HOE ZIT GASTEL IN ELKAAR?

(Gemeente Halderberge, provincie Noord-Brabant)

dr. K.A.H.W. Leenders

7 juni 2005

© Copyright : dr K.A.H.W. Leenders


1 Inleiding

In het kader van het "Beschermingsprogramma essen Noord-Brabant" van de ROB is de aandacht gevallen op een akkergebied bij Stoof in de gemeente Halderberge, voorheen in de gemeente Oud- en Nieuw-Gastel. Het akkergebied ("es") bij Stoof ziet er volgens de ROB vanuit archeologisch oogpunt veelbelovend uit.

De naam Stoof houdt verband met een mee-stoof die daar in of kort na 1551 verrezen is. De naam houdt dus geen verband met middeleeuwse of eerdere bewoning of in cultuurname.

De aanwezigheid van een "es" is gebaseerd op twee gegevens. Ten eerste geeft de bodemkaart aan dat bij Stoof enkeerdgronden liggen, wat op een kaart van de ROB als een "es" geïnterpreteerd is. De coördinaten waartussen de "es" zich bevindt zijn (bij benadering) 91.400 tot 92.500 en 401.000 tot 401.750. Ten tweede bleek bij een korte visuele inspectie dat het landschap duidelijke es-kenmerken vertoont. Het terrein loopt bol, op sommige plekken na waar de toplaag is afgegraven. (1)

Of het daadwerkelijk een "es" is en of het archeologisch gezien een waardevolle plek betreft is nu (nog) nog niet duidelijk. Een boor-onderzoek kan dat uitwijzen. Twijfel over de waarde van de "es" van Stoof wordt bij de ROB verder gegrond op de ligging zo ver naar het noorden en zo dicht bij de (oude) zeemonding, waardoor het misschien voor 1200 nooit bewoond is geweest. (2)

Aanvullende informatie over de "es" bij Stoof vanuit historisch-geografische benadering kan over deze twijfel misschien uitsluitsel geven. In dit rapport "Hoe zit Gastel in elkaar?" wordt deze problematiek geplaatst in het wat bredere kader van heel de voormalige gemeente Oud- en Nieuw-Gastel, kortweg "Gastel". Zonder dat kader is de situatie te Stoof niet te begrijpen.


2 Geologie

Westelijk Noord-Brabant ligt, met het aansluitende gebied van de Noorderkempen, op de noordelijke flank van het zeer oude Massief van Brabant. Daardoor heeft de bodem er een algemeen dalende tendens in noordelijke richting, met een verhang van ongeveer 1 meter per kilometer. Ergens op die helling daalt de oude bodem onder het zeeniveau. Gastel ligt juist op die plek. De lagere delen van de helling zijn bedekt met vrij vlakke Holocene (jonger dan 10.000 jaar) afzettingen. In de hogere delen liggen Pleistocene (ouder dan 10.000 jaar, tot 2,5 miljoen jaar oude) afzettingen aan de oppervlakte.

De grens tussen Pleistocene en Holocene afzettingen slingert door Gastel. Kortweg kan gezegd worden dat het centrale deel van Gastel op Pleistocene bodem ligt (het Hoge genaamd), met daarom heen aan de west-, noord- en oostkant een breed hoefijzer met Holocene gronden (het Lage genaamd).

Gastel ligt in een gebied waarvan het landschap in de laatste 2000 haast onherkenbaar veranderd is. Kaarten 1 (Ca. het jaar "0") en 2 (Ca. 1000 AD) geven daarvan een eerste indruk.

2.1 Oud-Pleistoceen

In het centrale deel van Gastel liggen grote gebieden waar Oud-Pleistocene lagen nabij of aan de oppervlakte voorkomen. (3) Deze lagen behoren tot de Kedichem- of Tegelenformatie, ook wel Kempische Klei genaamd. Het betreft 2,5 tot 0,5 miljoen jaar oude wad- en rivierafzettingen: kleiplaten en zandbanen. (4) Door erosie gedurende de laatste 0,5 miljoen jaar zijn de kleiplaten hier uitgeprepareerd. Soms nemen ze de gedaante aan van een "getuigeberg" (zoals de Heinsberg of het centrum van Oudenbosch). Een groot Oud-Pleistoceen gebied ligt rond het centrum van Oud-Gastel en richting Stoof. Een tweede ligt oostelijker, rond Kuivezand. Aan de basis van het landschap ligt dus een nogal golvende oude ondergrond. (Kaart 3.)

2.2 Fluvioperiglaciale afzettingen

Gedurende de laatste ijstijd zijn rondom en tussen de hoge koppen door vorstwerking en de werking van plaatselijke beekjes zandafzettingen gevormd. Deze leidden tot een zekere vervlakking van het landschap. Zo werd de ruimte tussen beide Oud-Pleistocene gebieden opgevuld, terwijl ook langs de randen van de Oud-Pleistocene gebieden deze afzettingen voorkomen, onder meer te Stoof.(Kaart 3.)

2.3 De zwerfkeien van Oudenbosch

Op het Hoge van Gastel zijn in de loop van de jaren heel wat flinke tot zeer grote zwerfkeien gevonden. Deze keien zijn verzameld door broeder Christofoor uit Oudenbosch en liggen nu bij het Natuurhistorisch Museum aldaar. De keien zijn van Noorse herkomst. De wijze waarop ze in Gastel beland zijn is een geologisch probleem. In geen van de ijstijden kwam - volgens de gangbare opvattingen en blijkens de terreinwaarnemingen die voor blad 43 van de geologische kaart gedaan werden - het landijs tot in Gastel. De enige manier waarop dergelijke grote keien tot hier konden komen, lijkt transport per ijsschots te zijn. Voor de geologen is het feit dat ze nooit zo'n steen in situ hebben kunnen bestuderen een grote handicap bij het interpreteren van de aanwezigheid van deze intrigerende keien. (5)

2.4 Dekzand

Aan het einde van de laatste ijstijd werd over heel het gebied door de wind een zandlaag afgezet: het dekzand. Men onderscheidt Ouder en Jonger Dekzand. Een deel van dit zand ligt in dekzandruggen. Juist ten zuiden van het kruispunt van Stoof ligt een kleine plek zonder (of met heel dun?) dekzand: daar ligt de Oud-Pleistocene laag haast aan de oppervlakte.

