Leenders, K.A.H.W.

Het Schijndelse cultuurlandschap. Een detailstudie.

Schijndel, 1994 (Gemeentebestuur). ISBN 90-801543-2-6


Samenvatting en conclusies

Het noordelijk deel van het ruilverkavelingsgebied Sint-Oedenrode dat in dit rapport bestudeerd werd, is in de loop van de hoge en late middeleeuwen door de mens in gebruik genomen. Dit gebruik leidde in van plaats tot plaats verschillende perioden tot "ontginning". Aan de oostzijde van de Dommel en de Helmondse Aa werd het eerst ontgonnen en ontstonden de oudste dorpen, mogelijk reeds rond 1000 AD. Het middendeel van het studiegebied is erg vochtig en heeft een lemige bodem met leem in de ondergrond. Het bleef toen nog bos. Drie bosgebieden laten zich identificeren: het Woud, Wijbos en het bos van Elde. De verbindingsroute van Den Bosch naar Luik slingert tussen het Woud en het Bos van Elde zuidwaarts. In deze bossen werden vermoedelijk in het midden van de dertiende eeuw door bosrooiing nieuwe landbouwgebieden werden: Den Dungen, Middelrode, Schijndel en Houtert. Deze gebieden ontstonden als uitlopers van oudere territoria, te weten Den Bosch, Berlicum en Dinther. Ten zuiden van dit lang bos gebleven gebied lag in een gebied zonder leem in de ondergrond vermoedelijk toen reeds heide: de Rooise of Schijndelse Heide, dat tot in de tweede helft van de 19e eeuw het heidekarakter behield. De ontginning van het bosgebied werd in de dertiende eeuw niet voltooid. Er bleven tal van restgebieden over die in de loop van de volgende eeuwen eerst alsnog tot heide of broek werden en daarna geleidelijk in cultuur gebracht werden. Daarbij ontstonden enkele gehuchten die in de 18e eeuw veelal uit betrekkelijk verspreide bebouwing bestonden. Het vanaf 1750 in detail te volgen ontginningsproces is op kaart 6 weergegeven. We zien een voortdurend versmallen van zeer brede wegbanen, alsmede van het in de 19e eeuw in grote stukken ontginnen van de Molenheide. In de verkaveling zijn tal van sporen die herinneren aan deze stapsgewijze ontginning. Kaart 11 geeft daarvan een overzicht. Met name de door 19e eeuwse voorpootstroken afgebakende eenheden zijn soms goed herkenbaar.

De grote ontginningsgolf in het middengebied valt samen met de 13e eeuw waarin dit gebied in het hertogdom Brabant opgenomen werd en waarin deze hoek van Europa een grote demografische groei doormaakte. Zodra het hertogelijk apparaat hier voldoende waterdicht kon werken, zullen de ontginningen geleid hebben tot een cijnsplicht aan de hertog die rustte op de uit de wildernis genomen gronden. Enkele ontginningsblokken kregen als uitzondering de status van hertogelijk leengoed. Kort na 1300 verkocht de hertog dan het gemeenschappelijk gebruiksrecht van de resterende "woeste" gronden aan de inwoners van de streek. Daarbij zag hij zelf af van het recht nog delen van die gronden te verkopen : dat recht ging in feite over op de gemene geburen van de verschillende gemeynten. Deze maakten daar in de loop van de 14e tot en met de 18e eeuw herhaaldelijk gebruik van. In de 19e eeuw viel de grondeigendom van de resterende gemeynten toe aan de burgerlijke gemeenten, die de verkoop versneld voortzetten.

De verklaring voor de verdeling van dit in de 19e eeuw topografisch gezien homogene gebied tussen een aantal gemeenten, moet gezocht worden in de primaire ontginningsslag. Die werd in de 13e eeuw ondernomen vanuit de omringende oudere dorpen. Vanuit de jonge stad Den Bosch ontgon men zuidwaarts langs de belangrijke verbindingsweg richting Luik en vervolgens in een rand tegen het Woud. Vanuit Berlicum werd aan de overzijde van de Aa dat Woud gerooid: Middelrode. Vanuit Dinther trok men ook de Aa over. Te Houtert ontstond een kleine en op de dekzandrug van Schijndel een grotere nederzetting. Van hieruit werd het resterende middengebied aangepakt, tot men aan de westzijde stuitte op het dorpsgebied van Sint-Michielsgestel en Gemonde. Aan de zuidzijde vormde de Rooise Heide een natuurlijke grens aan het oude bosgebied en daarmee aan het latere dorpsgebied van Schijndel. Alleen Schijndel bracht het in de middeleeuwen tot een volledige dorpsstatus: eigen parochie en schepenen, later zelfs door verpanding van de hertogelijke bevoegdheden eigen heren. Middelrode kwam niet verder dan een 15e eeuwse kapel aan de brug over de Aa en vermelding van de naam in de 19e eeuwse gemeentenaam (Berlicum en Middelrode). Den Dungen bracht het in de 16e eeuw wel tot parochie en had ook een eigen dorpskas, maar werd pas in het begin van de 19e eeuw een eigen gemeente.

