de verschillen tussen de ILO-begrippen vergt inzicht in de wijze waarop in de verschillende databestanden de volgende begrippen worden gekwantificeerd en gedefinieerd: loonsom, werkgelegenheid en CAO-afspraken, de beschouwde periode, de kwaliteit van de basisgegevens (steekproef of integrale meting). In het onderstaande worden deze begrippen hier één voor één besproken.

Loon

Het loon kan uit vele elementen bestaan. Men denke naast het periodieke loon aan vakantietoeslagen, gratificaties, provisies, en andere beloningselementen zoals onkostenvergoedingen in verband met het werk, fooien en dergelijke. Het loonbegrip kan meer of minder elementen bevatten. Bij een beperkt loonbegrip is alleen het periodieke loon (ook wel Functieloon, Schaalloon of Basistijdloon genoemd) inbegrepen. Het Brutoloon is breder en bevat naast het schaalloon diverse toeslagen, terwijl in het ruime loon ook zaken als winstafhankelijke uitkeringen, werkgeversbijdragen ziektekosten en dergelijke zijn opgenomen. Omdat er zoveel verschillende beloningscomponenten zijn, waarvan er sommige niet meteen aan de salarisadministratie kunnen worden ontleend, mag men bij verschillende statistieken die op verschillende bronnen zijn gebaseerd slechts bij toeval hetzelfde loonbegrip verwachten. Een belangrijk loonbegrip betreft de loonsom conform de Nationale Rekeningen. Dat is een Ruimloon begrip dat volgens internationale afspraken (System of National Accounts van de Verenigde Naties) wordt berekend. Daardoor is vergelijking tussen landen en in de tijd mogelijk. Dit Ruimloon begrip wordt ook gebruikt in de macro-economische modellen van het CPB en is de basis in de macro-economische discussies.

Werkgelegenheid

De gemiddelde loonsom kan per werknemer, per uur of per voltijdequivalent worden uitgerekend. Omdat het gemiddelde aantal gewerkte uren per werknemer verandert, evenals het aantal uren in een voltijdequivalent (het aantal uren dat een voltijdwerknemer contractueel per week of per jaar werkt), kan het veel uitmaken of men de loonmutatie per werknemer, per uur, of per voltijdequivalent voor ogen heeft.

CAO-afspraken

In CAO’s worden onder andere afspraken gemaakt over het aantal te werken uren, hetgeen van invloed is op het aantal uren per voltijdequivalent, alsmede over de verandering in diverse beloningscomponenten. Bij de berekening van het kwantitatieve effect dat de CAO-afspraken op de loonmutatie zullen hebben, moet ook een schatting worden gemaakt van de mate waarin van nieuw afgesproken facultatieve toeslagen gebruik zal worden gemaakt. Om dit soort redenen kunnen er verschillen ontstaan bij de berekening van het effect van CAO-afspraken door verschillende instanties. Zo rapporteert de Arbeidsinspectie van SZW jaarlijks over de CAO-afspraken per sector, het CBS publiceert indices met betrekking tot de CAO-lonen per uur en per maand per sector, terwijl het CPB ramingen maakt voor het totale incidenteel van de overheid en van het bedrijfsleven.

Periode en Meting

Men kan het loon van twee overeenkomstige maanden van opeenvolgende jaren vergelijken of van twee opeenvolgende jaren. Omdat de loonontwikkeling gedurende het jaar kan veranderen kan men daardoor verschillende uitkomsten voor het incidenteel krijgen.

De basisgegevens voor loonberekeningen zijn vaak afkomstig van steekproeven. Om redenen van toeval kan dat tot andere uitkomsten leiden dan wanneer de berekening is gebaseerd op integrale populatiebestanden.

Belangrijke begrippen in AVO, EWL en VINK

De belangrijkste loonbegrippen die we hebben gebruikt voor de vergelijking zijn:

CBS AVO VINK
  Functieloon Schaalloon
Brutoloon CBS Brutoloon AVO  
Ruimloon CBS Ruimloon AVO  

Verschillende benaderingen

De instanties, die op dit moment berekeningen maken met betrekking tot de incidentele loonontwikkeling hanteren daarbij globaal gesproken twee methoden: ofwel de categoriale benadering (CBS en CPB) dan wel de cohortbenadering (AI). In het navolgende worden deze twee methoden kort uitgelegd.