Over de ligging van de dekzandruggen geven de geologische en de geomorfologische kaart (6) verschillende informatie. Volgens de geologische kaart is er een groot aantal kleine gebiedjes waar het dekzand meer dan 2 meter dik is (kaart 4.) Deze gebiedjes liggen bij het centrum van Oud-Gastel en ten noorden daarvan; een viertal bij Stoof; twee ten oosten van Oud-Gastel, bij Kuivezand en ten noorden daarvan. Volgens de geomorfologische kaart ligt het centrum van Oud-Gastel op de noordwestpunt van een brede, bijna 5 kilometer lange dekzandrug. Tussen het centrum en Stoof slingert een grillige dekzandrug en bij Kuivezand worden twee iets anders gevormde (dan op de geologische kaart) dekzandruggen aangegeven (kaart 5.). De geomorfologische kaart geeft nog twee "donken" in de periferie van het centrale hoge gebied aan.

2.5 Veen

Na de laatste ijstijd werd het klimaat geleidelijk warmer en liet het weer veengroei toe. In het gebied van Gastel hebben we te maken met twee verschillende veenvoorkomens: op het Hoge en in het Lage.

Op het Hoge werd het veen in eerste instantie gevormd in afgesloten kommen en oude dalen. Ca. 4000 jaar geleden, aan het begin van de Bronstijd, waren deze laagten zover opgevuld, dat het veen zich ook daar buiten ging uitbreiden. (7) Deze veenlagen zijn grotendeels in de periode 1250 - 1750 afgegraven om er turf van te maken. In de omgeving van Gastel was het meeste veen op het Hoge al tegen 1350 weggegraven. Op sommige plekken is er nog wat van over gebleven. Dit veen wordt tot het "Griendsveen-veen" gerekend. (8) Binnen het gebied van Gastel komen resten ervan voor in het zuidoosten: het Gastels Laag. (9)

Het veen in het Lage is in feite de rand van het Hollandveen dat geheel de kustvlakte langs de zuidelijke Noordzee bedekte. In deze randzone vallen basisveen en oppervlakteveen waarschijnlijk samen en is het veen relatief laat ontstaan. Het veen lijkt op een niveau nabij 0 NAP uit te wiggen tegen de Pleistocene ondergrond. Met veldwerk kan een preciezer niveau vastgesteld worden. Dit veen komt voor in een hoefijzervormig gebied rond het centrale hoge deel van Gastel. Het veen nadert de enkeerdgronden bij Stoof thans tot op 300 meter.

Aanvankelijk werd het veen doorsneden door enkele beekjes die vanaf het Hoge onderweg waren naar zee, zoals de Beke of Roosendaalse Beek in het zuidwesten. Mogelijk liep de Beke aanvankelijk noordwaarts verder, ongeveer langs het huidige Mark-Vliet-kanaal. De aanwezigheid van eutroof veen in die zone pleit daar voor. (10) Het veen had een beperkt eigen ontwateringssysteem in de vorm van watertjes die hier "lake" heetten. Ten zuidwesten van Gastel, over de Beke in het huidige Kruisland, liep de Lake (nu: Laaikreek). In het zuiden van Gastel lag de beek de Hesselake (nu genaamd De Rietsloot), die de natuurlijke afwatering van het Doorlechterveen was. Ten noordoosten van Gastel lag de Barlake. Een gehucht onder Fijnaart heet nu nog Barlaque. De Barlake liep uit in de Dintel, die aanvankelijk vanaf het huidige Stampersgat naar het noordwesten liep. De juiste ligging van deze veenontwatering is niet meer vast te stellen, omdat op die plaats later een kilometers brede getijdegeul gevormd werd. Op kaart 6 is de ligging van de veen- en zandgronden rond 1250 AD aangegeven.

2.6 Jonge Klei

In westelijk Noord-Brabant is de meeste jonge klei afgezet gedurende een laatmiddeleeuwse overstromingsperiode. Hier voltrok zich een proces waarbij de zeeinvloed zich steeds verder oostwaarts uitbreidde (periode: 1250 - 1421), terwijl daar achteraan de niet geërodeerde of vergraven veengronden opslibden zodat ze na ongeveer 150 jaar als kleipolder bedijkt konden worden (periode 1421 - 1650). Het vanaf 1421 beschikbaar komen van slibrijk water uit Maas en Merwede heeft het opslibbingsproces versneld. (11) Het doordringen van de zee in dit gebied werd bevorderd door vergraving van veen omwille van zout en turf; en door bodemdaling in het veen ten gevolge van agrarische ontginning.

Tot ca. 1250 AD bleef de invloed van de zee en zout water in Gastel zeer beperkt (kaart 6). Rond 1250 kwam de zoutwinning in de omgeving van Steenbergen op gang, dat is 10 kilometer westelijker. De in 1271 uitgegeven moerdijk Potmeer (12) lag ongeveer 8 kilometer ten noordwesten van de kerk van Gastel. De stormvloed van 1288 trof ongetwijfeld ook de veengronden rond Gastel. De lage gronden van het klooster St.-Catharinadal, op 4 kilometer ten zuidzuidwesten van Oud-Gastel verdronken toen onherstelbaar. In 1295 verhuisde het klooster naar Breda. Bij de deling van het Land van Breda, die in de jaren 1287 - 1290 geregeld werd, besloot ken kennelijk om de in 1288 getroffen gebieden NIET te verdelen, maar tot gemeenschappelijk bezit van de heren van Breda en die van Bergen op Zoom te maken. (13) Men zag blijkbaar in dat zout water op veen het gebied geschikt zou maken voor de zeer lucratieve zoutwinning, maar kon blijkbaar niet zo snel inschatten waar de meest waardevolle plekken zouden zijn. Heel Gastel kwam in dit "Gemene Land" te liggen.

Waarschijnlijk heeft de vloed van 1288 in nog niet of amper ontgonnen gebieden, zoals die rond Gastel, weinig schade aangericht. Het overstromingswater vloeide kennelijk gewoon weer weg en van regelmatige overstroming bij vloed was nog geen sprake. Klachten over rampen en schade in 1288 vinden we in Gastel niet.

