Inheems-Romeinse potstallen

Gepubliceerd in: Romeinendag / Journée d'archeologie Romaine Leuven 8-2-2003. Leuven, 2003, blz. 39.

De laatste jaren worden in het zandgebied van noordelijk België en zuidelijk Nederland vaak inheems-Romeinse boerderijen met potstal opgegraven. "Potstal" is de algemene interpretatie van een donkere vlek in het stal-uiteinde van de boerderij. Maar was het wel een "potstal"?

In de potstallen die uit de 19e eeuwse Kempen bekend zijn, was de bodem uitgegraven. In de loop van het jaar raakte die kuil vol met de mest die de koeien produceerden en het materiaal dat de boeren daar overheen uitstrooiden. Aanvankelijk was dat maaisel van bos, heide en wegkanten. Later is men ook zandhoudende plaggen gaan gebruiken. Uiteindelijk werd de potstal uitgegraven en werd de mest op het land uitgespreid. De datering van de overgang op plaggen is thans onderwerp van studie en het ziet er naar uit dat die overgang verrassend laat plaats vond. De ophoging van de akkers (de "dikke antropogene bovenlaag" van de bodemkaarten) zou dan maar 250 jaar oud zijn en niet zes tot acht eeuwen zoals vaak beweerd wordt.

Het is natuurlijk opmerkelijk dat men in de Romeinse tijd in deze streek ook al potstallen gebruikte en vervolgens 1500 jaar lang helemaal niet. Dat kan natuurlijk, maar toch roept het argwaan op. Bovendien: waar is het inheems-Romeinse equivalent van de "dikke antropogene bovenlaag"? Was de periode te kort? Als de "moderne" ophoging tot 60 centimeter en meer in de jaren 1750 - 1900 kon ontstaan, dan moet de periode waar we hier over spreken zeker lang genoeg geweest zijn voor een nog waarneembaar resultaat. Akkers worden niet opgegraven, maar dat zou eigenlijk wel moeten!

Daarom is het belangrijk dat bij het aantreffen van inheems-Romeinse potstallen die potstallen goed beschreven worden, dat er profielen van gemaakt worden en dat op enkele plaatsen uit de verkleuring bodemmonsters genomen worden. Ik denk dat het raadzaam is om ook een monster te nemen binnen de boerderij maar buiten de potstal, van "schone grond". Die monsters moeten in het laboratorium onderzocht worden met als vragen: wat verkleurt die bodem; kan dit potstalmateriaal zijn? De resultaten van veld- en labo-werk moeten gepubliceerd worden, ook als ze van weinig betekenis lijken.

Na enkele jaren zal er dan hopelijk een voldoende grote reeks waarnemingen zijn om tot een verantwoorde interpretatie van de verkleuring te komen. Een groot aantal waarnemingen maakt het immers mogelijk om de "rare uitschieters" te onderscheiden van een eventueel "algemeen patroon". Als dat "algemene patroon" echte potstallen blijkt te vertegenwoordigen, betekent dat dat de interpretatie er niet meer een is van "men roept maar wat", maar een die op goede gegevens gebaseerd is. En als het wat anders blijkt te zijn, zijn we van een ongefundeerde mythe verlost. In alle gevallen zal het informatie opleveren die voor het begrijpen van de inheems-Romeinse landbouweconomie op de zandgronden van belang is.


© Copyright : dr K.A.H.W. Leenders