Categoriale benadering

Er wordt uitgegaan van de gehele populatie van werknemers van een bedrijf, eenheid, groep van bedrijven of een bedrijfstak Echter per jaar bestaat de groep niet uit dezelfde werknemers. In deze benadering wordt de totale loonmutatie gesplitst in een samenstellingseffect en het samenstellingsvrije effect. Met samenstellingseffect wordt bedoeld het effect van veranderingen in de samenstelling van het personeelsbestand naar bijvoorbeeld de kenmerken leeftijd, geslacht en opleiding. Het samenstellingsvrije effect bestaat uit CAO-loonmutatie en ‘overig effect’. Het overig effect wordt ook wel loondrift genoemd. Samenstellingseffect en overig effect vormen samen de incidentele loonontwikkeling.

Cohortbenadering

Uitgegaan wordt van een zelfde groep personen, waarvan jaarlijks alleen de leeftijd toeneemt. Dit betekent dus dat alleen gekeken wordt naar de groep werknemers die in beide jaren bij de betreffende werkgever in dienst zijn, de zogenoemde blijvers. Afzonderlijk wordt ook het effect berekend van de zogenoemde komers en gaanders.

Overkappende benadering

Voor het ideale ILO-begrip wordt uitgegaan van beide benaderingen, ook wel de overkappende presentatie genoemd. Voor de macro-economische en budgettaire discussie is het noodzakelijk te beschikken over de categoriale benadering, met een uitsplitsing naar samenstellingseffect en overig effect.

Voor de beleidsanalyse met betrekking tot de arbeidsmarktpositie van werkgevers en de bedrijfsvoering is het daarnaast heel interessant ook te beschikken over de incidentele loonontwikkeling van de blijvers, alsmede de invloed van instroom van komers en uitstroom van gaanders, oftewel de cohortbenadering.

In onderstaand schema wordt de overkappende benadering gepresenteerd: de onderste regel geeft de categoriale benadering, gesplitst in samenstellingseffect en overig effect, terwijl de laatste kolom de cohortbenadering (blijversincidenteel), totaal en het komers&gaanderssaldo geeft. Verder worden apart voor blijvers en voor komers&gaanders saldo de uitsplitsing in samenstellingseefect en overig effect gegeven.

Overkappende ILO-presentatie naar componenten

 

Samenstellings-effect

Overig effect

Totaal

Blijvers

.

.

.

Komers & Gaanders saldo

_._

_._

_._

Totaal

.

.

.

Vergelijkend overzicht van verschillen tussen AVO, EWL en VINK

In deze studie zijn de verschillen tussen AVO en EWL voor alle overheidssectoren en voor VINK, AVO en EWL voor Rijk en Rechterlijke Macht bezien, zoveel mogelijk volgens dezelfde conceptie en definities van begrippen e.d., zodat de ‘echte’ verschillen duidelijk worden. Immers er kunnen ook verschillen tussen sectoren zijn door feitelijke verschillen in loonontwikkeling en gewerkte uren zowel voor het jaargemiddelde als gedurende het jaar.

Eerst is VINK vergeleken met AVO en EWL voor Rijk en Rechterlijke macht.

Vergelijking VINK met AVO en EWL:

-VINK (december) vergeleken met AVO (oktober), beide Functieloon (=Schaalloon) voor Rijk en Rechterlijke Macht apart

-VINK (december) Functieloon Rijk, vergeleken met EWL (december) Brutoloon, voor Rijk en Rechterlijke Macht tezamen.

In tabel S.1 worden aldus VINK, AVO en EWL vergeleken. Ondanks het feit dat het grondmateriaal (data en begrippen) zoveel mogelijk vergelijkbaar is gemaakt, zijn er toch verschillen waarneembaar. Wat betreft VINK en AVO à la VINK treedt bij het Rijk een verschil op van 0,3%. Dat kan goed worden verklaard uit de in werkelijkheid bestaande verschillen tussen de december/december ontwikkeling en de oktober/oktober ontwikkeling en uit mogelijke steekproefeffecten.