Het verdere oprukken van de zeeinvloed kan gepeild worden aan de hand van de uitgiften van veengronden voor commerciële uitbating. In 1294 werd een gebied tussen de huidige polders Standdaarbuiten en de St.-Maartenspolder uitgegeven, zonder te zinspelen op zoutwinning. (14) In de zelfde zone werd in 1300 een moer uitgegeven waarbij wél rekening gehouden werd met toekomstige verzilting. (15) De Barlake werd toen als "pannenmoer" aangeduid: daar was in 1300 al zoutwinning. De zoutgrens lag in 1300 kennelijk nabij de huidige mond van het kanaal dat de Oudenbossche Haven heet. Dat kanaal werd in 1300 gegraven. (16) Deze "zoute vaart" sloot in het noorden aan op Gherads varde van der Meere. (17) Die vaart van Gerard van der Meere moet tussen het huidige Barlaque en de havenmond van Oudenbosch gelopen hebben. Gerard van der Meere had daar kennelijk moeren liggen. Vervolgens werd in 1301 een ruim 300 hectare groot turfmoer ten zuiden van Oudenbosch uitgegeven, het huidige Oudenbossche Laag. (18) Ook hier werd rekening gehouden met een eventuele verzouting, maar de moer was kennelijk nog zoet ("vers").

In 1344 werd aan de westkant van de Oudenbossche Haven een gebiedje van 14 hectare uitgegeven om er zout te winnen. (19) Blijkbaar drong het zoute water nu ook de venen rond Gastel binnen. In het zelfde jaar werd voor het eerst zoutwinning toegestaan bij Zevenbergen, maar alleen in 1346 werd daar op bescheiden schaal gebruik van gemaakt. (20) Mogelijk heeft de septemberstorm van 1344 het zeewater weer verder westelijk Noord-Brabant ingedreven, alhoewel Gottschalk alleen schade dicht bij de Noordzeekust vermeldt. (21) Denkelijk is naar aanleiding van deze storm en tijdelijke overstroming de "Oude Dijk" om het hoge centrale gebied van Gastel aangelegd. Buiten die dijk werden kennelijk reeds op kleigronden poldertjes aangelegd, want in 1359 is daar sprake van "spadeland". (22) In deze streek is dat boerenland in polders met klei, eerder dan land waaruit moer gedolven is. Kaart 7 schetst de toestand in en om Gasten rond 1350 AD.

1421 bracht met de Sint-Elizabethsvloed blijkbaar de definitieve ondergang van het land buiten de Oude Dijk. De vloed sloeg om Gastel heen een gat in de weg-dijk tussen Kuivezand en Oudenbosch. Daar ontstond het Groene Wiel, waaruit en waarlangs overslagmateriaal afgezet werd op de rond 1300 uitgedolven moeren van het Gastels Laag. Dat gebied bleef korte tijd onder getijdeinvloed, want er werd een dun kleilaagje afgezet. Het Groene Wiel werd weldra omdijkt en op de dijk verrees een kapelletje. (23) Kaart 8 schetst te toestand in en om Gastel omstreeks 1450 AD.

Het hoefijzervormige gebied rondom centraal Gastel bleef echter gemeen met de zee tot 1551. De Dintel werd in die periode een zeer brede getijdegeul waarlangs het overstromingswater van een groot deel van westelijk Noord-Brabant vier maal daags aan- of afgevoerd werd. Ten noorden van Gastel vertakte deze geul zich in de Mooie Kene (richting Klundert) en in wat nu de Mark en Dintel heet. Dat laatste water is een aaneenschakeling van de oude Barlake en de uitgemoerde gronden tussen de St.-Maartenspolder en Standdaarbuiten, die al in 1375 geïnundeerd waren. Sindsdien liep de rivier de Mark door dat gebied, dat op de Gastelse Kaart van 1565 de naam "De Uitslag" draagt (24), uit in de Dintel. Het ontstaan van een grote zeearm ten noorden van Gastel hangt dus nauw samen met de oude moernering, het oprukken van de zeeinvloed in de veertiende eeuw en de behoefte aan een brede getijdegeul in de overstromingsperiode 1421 - 1551.

De klei werd in Gastel afgezet op het veen, maar ook op de rand van de zandgronden. De klei lijkt op een niveau van ongeveer 1,3 m + NAP uit te wiggen tegen het zand. Ook hier kan veldwerk een nadere precisering brengen. De klei nadert de enkeerdgronden bij Stoof tot op 150 meter. (25)

In de jaren 1421 - 1551 werd rondom het centrale deel van Gastel geleidelijk een slikken- en gorzengebied opgebouwd. Naarmate die gronden hoger werden, werden ze vóór 1490 alweer extensief agrarisch gebruikt. (26) In 1551 werd het gebied dan in zijn geheel bedijkt. Tevens werd een nieuw dorp gesticht: Nieuw-Gastel. Nieuwe polder en dorp werden opgevat als een nieuwe bestuurlijke en kerkelijke eenheid, los van het oude Gastel: Nieuw-Gastel. De grens tussen Oud- en Nieuw-Gastel werd op de Oude Dijk gelegd en liep midden door Stoof, zelfs door het enkeerdgebied van Stoof heen. Ook het dalletje De Piet, waarin het beekje De Emer (nu: Emmersloot) ontspringt, werd onder Nieuw-Gastel gerekend. (27) In 1583 werd de dijk om militaire redenen vernield en het dorp verdronk. Na herdijking in 1595 werd het niet herbouwd, maar Nieuw-Gastel bleef tot ca. 1810 wèl als afzonderlijke bestuurlijke eenheid bestaan.

Naarmate het gebied hoger opslibde, was er minder overstromingswater dat door de getijdegeulen stroomde. Bedijking verminderde het debiet nog meer. De geulen pasten zich aan door geleidelijk dicht te slibben. Uiteindelijk bleef in 1826, toen de Dintel met een sluis afgesloten werd van het buitenwater, voor de rivier langs Gastel een geul van 50 meter breedte over!

De jonge klei in Gastel dateert dus in hoofdzaak uit de periode 1412 - 1551; met wat oudere laagjes uit de jaren 1340 - 1421 en misschien een dunne toevoeging uit 1583 - 1595. De algemene bodemopbouw te Gastel wordt in Schema 1 geschetst.