De juiste ligging van het viergemeentenpunt werd blijkbaar gegeven door enkele samenlopende factoren: de middeleeuwse grote weg Luik - Den Bosch, de zichtlijn van het kasteel van Heeswijk op de toren van Sint-Michielsgestel (formele parochiegrens tussen Schijndel en Berlicum uit 1305) en de nabij de snijding van deze twee lijnen gelegen samenloop van beekjes.

De inrichting van het gebied in rijen van omheinde perceeltjes van 20 bij 125 meter, zoals die in de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw overheersend was in dit gebied, werd uiteengelegd in een aantal componenten. Ieder van die componenten heeft een eigen geschiedenis en achtergrond.

De perceelsgroepen (stroken, grote blokken of ovale gebieden) gaan terug op de al genoemde stapsgewijze ontginning van het gebied sedert het midden van de 13e eeuw. Ze getuigen van afzonderlijke en beperkte initiatieven die uiteindelijk te samen er toe leidden dat het middengebied al vroeg grotendeels ontgonnen werd. Kwaliteit van de bodem (bos, geen hei) en de stuwende nabijheid van de groeiende afzet markt van Den Bosch zullen aan deze ontwikkeling bijgedragen hebben.

Deze perceelsgroepen waren vanouds verdeeld in normale percelen, met als indicatie van grootte de gebruikelijk landmaat: een bunder, ruim een hectare. De blokvorm overheerst daarbij vrij algemeen. Alleen de Schijndelse akker was mogelijk al sinds de dertiende eeuw verkaveld in kleine streepjespercelen.

De blokpercelen raakten vermoedelijk in de 18e eeuw in toenemende mate verdeeld in kleine streepvormige percelen ("verstreping"). De achtergrond daarvan kon niet scherp bepaald worden. Vermoedelijk hangt de verstreping samen met een drang naar intensiever bodemgebruik die voortkwam uit de nieuwe bevolkingsgroei die in de 18e eeuw op gang kwam. In eerste instantie werd door het graven van extra sloten in de percelen een verhoogde waterberging verkregen en zo een drogere bodem. Deze techniek, die vermoedelijk al in de 14e eeuw bekend was, bleef men de hele 19e eeuw en deels nog in de 20e eeuw toepassen op nog niet verstreepte percelen en op nieuwe ontginningen. De sloten werden door begroeiing met houtgewas dat als veekering moest dienen tot echte perceelsgrenzen. Duidelijk werd dat vaak een hele reeks streeppercelen één aaneengesloten grondeigendom vormden en zelfs als één geheel verpacht werden. De streepjes hebben dus niet noodzakelijk te maken met verregaande eigendomssplitsingen. Eerder werd de indruk verkregen dat een eenmaal verstreept eigendom later gemakkelijker in kleinere eigendommen uiteen kon vallen. Nu de laatste decennia de waterhuishouding van de streek aanzienlijk verbeterd is, is de waterberging van de sloten niet meer zo zeer nodig. Dit leidt tot het huidige proces van ontstreping: het dichtgooien van de sloten.

Een aparte categorie streeppercelen ontstond uit de voorpootstroken, die uit de aard van hun ontstaan een geringe breedte hadden. Een laatste categorie ontstond uit het innemen van wegbermen die overbleven nadat de weg tot een moderne breedte teruggebracht was (17e-19e eeuw).

Op de perceelsgrenzen, die door de verstreping in deze streek zeer talrijk zijn, werd een houtbegroeiing onderhouden. Deze diende als veekering, maar leverde tevens geriefen brandhout voor de boer, hopstaken voor de hopteelt en soepele twijgen voor de hoepelmakerij. Al deze gebruiksvormen verdwenen op het eind van vorige eeuw en in de eerste helft van deze eeuw, terwijl prikkeldraad een aantrekkelijk alternatief bood. Hierdoor boette de perceelsrandbeplanting snel aan belang in. Thans is ze goeddeels onbestaande, wat hier en daar tot akelig kale ruimten leidt als de mas van het veld is.