Tabel S.1: Vergelijking incidenteel per VTE in VINK, AVO en EWL

  Rijk Rijk & Rechterlijke Macht Rechterlijke Macht
VINK 1,1   0,6
AVO, Functieloon, okt. 0,8   0,8
EWL, Brutoloon, dec.   0,3  

Verder laat tabel S.1 een flink verschil zien tussen de EWL- en AVO-uitkomsten. Nader onderzoek leert dat tussen VINK/AVO en EWL een verschil van 0,6% zit in deeltijdwerkwijzigingen. Dat kan een gevolg zijn van de verschillende manier waarop voltijd in VINK/AVO en EWL worden berekend. Het gemiddelde aantal gewerkte uren van een voltijder per maand in EWL verandert niet conform de overgang van 38 naar 36 uur per week in VINK/AVO. Hier zit dus een resterend definitieverschil, dat op basis van het beschikbare materiaal wel geduid worden, maar niet opgelost. Verder is er een onverklaard verschil van een kwart procent tussen VINK en EWL à la VINK (na de genoemde correctie van 0,6%).

Conclusie: Uit deze vergelijking blijkt dat de verschillen tussen AI, CBS en IVOP voor het grootste deel (maar met veel moeite) kunnen worden geïdentificeerd. Geen van de begrippen is dus apert fout. Maar de beleidsmatige betekenis van ieder cijfer afzonderlijk is niet goed vast te stellen.

Beoordeling verschillen tussen AVO, EWL en VINK aan de hand van berekeningen met het overkappende ILO-begrip; bepaling van de elementen van belang voor nader invulling ervan.

In het rapport wordt een groot aantal berekeningen gemaakt m.b.t. de overkappende presentatie. Hiertoe is per sector AVO uitgebreid met de categoriale aanpak en EWL+ met de cohortbenadering. Aldus is op basis van beide databestanden de overkappende benadering uitgedraaid.

Behalve de kwestie van categoriaal en/of cohort benadering zijn er nog andere elementen van belang. Via een veelheid van berekeningen op basis van AVO en EWL is het overkappende ILO-begrip nader gespecificeerd. In tabel S.2 wordt daarvan een overzicht gegeven.

Dit proces levert uiteindelijk aanbevelingen op ten aanzien van de benaderingen van AVO, EWL en VINK.

Tabel S.2: Nadere specificatie van het overkappende ILO-begrip

Aspecten Invulling
1. Detaillering Achtergrondkenmerken: leeftijd e.d. zoals aanwezig in AVO en EWL, uit te breiden met opleidingsniveau
2. Arbeidseenheid Uren en/of gestandaardiseerd arbeidsjaar (VTE)
3. Sectorindeling Indeling in 8 overheidssectoren en diverse bedrijfstakken
4. CAO-loon Ruim, consistent met loonbegrip
5. Loonbegrip Zeer Ruim (link met NR en begroting) en ook Ruim (zover als mogelijk op basis bronstatistieken als EWL en AVO)
6. Verslagperiode Kalenderjaar
7. Meting Zeer grote steekproef
  1. Voor de analyse van de arbeidsmarktontwikkeling is het nodig te beschikken over de lonen naar kenmerken die de loonverdeling verklaren. Uit diverse onderzoeken is gebleken dat leeftijd, geslacht, opleidingsniveau en dienstverband (voltijd/deeltijd) daarbij het meest belangrijk zijn. Ook informatie over functie, beroepsgroep en bedrijfstak worden van belang gevonden. Daarnaast kunnen voor sommige analyses ook andere kenmerken (zoals regio, herkomst) van belang zijn. Ideaal is dan informatie over alle kenmerken, althans op zijn minst leeftijd, opleidingsniveau, geslacht en dienstverband.

Het VINK-bestand dat ons ter beschikking staat bevat geen microdata (met informatie over kenmerken als leeftijd). Verder wordt in VINK gewerkt met voltijdequivalenten, en zijn geen gegevens per uur beschikbaar. Om beide redenen is het niet mogelijk VINK-informatie conform de overkappende benadering uit te draaien.

  1. Wat betreft de arbeidseenheid was de keuze lang geleden, toen er nog nauwelijks werken in deeltijd plaats vond de keuze gemakkelijk: de werknemer. Met de komst van het werken in deeltijd werd het nodig te corrigeren voor dat fenomeen en lag als maat een gestandaardiseerde arbeidstijd, oftewel het voltijdequivalent voor de hand. Dankzij de ADV en de komst van de grote deeltijdbanen vergt de definiëring van het aantal uren dat hoort bij een voltijdbaan meer aandacht en wordt de urenbenadering belangrijker. Anders dan in de uurloonmutatie komt in de mutatie van het loon per gestandaardiseerd arbeidsjaar (VTE) per definitie de extra vrije tijd bij vermindering van jaar op jaar van de standaard arbeidstijd niet tot uitdrukking. Omdat de Nationale Rekeningen een jaarloonbegrip kennen kan ook worden gepleit voor een begrip dat daarbij aansluit.