3 Historische ontwikkeling

3.1 Archeologie

Uit het gebied van Gastel zijn me geen archeologische vondsten bekend. Gastel valt echter in het gebied waar verschrikkelijk weinig uitgekeken is naar archeologica, zodat deze vondstenloosheid niets hoeft te zeggen. (28) Ergens in Oudenbosch werd een munt van Marcus Aurelius gevonden. (29) Het verdwenen dorp Nieuw-Gastel staat in mijn gegevens genoteerd als mogelijke vondstenlokatie (periode 1551 - 1583).

3.2 Scherebaard

Uit de eerste helft van de twaalfde eeuw lijken twee teksten te dateren die melden dat Vastraad Scherebaard (van Uitwijk) aan de St.-Laurensabdij te Oostbroek goederen, waaronder een kapel, schonk die rond en nabij Oud Gastel lagen. Als grenzen werden opgegeven: tussen Opperster mere, Hoghe Alderberghe, Dorlechten venne, Hoemaerleede en Botervleete of: tussen Markemunde, Ouerste Ouermere, Halreberge en Thurlichteruene. (30) De bewerkers van het Oorkondenboek Noord-Brabant menen dat de tekst van 1140 echt en die van "1125" een vervalsing is. Zelf acht ik het geheel vals en bedacht in de jaren 1287/1290 in een poging het Land van Strijen of Zevenbergen te vergroten ten koste van het Land van Breda op het moment dat dat laatste Land verdeeld moest worden. (31) In ieder geval blijkt later noch in de archieven van Oostbroek, noch in de geschiedenis van Gastel iets van enige invloed van Oostbroek in Gastel. Dat de pastoor van Gastel in zijn testament in 1295 abt en abdij van Oostbroek 20 schellingen schenkt, kan ook een goedmakertje voor de schrik van de rel uit 1287-1290 zijn. (32)

3.3 Het Land van Breda

Vanaf ca 1198 hoort het gebied van Gastel onder het Land van Breda, dat een leengoed van de hertog van Brabant was, maar binnen het hertogdom een bijzonder zelfstandige positie bezat. Vanaf 1246 treedt ook deze streek een periode van snelle ontwikkeling binnen, de Expansieve Periode. (33) Vanaf 1275 komt Gastel in de documenten naar voren als een streek waar de heer van Breda vrijelijk over kennelijk nogal onbewoonde gebieden beschikt. Zo wordt het gebied van de latere gemeenten Oudenbosch en Hoeven in stapjes aan de abdij van St.-Bernaards aan de Schelde verkocht en geschonken. Die abdij ontwikkelt Hoeven vooral als een agrarische gemeenschap, met een uithof op de Bovendonk. Bij Oudenbosch, toen nog het Baarlebos, was de eerste ontwikkeling meer op turf- en zoutwinning gericht. Ook de parochie Gastel, die aanvankelijk zowel deze laatste twee plaatsen als het eigenlijke Gastel omvatte, kwam in handen van de abdij. De grond en het wereldlijk gezag te Gastel bleef echter in handen van de heer van Breda. In of voor 1279 heeft hij er een schepenbank in bedrijf. (34) Men is dan bezig de grenzen van het "allodium Gastel" vast te leggen. Die zouden lopen van het Doorlechter Veen via de Steenbergse Vliet ("Lede"), de monding van de Dintel en de monding van de Mark (nu: havenmond van Numansdorp!), langs de middeleeuwse Mark tot tussen Hoeven en Zevenbergen en dan over de Hoogste Halderberg (even ten zuiden van Hoeven) terug naar het Doorlechter Veen. (35) Dat gebied omvat dus niet alleen Hoeven, Oudenbosch en Oud- en Nieuw Gastel, maar ook Dinteloord, Fijnaart en Heijningen, Willemstad en Standdaarbuiten! Het bijkomende gebied bestond echter geheel uit een nog vrij leeg Hollandveen-gebied met wat rivieren en meren, en in het westen ook beginnende zoute moernering.

In 1287 werd het Land van Breda door de hertog verdeeld in een kleiner Land van Breda (de latere Baronie) en het Land van Bergen op Zoom (het latere Markizaat). Van 1287 tot in 1290 is men doende geweest de deling in het terrein aan te geven. Gastel kwam terecht in het gedeelte dat gemeenschappelijk bleef. We gaven al aan dat de overstroming van 1288 daar mogelijk de aanleiding toe was. Pas in 1458 werd de gemeenschappelijkheid opgeheven. Gastel hoorde sindsdien geheel onder het Land van Bergen op Zoom. (36)

3.4 De nederzettingen

Zand-Brabant is een gehuchtenland en de dorpsgemeenschappen bestaan er gemiddeld uit een dozijn gehuchten met nog een nederzetting bij de kerk. Gastel neemt een grenspositie in, want de grens zand/klei slingert er doorheen. Op het zandgedeelte kunnen, naast Oud-Gastel als kerknederzetting, nog 6 gehuchten onderscheiden worden:

Samen vormden deze "Gastel". Alle oude attestaties zijn varianten op of luiden: Ghestele. Gastel is blijkbaar een moderne vorm van deze naam. (37)

Delahaye ziet in de naam Gastel graag een vervorming van castellum, meer speciaal een romeins. Hij realiseert zich dat archeologica noch archivalia daar voor Gastel op wijzen. Het zou ook nogal strijdig zijn met zijn eigen overtuiging dat er geen Romeinen in Nederland waren. Daarom veronderstelt hij dat de naam Gastel een "zuivere importnaam" is, meegebracht door dertiende-eeuwse kolonisten vanuit een van de vele Gastels elders. In dat andere en oudere Gastel zou het castellum dan gestaan hebben. (38)

Gewoonlijk wordt gestel echter beschouwd als een samenstelling van geest, gaast, germaans gaistu- f, zandige hoogte (39) en het element -lo. Mansion twijfelt echter wegens de afwezigheid van vormen zonder klinker tussen de t en l en wegens de onzekerheid dat gast- uit geest verkort is. Blijkens de geomorfologische kaart zou deze verklaring uit "geest" juist kunnen zijn. Met de "geest" worden dan de Pleistocene zandgronden gedoeld, en dat in contrast met de nabije Holocene gronden.