In de 18e eeuw maakte deze streek, waar vanuit de bossituatie van de middeleeuwen altijd al een houtteelt-traditie was blijven bestaan, een snelle toename van de bomenteelt door. Deze groei werd geïnitieerd door ordonnanties uit Den Haag die in feite van het voorpootrecht een plicht maakten. In streken waar de bodem zich goed voor houtteelt leende, leidde dit blijkbaar tot een geleidelijk steeds meer massale aanplant van populieren, na 1800 van canada's. Ons studiegebied evolueerde met aangrenzende dorpen tot een typisch populierenlandschap. Deze houtteelt kon uiteraard alleen gedijen als het gekweekte hout geld kon opleveren ter aanvulling van het karige boeren inkomen. De gelijktijdig opgekomen klompenmakerij bood die mogelijkheid. De grote hoeveelheden geproduceerde klompen konden via het nabije Den Bosch eenvoudig "geëxporteerd" worden naar Holland en elders. In het populieren-klompen ensemble heeft Schijndel zich gespecialiseerd op de kweek van jonge bomen. De populieren werden vooral langs de wegen gepoot, voorts op de blokperceelsgrenzen en op speciale bomenakkertjes, maar vermoedelijk niet zo zeer op de perceelsgrenzen tussen de streepjespercelen. Na de Tweede Wereldoorlog is de klompenindustrie snel achteruit gegaan. De houtteelt bleef echter redelijk overeind doordat andere afnemers gevonden werden. Daardoor blijft het Schijndelse coulissenlandschap in beweging.

Algemene krachten achter de landschapsontwikkeling in het hier onderzochte gebied waren dus de lemige vochtige bodem en de stuwende economische invloed van de stad Den Bosch. De vochtige bodem maakte in de hoge middeleeuwen hier ontginning minder aantrekkelijk dan op de hoge koppen langs de rivieren, waar de oudste dorpen ontstonden. Bij een hogere bevolkingsdruk maakte die zelfde bodem echter al vrij snel ontginning van het grootste deel van het gebied vanuit de oudere dorpen mogelijk. De hoge vochtigheid noodzaakte tot maatregelen voor de waterberging, waaruit de streepjespercelen voortkwamen. De nabijheid van de stad maakte dat de bevolkingsdruk en dus de neiging tot intensiever grondgebruik hier relatief groot was, wat zowel tot een grotere ontginningsinspanning als tot betere afzetmogelijkheden voor bijzondere produkten leidde. Sinds de middeleeuwen hoorden daartoe vlas, hop en hout. Een belangrijk produkt werd later de klomp, die via de populieren een groot belang had voor de landschapsvorming na 1700. De Boschweg, onderdeel van de oude landverbinding Luik - Den Bosch, vormde vanouds de weg naar de stad. Langs deze weg strekte de Bosse stadsvrijdom maximaal ver naar het zuiden.

Aanbevelingen voor het beheer van het landschap

In het voorgaande is de genese behandeld van talloze elementen in het landschap. Een groot deel ervan dankte zijn ontstaan en voortbestaan aan bepaalde omstandigheden. Als die omstandigheden wegvallen of als er zich aantrekkelijke alternatieven aandienen, is het voortbestaan van die landschapselementen niet langer vanzelfsprekend. Elementen die met geringe moeite op te ruimen zijn (éénvoets-greppels als scheiding op open akkercomplexen; sloten tussen streeppercelen) of zelfs vanzelf weggaan (populieren na twintig tot dertig jaar) zijn dan het meest bedreigd. Voor de afwatering belangrijke beken, hoofdwegen, dijken en wallen bieden veel meer weerstand tegen de traag knagende tand des tijds. Maar tegen een ruilverkaveling met de daarbij behorende inzet van groot materieel zijn ook zij niet bestand. Een middencategorie zijn niet zo heel opvallende en niet zo heel hinderlijke zaken, zoals oude voorpootstroken en de algemene ordening van de verkaveling. Landschapselementen die niet meer steunen op een functie in het landschap en landgebruik zijn in principe in hun voortbestaan bedreigd. Het behoud ervan onder moderne omstandigheden zal dus altijd neerkomen op speciale beheersmaatregelen, tenzij het elementen betreft waaraan een nieuwe functie gegeven kan worden die met de oorspronkelijke niet strijdig is.