Hier is sprake van een spanningsveld. Ideaal is natuurlijk een ILO-begrip dat zowel per werknemer, per VTE als per uur statistisch kan worden ingevuld en waarbij zowel bij de verdiende- als de CAO-lonen hetzelfde loonbegrip en hetzelfde urenbegrip worden gehanteerd, waarbij ook op dezelfde manier wordt gecorrigeerd voor wisselend aantal werkdagen per kalenderjaar. (Het aantal feestdagen kan per jaar verschillen en ook in schrikkeljaren is er een afwijkend aantal werkdagen.) In dat geval hebben algemene veranderingen in de arbeidsduur per saldo geen effect op het incidenteel, omdat ze dan op dezelfde wijze in de CAO-lonen en de verdiende lonen zitten en dus bij de berekening van het incidenteel tegen elkaar wegvallen. Een voordeel van de urenbenadering is dat veranderingen in overwerk (behoudens prijseffect) niet doorwerken in het incidenteel. Een nadeel van de urenbenadering is echter dat de vertaalslag naar de koopkracht er niet mee kan worden gemaakt. De berekening van belastingen en premies wordt immers gebaseerd op jaarinkomens (vanwege franchises, belastingvrije voeten, e.d.). Beide benaderingen (uren, gestandaardiseerde arbeidsjaren) hebben zowel voordelen als nadelen. Daarbij kunnen ook praktische overwegingen (de beschikbaarheid van de basisgegevens) van belang zijn. In deze studie is zowel gewerkt met uurloon als lonen per VTE (op voltijd gestandaardiseerde arbeidstijd), namelijk voor de sector Rijk. Voor de overige sectoren zijn wel uurlonen maar geen lonen per gestandaardiseerde arbeidsjaar berekend. De tijd ontbrak om deze berekeningen ook nog op basis van gestandaardiseerd arbeidsjaar, alsmede voor meerdere jaren dan 96/97 te berekenen.

Bij VINK (beschikbaar voor Rijk en Rechterlijke Macht) is alleen een loon per VTE mogelijk omdat het geen microbestand betreft. Naast de jaarlooncijfers van VINK zijn ook de lonen per VTE van AVO en EWL+ uitgedraaid. Daarnaast zijn voor alle overheidssectoren en voor de sector bedrijven ILO-berekeningen op uurloonbasis uitgevoerd. (We merken hierbij op dat het incidenteel berekend op basis van uurlonen kan verschillen van dat op basis van jaarlonen omdat de in de CAO afgesproken verandering in gewerkte uren anders kan zijn dan de feitelijke verandering in gewerkte uren).

Uiteindelijk zal de keuze voor een uurloon- dan wel een jaarloonbegrip mede afhangen van de mogelijkheden die de verschillende databestanden in zich hebben.

  1. Sinds de invoering van het sectorenmodel in 1993 lopen de loonontwikkelingen voor ieder van de acht CAO-sectoren van de overheid uiteen. Daarnaast is informatie over de loonontwikkeling in de diverse CAO’s per bedrijfstak nodig. Het ideale loonbegrip moet daarom acht overheidssectoren onderscheiden plus de nodige bedrijfstakken.

Voor de sectorindeling is zowel bij AVO als EWL in principe een indeling in de acht relevante overheidssectoren mogelijk. In het EWL-bestand zijn echter enkele sectoren samengevoegd. De vergelijking in deze studie beperkt zich daarom tot een indeling van de overheid in vijf sectoren. Verder heeft VINK slechts betrekking op een deel van de overheidssectoren.

  1. Bij het CAO-loonbegrip is consistentie met het loonbegrip dat in de macro-economische en budgettaire discussie gebruikt wordt, van belang. (zie het volgende punt)

Voor het CAO-loon kan daarom het best worden aangesloten bij het CAO-loonbegrip van het CBS. Het contractloonbegrip van het CPB kan daarvan licht afwijken, en het CPB geeft geen uitsplitsing naar de diverse sectoren van de overheid, zodat een keuze voor het CPB-cijfer niet aan de orde is. Ook de AI rapporteert over de CAO-ontwikkeling. Deze rapportages bevatten veel nuttige achtergrondinformatie. Voor structurele analyse zijn daarentegen de CBS-cijfers handiger omdat deze qua inhoud breder zijn en informatie per maand en per sector geven in de vorm van doorlopende tijdreeksen.