De Bont (40) stelt Gestel naast Gastel. Het verschil tussen deze twee vormen zou het gevolg zijn van een verschillend bestanddeel dat op het eerste lid volgt: bij Gastel is dat -el (< le, lo) = bos; bij Gestel is het -ilo, ila een verkleiningsuitgang met i als umlautsfactor. (41)

Nadat bij het Barlake een nieuw dorp, Nieuw-Gastel, gesticht was, ging het oude dorp Oud Gastel heten.

Kuivezand ligt op een dekzandrug ten noordwesten van het Gastels Laag. Het is een straatgehucht, waarbij tot ca. 1669 de windmolen van Oud Gastel stond. (42) Er zijn geen Kuivezandse akker, straat, beemd of hei bekend. "Kuive" (1562: Cuve) zou de vorm van de zandrug beschrijven, bij uitstek geschikt om er een windmolen op te plaatsen. (43) Op de dekzandrug ligt een gebied met enkeerdgronden.

Met Meer en Stoof wordt op negentiende en twintigste eeuwse kaarten een vrij dicht bebouwde straat aangeduid. Mogelijk is dat de lokatie die eigenlijk Stoof heet, terwijl een oord genaamd Meer dichter bij Oud Gastel, waarschijnlijk ten noorden van de kerk, te zoeken is. Daar is nog altijd een Meirstraat. Vermeld wordt de Stoofstraat. We hebben hier met een samengestelde naam te doen: Meer, Stoof. (44)

Meer, mere is hier een waterplas of moerassige plaats. In de late dertiende eeuw nam de moerneerdersfamilie Van der Meere in Gastel blijkbaar een overheersende plaats in. (45) Stoof is hier de korte benaming van een mee-stoof. Voor de opkomst van de synthetische kleurstoffen (ca. 1870) werd in de polders van westelijk Noord-Brabant veel meekrap (Rubia tinctorum L.) verbouwd. Voor de verwerking daarvan stonden er verspreid mee-stoven. In de mee-stoven werden de wortel van de meekrap voorzichtig gedroogd. Uit deze wortels bereidde men een grondstof voor de bereiding van rode kleurstoffen. In Stoof had een mee-stoof waarschijnlijk pas zin na de bedijking van Nieuw-Gastel, dus vanaf 1551. De naam Stoof is dus jong, al werd hij al in 1565 genoteerd. (46) Langs de noordrand van het centrale gebied van Gastel ligt bij Stoof een gebied met enkeerdgronden.

Neerstraat en Opperstraat zijn twee gehuchten die eerst rond 1800 vermeld lijken te worden. Beide straten vormen eigenlijk één straat, waarbij de omgeving van de Opperstraat rond 4 m + NAP ligt en die van de Neerstraat rond 3 m + NAP. De namen beschrijven dus de relatieve hoogteligging. Bij de Opperstraat ligt een gebied met enkeerdgronden. (47)

De Oude Dijk is eigenlijk de dijk rond het centrale deel van het dorpsgebied van Oud Gastel, met aan de noordwestzijde aanvankelijk binnendijks het gehucht Oude Dijk. Andere delen van de dijk waren niet minder bewoond en hadden andere namen. Geen gehuchtse akker, straat, beemd of hei. Als gehuchtnaam alleen in 1908 vermeld. (48) Het betreft waarschijnlijk het oude gehucht Meer!

De naam Overesselijk is een vervorming van een naam die de ligging van het gehucht ten opzichte van de rest van Oud Gastel beschreef: over de beek genaamd de (H)esselake. (49) De naam van de waterloop ging geheel verloren en komt alleen nog terug in de gehuchtnaam Overesselijk. Het water kreeg een nieuwe naam: Riet, Rietvaart. Bij Overesselijk ligt een enkeerdgebied van ongeveer 100 hectare. (50)

Het centrum van Gastel werd gedomineerd door een forse laatmiddeleeuwse kerk, waarvan de toren nog staat. Het kerkgebouw werd later vernieuwd. De kerk staat op de westelijke flank van de centrale hoogte van Gastel, op een betrekkelijk laag niveau. Verder vertoont de kom geen bijzondere kenmerken: een verbrede straat en enkele meer aanzienlijke gebouwen. Even ten noorden van de kerk stond "Het Hof", waarvan de juiste betekenis niet duidelijk is. "Oudenborch" is een intrigerende naam in de rijpe gorzen van Nieuw Gastel. Het blok was 38 gemeten of ruim 16 ha. groot en behoorde na beslechting van een geschil tot het domein van de heer van Bergen op Zoom. (51) Was "Het Hof" misschien de jongere opvolger van een oudere "burcht" die in lager terrein lag en in 1421 verdronk ? Onbekend. Bij de kom van Oud-Gastel geeft de bodemkaart laarpodzolgronden aan, net als op vrijwel alle zandgronden van Gastel buiten de enkeerdcomplexen.

3.5 Gastel vroeg of laat?

Binnen Gastel treffen we alleen gronden aan van de heer van Bergen op Zoom. Het betreft eigen domeingronden die vooral aan de westkant in de polder van Nieuw-Gastel een groot blok omvatten. Daarnaast waren er enkele leengoederen. Deze maakten deel uit van het Doorlechter Veen (52) of het waren nieuwe aanwassen die niet in cijns maar als leen waren uitgegeven. (53) De lenen in Gastel gaan dus niet op oudere structuren terug. Voor het overige was Gastel waarschijnlijk helemaal cijnsplichtig aan de heren van Bergen op Zoom. (54) Een dergelijke "monolithische" feodale structuur wijst in westelijk Noord-Brabant en omgeving op een jonge nederzetting, in dit geval mogelijk gevormd vroeg in de expansieve periode. Het alternatief, een "oude" nederzetting, vertoont een veelheid aan feodale heren en ook enclaves die helemaal niet tot het Land van Breda of Bergen behoren (zoals nu nog in Baarle). Wat dat betreft is het beeld in Gastel duidelijk: een jong dorp.