Op kaart 11 zijn de grote lijnen van de landschapsontwikkeling van vóór 1750 aangegeven. Deze grote lijnen zijn over het algemeen zo grootschalig, dat het mogelijk moet zijn deze "groeilijnen" in de nieuwe of te vernieuwen verkaveling vast te houden. Daarbij moet bedacht worden dat kaart 11 de voorpootstroken niet weer geeft en evenmin de ontginningen van de laatste 250 jaar in beeld brengt. De voorpootstroken zijn uiterst typerende fenomenen in deze streek. Ze omzomen over het algemeen de grote ontginningseenheden die op kaart 11 zijn weergegeven. In dat kader zouden ook die stroken in enigerlei vorm (strook, weg, met bomen beplante strook, weg met bomen) bewaard moeten blijven. De ontginningen van het jongste kwart millennium zijn niet op voorhand waardeloos. Sommige zijn wel doordacht aangelegd in een ruime en voor die tijd typische structuur die als basisstructuur voor een nieuwe inrichting bruikbaar moet zijn. Te denken valt aan de lanenstructuur op de Molenheide.

De kleinere structuren zoals de grove en fijnere verkaveling hebben in deze streek een bijzondere samenhang gehad. De grote ontginningseenheden zijn vaak nog verdeeld in banen of blokken, die weer in blokvormige kavels verdeeld zijn. De verdere onderverdeling in "streepjes" is thans sterk aan slijtage onderhevig. Dit betekent een verarming van de verkavelingshiërarchie. In een moderne landbouw zijn de streepjes waarschijnlijk niet te handhaven: behoud of herschepping ervan zal op beheersmaatregelen neerkomen. De blokken-in-banen inrichting is voor de landbouw waarschijnlijk minder problematisch. Die karakteristiek van de inrichting zou gehandhaafd kunnen blijven om zo voor dit gebied toch nog iets eigens te bewaren.

Het handhaven van dergelijke grote en kleine structuren is vooral zinvol, waar deze structuren nog daadwerkelijk aanwezig zijn. Immers, een historisch gevormd landschapselement draagt in zich, in de bodem, in flora en fauna, en in de structuur ervan, informatie die er eventueel door onderzoek aan te ontfutselen valt. Dat dergelijk onderzoek thans in dit land niet gebruikelijk is, wil niet zeggen dat we deze informatie niet voor ons nageslacht hoeven te bewaren. Het ongeschonden bewaren van echte cultuur-historische landschapselementen heeft daarom verre de voorkeur boven het reconstrueren van dergelijke elementen op plaatsen waar zulks in de planning beter uitkomt, terwijl de originelen worden opgeruimd. De reconstructie verraadt immers hooguit hoe de ontwerper van de reconstructie dacht dat zo'n landschapselement in elkaar stak. Het geeft zeker geen informatie over hoe het "werkelijk" was.

Om aan deze verlangens tegemoet te komen is het nodig om de structuren die op kaart 11 zijn aangeduid, aangevuld met de streepjes-percelen, de voorpootstroken en ontginningsstructuren uit de laatste 250 jaar, te controleren in het actuele landschap van 1992. Waar zijn ze nog aanwezig, herkenbaar ? Waar zijn ze verdwenen ? Op grond daarvan kan dan een aanbeveling gedaan worden voor behoud van de gave en meest representatieve en samenhangende elementen.

Ook in deze rapportage kon de genese van de destijds alom aanwezige slootjes en streepverkaveling niet definitief opgelost worden. Het vermoeden dat de slootjes primair als waterberging gegraven zijn en dat de randbegroeiing ervan en de streeppercelen vervolgens secundaire effecten waren, zou getoetst moeten worden. Een voor de hand liggende aanpak is het graven van enige profielen dwars over gaaf bewaarde exemplaren van dergelijke slootjes. De bodemopbouw kan dan in detail bestudeerd worden en mogelijk kunnen daaruit en uit bodemmonsters nadere conclusies over ontstaansperiode en -reden van de slootjes getrokken worden. De toetsing kan verscherpt worden door dergelijk onderzoek uit te voeren op plekken die voorheen vermoedelijke respectievelijk droog en nat waren.

Behoud van cultuur-historische elementen moet door de gebruikers van het landschap gedragen worden. Als een kronkel schijnbaar zinloos is, zal hij niet gewaardeerd worden. Wanneer men de achtergrond ervan weet, is er meer kans op acceptatie, is er zelfs kans op een positieve wil tot behoud. Dat wil zeggen dat achtergrondinformatie betreffende het landschap en de cultuur-historische inhoud ervan bekend gemaakt moet worden aan de gebruikers. Dat zijn de "boeren", de meer "stadse" bewoners en de passerende "toeristen" (fietsen, wandelen !). Waar een rapportage als deze in het ambtelijk circuit goede diensten kan bewijzen, zal voor het bereiken van deze doelgroepen toch een andere presentatie nodig zijn.

12 april 1996


© Copyright : K.A.H.W. Leenders