  1. Het is al eerder opgemerkt, voor de macro-economische en budgettaire discussie is een Ruimloon begrip ideaal. Bij een beperkt loonbegrip is er immers geen aansluiting bij overheidsbudget en Nationale Rekeningen (deze twee vallen overigens niet exact samen). De loonsom volgens Nationale Rekeningen omvat elementen die niet zonder meer zijn te vertalen naar het loon per werknemer. Voor de analyse van de ILO zijn de kenmerken van de werknemers zoals geslacht, opleiding en leeftijd van belang en zijn derhalve loongegevens gerelateerd aan werknemers een vereiste.

De loonbegrippen in AVO en EWL komen niet overeen, het best vergelijkbaar zijn Brutoloon AVO met Brutoloon EWL. Daarnaast is het Functieloon uit het AVO gelijk aan het Schaalloon in VINK. Hier hebben we de AVO/EWL-vergelijking daarom geconcentreerd op gegevens op basis van Brutoloon AVO en Brutoloon EWL.

  1. De macro-economische en budgettaire discussie heeft betrekking op kalenderjaren. Het ideale ILO-begrip betreft daarom jaarcijfers.

Wat betreft de peilperiodes gaat het bij AVO om maandcijfers (oktober) en bij VINK om maandcijfers (december), terwijl bij EWL zowel maandcijfers (december) als jaarcijfers kunnen worden gegeven.

In deze studie zijn de uurlonen conform de overkappende benadering berekend voor de overheidssectoren voor zowel beperkt, bruto loon als ruim loonbegrip voor diverse verslagperioden, steekproeven en integrale metingen, waarbij de vele mogelijkheden van de AVO- en EWL+-microbestanden uitgebreid werden benut. Uit deze analyses bleek dat er aanzienlijke verschillen op kunnen treden tussen de maandberekeningen en de jaarberekeningen.

De conclusie is daarom dat de verschillen in incidenteel loon tussen de overheidssectoren in diverse maandcijfers voor oktober en december en jaarcijfers voor een substantieel deel moeten worden gezocht in werkelijk bestaande verschillen tussen de diverse overheidssectoren wat betreft ontwikkeling van lonen en arbeidsduur gedurende het jaar en anderzijds voor een deel kunnen worden toegeschreven aan verschillen in presentatie en andere statistische verschillen. Dat eerste is overigens ook verklaarbaar door de ontstane verschillen in arbeidsvoorwaardenontwikkeling tussen de diverse overheidssectoren gedurende de laatste jaren.

In combinatie met het feit dat de macro-economische analyse en de budgettaire discussie betrekking hebben op jaarbasis en op de loonkosten, dus een Ruimloonbegrip, zijn ILO berekeningen op maandbasis en voor een beperkt loonbegrip in dit kader niet goed bruikbaar als indicator. Dat geldt zelfs nadat gecorrigeerd is voor presentatieverschillen door toepassing van de overkappende presentatie.

  1. Alleen wanneer steekproeven voldoende nauwkeurige uitkomsten opleveren, zijn ze, gelet op kostenoverwegingen (waaronder begrepen de enquêtedruk op bedrijven), uiteraard te verkiezen boven integrale tellingen.

VINK betreft een integrale telling. Het EWL+ is voor een groot deel van de overheidssectoren vrijwel integraal, terwijl bij Gemeenten en Onderwijs de steekproef erg groot is (64% resp. 78%). Het AVO betreft een gestratificeerde steekproef waarbij gemiddeld 7% van het totale aantal werknemers bij de overheid in 1996 is geteld.

In het voorgaande is aangegeven hoe een ideaal ILO-begrip het beste kan worden ingevuld. In de praktijk zal het overigens niet gemakkelijk, zo niet onmogelijk zijn, om aan alle gestelde eisen tegelijkertijd te voldoen. Men zal moeten accepteren dat tussen een ILO-begrip op basis van een directe bronstatistiek zoals EWL en AVO en de indirecte meting in de Nationale Rekeningen verschillen bestaan. De oplossing lijkt dan om op basis van bronstatistieken als AVO, EWL en VINK het ILO zoveel mogelijk vorm te geven volgens de wensen zoals geformuleerd, terwijl daarnaast verschillen met het Nationale Rekeningen loonbegrip door het CBS worden geëxpliciteerd.