De ligging van de kerk van Gastel aan de uiterste westrand van de centrale hoogte is merkwaardig. Het is bepaald geen centrale ligging. Evenmin staat de kerk op een "kaap", zoals te Ossendrecht, Woensdrecht, Halsteren of Hoeven. Er is bij de kerk geen oude bezitsstructuur bekend (of "Het Hof" zou dat moeten zijn, maar daar weten we niets van.)

Ook de benamingen van de gehuchten wijzen niet op een hoge ouderdom. Aan de andere kant valt de oppervlakte enkeerdgrond voor een 750 jaar geleden ontgonnen gebied dan weer tegen, maar dat is een apart probleem.

3.6 Enkeerdgronden

Enkeerdgronden waren vroeger gemakkelijk te interpreteren: ieder jaar werd de akker een millimeter dikker, en dat tot ca. 1900 toe. Een akker van 60 cm duidde dus op ontginning ca. 1300. In Gastel zou dat niet eens zo slecht uitkomen...

Maar er zijn inmiddels minstens twee complicaties onderkend. Aan de ene kant kan de ophoging van de akkers wel eens in hoofdzaak tussen 1750 en 1900 gebeurd zijn (het meest extreme standpunt); aan de andere kant werden in de streek van Wouw, dat is 10 km naar het zuidwesten, heel oude akkers amper opgehoogd omdat de bodem dat niet nodig had. (55)

Bij de voorbereiding van "Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde" werden door de bodemkundige Kanters gegevens beschikbaar gesteld over plaatsen waar hij tijdens veldwerk moderpodzolen onder akkers had aangetroffen. In Gastel en ruime omgeving heeft Kanters geen moderpodzolen waargenomen.

Voor de ontginning en het agrarisch bedrijf van Gastel was verder van belang dat men er over relatief veel graasland kon beschikken: eerst in het omringende veengebied, later op de gorzen, maar ook na 1551 in de polder. Dit maakte volledige ontginning van het zandgebied mogelijk. Bovendien leidde het er toe dat de dichtstbijzijnde heide van enige betekenis ver buiten de dorpsgrenzen lag: pas ten oosten van Bosschenhoofd onder Hoeven, 6 kilometer van de kerk van Gastel. Het zandgedeelte van Gastel kunnen we dus als een "beemdendorp" beschouwen: in 1830 was nog niet 1 % van de grond van Oud- en Nieuw-Gastel in gebruik als heide. (56)


4 Besluit

4.1 Samenvatting

Gastel bestaat uit een centraal hoger gelegen gebied met Pleistocene bodem, met daaromheen een gebied dat ooit veengebied was, maar sinds de late middeleeuwen een kleigebied is. Het centrum van de dorpsgemeenschap, de kern Oud-Gastel met zijn kerk, ligt op de westkant van de centrale hoogte. Verder liggen in dat gebied nog enkele gehuchten, met daarbij vier enkeerdgebieden. Daartussen liggen vooral laarpodzolgronden.

De "es" van Stoof is slechts één van de vier enkeerdgebieden (zie kaart 9). Onduidelijk is in welke mate de terreingolvingen bij Stoof bepaald zijn door de volgende factoren: dynamiek van het Oud-Pleistocene landschap; afvlakking door fluvioperiglaciale afzettingen; afvlakking door dekzand; versterking van hoogteverschillen door een dekzandrug; versterking van die verschillen door toevoeging van een anthropogene akkerlaag.

De naam Stoof is jong (midden zestiende eeuw). De akker daarbij kan best veel ouder zijn. Er zijn echter nog drie dergelijke akkers in Gastel. Gastel als geheel en ook de omgeving van Stoof maken echter niet de indruk vóór 1250 intensief bewoond te zijn geweest. De archieven geven, buiten de Scherebaard-discussie, voor bewoning vóór 1250 geen aanwijzingen.

Het is mogelijk dat de akkers van Gastel niet zo "dik" zijn als elders in het zandgebied omdat in deze streek de akkerophoging minder kon zijn door de aard van de bodem en beschikbaarheid van veel grasland.

De streek ten noordwesten van de spoorlijn Nispen - Moerdijk is archeologisch volkomen verwaarloosd. Het ontbreken van vondsten zegt dus niets.

De waarde van de "es" van Stoof wordt niet bepaald door de mate waarin deze noordelijk ligt. In het terrein zijn veel meer directe invloeden aanwezig die de waarde bepalen. De ligging nabij een oude zeemonding is voor de periode vóór 1300 niet van belang: er was gewoon geen zeearm of zeemonding in de buurt.

De nabijheid van het Hollandveen en de aanwezigheid van kwelwater uit de Oud-Pleistocene afzettingen zal veel meer van belang zijn geweest voor de vraag of deze plek te nat was. Een mogelijk belangrijk gegeven is dat in de periode 1300 - 1320 bij eb het waterpeil in de haven van Oudenbosch ongeveer 0,8 m - NAP geweest moet zijn. (57)

De ligging van de akker bij Stoof (en die van de andere enkeerdgebieden in Gastel) kan vergeleken worden met de situatie in Princenhage. Daar werden onlangs twee waterputten van ca. 700 AD aangetroffen op 400 meter afstand van de rand van het veengebied van Aabroek, ook een uitloper van het Hollandveengebied. Het vondstniveau was ongeveer 1,6 m +NAP. Ook op de nabijgelegen Steenakker lopen de bewoningssporen, die daar uit de Romeinse periode dateren, soms door (vanaf 4 M + NAP) tot 1,6 m + NAP. De vondstenlaag liep door tot op de Hazenberg bij Gageldonk, tot op 50 meter van de rand van een veengebiedje dat aansloot op Aabroek. Uit een kelder in de binnenstad van Breda werden emmers vol IJzertijd scherven opgehaald. Meting wees ook daar een niveau van 1,7 m + NAP uit. Blijkbaar hoeven in deze streek de nabijheid van de rand van het Lage noch een niveau van slechts 1,6 m + NAP als belemmering voor vroege bewoning te gelden.

4.2 Nader onderzoek

Wanneer een beter overzicht van de toponiemen van Gastel beschikbaar was geweest, had er waarschijnlijk wat meer over de nederzettingsgeschiedenis gezegd kunnen worden. Aanvulling is vrij eenvoudig mogelijk omdat de verpondingsregisters van de achttiende eeuw voorzien zijn van kaarten. De genoemde percelen of belendingen zijn dus eenvoudig af te lezen. Deze kaarten kunnen ook de ligging van het veertiende eeuwse dijkje nader preciseren. Vanuit de verpondingsregisters wordt verwezen naar data van schepen- of notarisbrieven. In die documenten is vaak over het perceel meer gedetailleerde informatie te vinden. De verpondingsregisters (58), schepenbrieven en notarisacten worden bewaard op het Streekarchief in Zevenbergen. De cijnsboeken van Gastel zijn op het Gemeentearchief van Bergen op Zoom. (59) Ze bevatten helaas geen kaarten, maar gaan wel verder terug in de tijd.

Naar ik verneem beschikt de Gastelse Heemkundekring over een kaart met 150 veldnamen (voor heel Gastel). Deze namen zijn door Jan de Jong uit Oud-Gastel, tel. 0165-513418, verzameld en gesitueerd tijdens gesprekken met oudere mensen. Mogelijk bevat deze kaart namen van de akkers in Gastel.

Aanvullend kan het kadaster benut worden. Net als de verpondingsregisters geeft het kadaster per perceel aan welk belastingtarief toegepast wordt. Dit geeft een kwaliteitsaanduiding voor ca. 1730 en ca 1830: vergelijking en toetsing zijn dus mogelijk. De kadastrale documenten zijn op microfiche beschikbaar op het Rijksarchief Noord-Brabant in 's-Hertogenbosch.

De tienden in Gastel werden geheven door de abdij van St.-Bernaards, na 1559 de bisschop van Antwerpen. In het kader van de afschaffing van de tienden, zijn de tiendrechten ca. 1907 in kaart gebracht. Deze kaarten berusten mogelijk in het archief van de Tiendcommissie op het Rijksarchief Noord-Brabant in 's-Hertogenbosch. De indeling in tiendklampen kan, maar hoeft niet, nadere structurerende informatie leveren.

Voor dit rapport is gebruik gemaakt van de hoogtegegevens op de moderne topografische kaart op schaal 1:25.000. De meer gedetailleerde hoogtepuntenkaart 1:10.000 geeft een verfijning. Een nog beter beeld kan verkregen worden met de op schaal 1:10.000 of 1:5000 uitgevoerde hoogtekaarten van de ruilverkaveling te gebruiken. Alle door de ruilverkaveling aangebrachte "verbeteringen" staan daar nog niet op en bovendien geven die kaarten hoogtelijnen om de 25 cm hoogteverschil. Deze kaarten worden (niet meer?) bewaard op de Cultuurtechnische Dienst in Utrecht of bij de Dienst Landinrichting in Tilburg.

In het veld zou nagegaan moeten worden of de centrale grillige dekzandrug, die door de geomorfologische kaart aangegeven wordt, werkelijk een dekzandrug is. Het zou ook een complex van welvingen in de Oud-Pleistocene ondergrond kunnen zijn.

Met wat boren op enkele raaien en vergelijken van de resultaten met de gedetailleerde hoogtekaart kan vastgesteld worden op welk niveau veen en klei uitwiggen tegen het zand.

Mochten er bij archeologische verkenningen of archeologisch onderzoek zwerfkeien aangetroffen worden, dan is het raadzaam deze in situ te laten, met zoveel mogelijk van de oorspronkelijke bodem er omheen. Haal er een of meer geologen bij om deze kwestie te laten onderzoeken. Zie § 2.3.


Literatuur waar naar verwezen wordt

Bont, A.P. de. Dialecten van Kempenland. III: Geografische namen. Assen, 1969.

Buiks, C.J.M. en K.A.H.W.Leenders. Nederzettingsnamen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad. Den Haag, 1994. (6 delen).

Delahaye, A.. Heer Jansland gezegd Nieuw Gastel. Publ. Nass. Brabant nr. 10 (1970). (1970b)

Delahaye, A. e.a.. Gastel, land van abten en markiezen: gedenkboek bij gelegenheid van het 700 jarig bestaan van de gemeente. Oud en Nieuw Gastel, 1975.

Geomorfologische Kaart van Nederland, blad 49 (1980); schets blad 43.

Gysseling, M.. Toponymisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord- Frankrijk en west-Duitsland voor 1226. Gent, 1960, 2 dln. (1960a)

Ham, W.A. van. De leengoederen en de leenmannen van de heerlijkheid stad en land van Bergen op Zoom. Bijdragen geschiedenis Brabant 52 (1969) 5 - 90. (1969a)

Ham, W.A. van. Breda contra Bergen op Zoom. Vijf eeuwen strijd om de grenzen. Jaarboek De Oranjeboom 27 (1974) 151 - 185; 28 (1975) 95 - 134.

Helsen, A.-M., J.Helsen. Gehuchtnamen in de Antwerpse Kempen. Leuven, 1978.

Kasse, C.. Early-Pleistocene tidal and fluviatile environments in the southern Netherlands and northern Belgium. Amsterdam, 1988.

Leenders, K.A.H.W.. De exploitatie van moergronden bij Zevenbergen. Jaarboek De Oranjeboom 32/33 (1979/1980) 235 - 242. (1979/80b)

Leenders, K.A.H.W.. Verdwenen Venen. Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad. 1250-1750. Brussel/Wageningen, 1989. (1989a)

Leenders, K.A.H.W., C. Verbruggen, M.v.Strijdonck. De betekenis van Zundertse veenresten voor de kennis van de holocene Westkempische en Westeuropese venen en historisch en paleo - ecologisch onderzoek. Geografisch Tijdschrift 23 (1990) 340 - 352. (1990a)

Leenders, K.A.H.W.. Landschapsgeschiedenis van het Gastels Laag. (Tilburg), 1996. (Staatsbosbeheer, Regio west; 32 blz. afb., krtn, foto's. lit.). (1996g)

Leenders, K.A.H.W.. Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde. Ontginnings- en nederzettingsgeschiedenis van het noordwesten van het Maas - Schelde - Demergebied, 400 - 1350. Een poging tot synthese. Zutphen, 1996. (680 blz, ISBN = 90.6011.970.3.). (1996l)

Loon, J.B. van. Grondbezitsverhoudingen in het verleden te Wouw, Moerstraten en Gastel. Jaarb. Ghulden Roos 23 (1963) 97ev.