De voorgaande analyse leidt tot de volgende aanbevelingen voor de specificatie van het ILO-begrip en de wijze van berekenen:

Aanbevelingen:

De belangrijkste conclusies voor gebruik van het ILO in de macro-economische en budgettaire discussie luiden als volgt:

  1. Omdat de hoogte van de loonmutaties op maandbasis zowel bij een ruim als een beperkt loonbegrip afhankelijk is van de keuze van de maand (uren en lonen kunnen immers gedurende het jaar veranderen en voor verschillende looncomponenten hoeft dat niet hetzelfde te zijn), is het gewenst dat het CBS steeds recente jaarmutaties publiceert voor verdiende lonen, CAO-lonen en incidenteel. De informatie kan worden gegeven op uurbasis of als gestandaardiseerd arbeidsjaar. In de praktijk moet worden bezien welke eenheid het meest haalbaar is. Zeer belangrijk is, dat daarbij ook de relatie met de jaarmutaties in de Nationale Rekeningen expliciet wordt gemaakt.

Het loonbegrip moet zoveel mogelijk elementen bevatten die voor de discussie over de ILO van belang zijn, zodat analyses kunnen worden gemaakt op basis van de decompositie van looncomponenten zoals in tabel 5.1.6. van het rapport is weergegeven. Voor gedetailleerde analyse van verschillen tussen CAO-sectoren zal men ook met een beperkter loonbegrip moeten werken als voor het ruime loonbegrip geen uitsplitsing naar CAO-sectoren mogelijk is.

  1. Het AVO-basismateriaal biedt ook de mogelijkheid om de loonmutaties te presenteren conform de categoriale invalshoek van het CBS, zodat in het AVO naast de eigen, interessante cohortbenadering, ook de categoriale presentatie conform CBS wordt gegeven.

Ten aanzien van presentatie:

  1. Het AVO biedt zeer interessante informatie over de loonmutatie van blijvers. Het CBS zou dat goede voorbeeld kunnen volgen, waarbij het CBS eventuele verschillen in loonontwikkeling tussen blijvers en totaal expliciet zou kunnen presenteren. Het CBS produceert dan naast de categoriale benadering ook de cohortbenadering (die tezamen de overkappende benadering vormen). Dat zou niet alleen de vergelijkbaarheid met AVO bevorderen, maar ook de analyse van de CBS-info interessanter maken. De exacte definitie van de blijvers is daarbij een aandachtspunt

  1. Voor de analyse is het voorts van belang dat het CBS het samenstellingseffect ook gaat berekenen inclusief de invalshoek opleidingsniveau (methode Walschots op basis LSO). Ook daarbij is recente informatie van belang.

  1. In de AVO-publicaties zou men bij de presentatie van begrippen die afwijken van die van het CBS, maar dezelfde benaming hanteren, andere namen kunnen gebruiken dan het CBS. Dit om verwarring te voorkomen.

Ten aanzien van de verbetering van de vergelijkbaarheid:

  1. De makers van AVO en EWL zouden de productie van hun databestanden meer op elkaar af kunnen stemmen. Om analytische redenen verdient het verre de voorkeur de cijfers op jaarbasis (kalenderjaar) te presenteren (zie aanbeveling 1); echter indien dit in praktijk niet mogelijk blijkt dan zouden de maandcijfers wel uit moeten gaan van een zelfde peilmoment. Ook de definitie van deeltijd, VTE en urenbegrip kunnen nader op elkaar worden afgestemd.

  1. Verder zou het ideaal zijn als CBS, CPB en AI hun berekeningen op het punt van CAO-lonen verder zouden afstemmen en dat de gehanteerde CAO-ontwikkeling zoveel mogelijk aansluit bij het gekozen loonbegrip. Uitgaande van een voorkeur voor een ruim loonbegrip kan dan het beste worden aangesloten bij het CAO-loonbegrip dat het CBS gebruikt.

Verder kan afstemming tussen de producenten van AVO en EWL en IVOP leiden tot betere vergelijkbaarheid voor de cijfers betreffende het Rijk en Rechterlijke Macht. Men zou in dit verband kunnen overwegen om de IVOP info die naar AVO en EWL gaat uit één gezamenlijk bestand te laten komen, zodat het onmiddellijk helder is als er verschillen zijn en waar die vandaan komen.