Mansion, J.. De voornaamste bestanddelen der Vlaamsche plaatsnamen. Brussel, 1929. (Nomina Geographica Flandrica, Studiën III.)

Oosten, M.F. van. Invloed van de bodemgesteldheid en de waterhuishouding op het agrarische landschap rondom Wouw. Wageningen, 1975.

Verbraeck, A., Bisschops, J.H.. Toelichting bij de geologische kaart van Nederland 1:50.000. Blad Willemstad Oost (43 O). Haarlem, 1971.

Verhagen, J.H.. Prehistorie en vroegste geschiedenis van West-Brabant. Waalre, 1984. (Bijdragen tot de studie van het Brabants Heem nr.24).(1984a)

Voordt - Pieck, L. van der, M. Kuijl. Statistiek der provincie Noord-Braband volgens de uitkomsten van het kadaster bij deszelfs invoering. Maastricht, 1845 (Geographisch Etablissement F. Desterbecq).

ONB: Oorkondenboek van Noord - Brabant tot 1312. Deel II. Verschijnt maart 2000.

ARCHIEVEN:

ASB: Archief abdij St.-Bernaards te Bornem

GA BoZ: Gemeentearchief Bergen op Zoom

ARR: Archief raad en rekenkamer

RABR: Rijksarchief te Brugge

SA Zevenbergen: streekarchief Zevenbergen

ONG: Oudarchief Oud- en Nieuw-Gastel


Noten

1. Mededeling van de heer Zeldenrust, R.O.B..

2. Bedenking van de heer Zeldenrust, R.O.B..

3. Verbraeck en Bisschops, 1971.

4. Kasse, 1988.

5. Verbraeck en Bisschops, 1971.

6. Geomorfologische kaart.

7. Leenders, Verbruggen en Van Strijdonck, 1990a, 345.

8. Leenders, 1989a.

9. Leenders, 1996g.

10. Verbraeck en Bisschops, 1971.

11. Leenders, 1996l, 363 - 366.

12. 1271, aug: ONB 1107: trescentas mensuras terre salse scilicet zouthlant, iacentis in loco qui Potmerre vocatur.

13. Van Ham, 1974, 1975.

14. 1294, okt. 13 = ONB 1338.

15. 1300, apr. 24 = ONB 1412: Ende vort ware dat sake dat dit vornomde goet ende mour versoutte, soe dat men daer zeel ende zout up delven wilde ende winnen, soe gheve wi hem die hir voernomt siin orlof den diic te lecghene ende te houdene upt haers selves, ende werc ende eerde die ten dike behoren sal ende behouven al dat te haelne ende te nemene up tonse, daert hem ghelaghelixt ware, sonder scade te doene up ander liede erve. Ende van den zelle dat men winnen soude up dit vornomde lant, alst versout worde, soe selen si sculdech siin boven den vornomden chens ons ende onsen oere ende onsen nacomelinghen achte penninnghe Louansce van elker cupen zeels die men up dat lant wonne.

16. 1320, feb. 2 = ONB 1424.

17. 1301, jun. 24 = ONB 1419.

18. 1301, jun. 24 = ONB 1419.

19. 1344, dec. 1 : ASB E15.

20. 1344, nov. 5 : RABR, CH 7091; Leenders, 1979/80b, 240.

21. Gottschalk, 1971, I, 338 - 348.

22. Van Loon, 1963, 144-145.

23. Leenders, 1996g.

24. ASB, Gastelse Kaart: Den W'tslach.

25. Verbraeck en Bisschops, 1971; Bodemkaart blad 43.

26. Van Loon, 1963, 139.

27. Delahaye, 1970.

28. Leenders, 1989a, 127 -131.

29. Verhagen, 1984a, 73ev.

30. 1125 = ONB 894; 1140 = ONB 900.

31. Leenders, 1996l, 235 - 238.

32. 1295, sep. 14 = ONB 1348: item abbati et conventui de Oestbruec viginti solidos ad pitantiam

33. Leenders, 1996l, 409-465.

34. 1279, okt. 3 = ONB 1192: illorum de Ghestele... scabinos ibidem.

35. ONB 1192: primum terminum incipientem in Dorlichtervenne et tendentem inferius in Lede et usque Dindelmonde et usque ad dimidietatem aque, et de Dindelmonde usque Markemonde et usque ad dimidietatem aque, et de Markemonde usque Overster Overmere et usque ad dimidietatem aque, et de Overster Overmere usque super Hoeghesten Halterberch, et de Hoeghesten Halterberghe usque Dorlichtervenne.

36. Van Ham, 1974, 1975.

37. Buiks en Leenders, 1994, 498 - 499.

38. Delahaye, 1975, 27.

39. Gysseling, 1960a; Mansion, 1929, 45.

40. De Bont, 1969, 155.

41. Helsen en Helsen, 1978, 109.

42. GA BoZ, ARR inv.nr. 1945.

43. Buiks en Leenders, 1994, 499-500.

44. Buiks en Leenders, 1994, 500.

45. 1279: Iohannem de Mere. ONB 1192; zie ook § 2.5.

46. 1565: De Stooue. ASB, Gastelse Kaart.

47. Buiks en Leenders, 1994, 500 - 501.

48. Buiks en Leenders, 1994, 501 - 502.

49. 1359: over Hesselake. Van Loon, 1963, 145; 1278: Godefrido de Hesselake. ONB 1177.

50. Buiks en Leenders, 1994, 502.

51. 1550: Oudenborch. Delahaye, 1970, 10.

52. Veertiende eeuwse heruitgifte van in de late dertiende eeuw door Vlamingen uitgedolven moeren.

53. Van Ham, 1969a.

54. Van Loon, 1983.

55. Van Oosten, 1975, 96 - 101.

56. Van der Voordt - Pieck, M. Kuijl, 1845.

57. Leenders, 1996g.

58. SA Zevenbergen, OA ONG 134: schotboek met kaarten, 1731.

59. GA BoZ, ARR inv. 1907 - 1910.