OOK OUDE BOMEN IN NOORD-BRABANT

K.A.H.W. Leenders

 

In de N.R.C. van 17 december 2001 stond een opvallend artikel over "Oerbos op de Veluwe", waarin werd geclaimd dat daar verschrikkelijk oude bomen zouden voorkomen. Dat was een overdreven claim, zo meenden de deskundigen die om commentaar werden gevraagd. Wat was er aan de hand en heeft het verhaal enige betekenis voor Noord-Brabant?

Geschiedenis van het bericht

De provincie Gelderland laat door C.J.A. Rövekamp onderzoeken of op de Veluwe plekken voorkomen waar mogelijk oorspronkelijk Veluws genetisch materiaal in bomen en struiken aanwezig is. In de loop van het onderzoek werd duidelijk dat het niet alleen om biodiversiteit gaat, maar ook om cultuurhistorie. In een nieuwsbrief over bosbeheer kregen de boseigenaren en beheerders in augustus 2001 een tussenstand. Daarvan krijgt de pers lucht en op 3 september brengt het Utrechts Nieuwsblad het nieuws dat Het Geldersch Landschap de Veluwe op de werelderfgoederenlijst wil hebben omdat de Veluwe veel eeuwenoude eiken rijk is, waarvan sommige zelfs al zo'n tweeduizend jaar oud zijn. Adjunct-directeur T. Roosen van Het Geldersch Landschap verklaarde: ,,Dit zijn niet zomaar wat bomen, ze hebben ook een grote cultuurhistorische betekenis.'' De volgende dag vat het Veluws Dagblad dit bericht kort samen, waardoor de nadruk erg op die tweeduizend jaar oude bomen valt. Als er op 11 september niks gebeurd was, had dit nieuws misschien snel de landelijke bladen gehaald, maar nu moest het wachten. Als er dan eindelijk eens weinig nieuws is, mag deze komkommer in de krant: de N.R.C. brengt op 17 december het "nieuws" onder de misleidende kop "Oerbos op de Veluwe." Op 18 december 2001 staat in de N.R.C. een reactie van een van zijn redacteuren, die meldt dat niet iedereen het met de datering eens is. Als opponent wordt prof. Pieter Baas opgevoerd, directeur van het Nationaal Herbarium Nederland in Leiden. Die vindt het maar een slag in de lucht en geeft daarvoor ook argumenten. Ook de ecoloog Frans Vera komt kort aan het woord. Op 28 december geeft R.J. Bijlsma van Alterra in Wageningen commentaar. Hij haalt er de Engelse boshistoricus Oliver Rackham bij die nergens ouder durft te gaan dan 800 jaar en aan wie hij ook nog een scherpe passage over invented history ontleent. Overigens blijkt Rövekamp niet ouder te dateren dan 1000 tot 1500 jaar, zodat we vaststellen dat de bomen in de pers flink wat ouder geworden zijn.

Geschiedenis van het onderzoek

In zijn onderzoek voor Gelderland gebruikt Rövekamp methoden die ontwikkeld zijn in het kader van een groot project dat weer voortvloeit uit het (rijks) Natuurbeleidsplan uit 1990. Dit project is het "programma Genetische Kwaliteit inheemse bomen en struiken" dat in eerste instantie leidt tot een reeks inventarisaties overal in het land. Zover aan de publicaties te zien is, werden tussen 1993 en 1999 tien regio's onderzocht. Het nog lopende Veluweonderzoek vult deze reeks aan. Eén van de onderzochte regio's is West- en Midden-Brabant. De betrokken onderzoekers zijn vooral Rövekamp en N.C.M. Maes. Voorafgaand aan deze inventarisaties werden studies gepubliceerd over de inheemse linde en wintereik. Thans werkt men toe naar het opzetten van een genenbank voor autochtone boom- en struiksoorten. Het gaat dus niet om het vinden van de oudste boom van Nederland, maar om het vinden en veiligstellen van raszuiver Nederlands genenmateriaal. Blijkbaar mag bij houtige planten iets nagestreefd worden wat we bij Homo sapiens sinds 1945 bepaald niet op prijs stellen.

Hoe oud zijn oude bomen?

In de discussie naar aanleiding van het Veluweonderzoek staat de vraag centraal: hoe bepaal je de ouderdom van een levende boom. Dat lijkt simpel: appelboortje er in en tel de jaarringen of ga een koolstof-14-onderzoek doen aan het oudste hout. Helaas is het niet zo simpel. De claims voor een hoge ouderdom betreffen "bomen" die voortkomen uit wat ooit een goed onderhouden hakhoutstoof was en daarmee wordt direct het probleem duidelijk. Bij hakhout kapt men ongeveer om de zes jaar (dat varieert wel wat) de vuistdikke takken weg. De stronk of "stoof" blijft zitten en groeit weer uit, zodat na zes jaar opnieuw een houtoogst gehaald kan worden. Die takken zijn dus jong vergeleken met de stronk die alsmaar voortleeft. De stronk zelf kan heel oud worden, maar verjongt zich intussen geleidelijk. Die plant is als levend wezen dus veel ouder dan het houtige materiaal waaruit hij bestaat. Ga dat maar eens dateren! Rövekamp gaat er voor die datering vanuit dat zo'n stronk zich ontwikkelt tot een soort heksenkring van bomen en dat die kring geleidelijk groter en groter wordt. Het gaat op de Veluwe om vijf kringen van 25 tot 30 meter in omtrek en nog eens dertig van 10 tot 15 meter. Vooral de manier waarop uit de doorsnede van die kring tot een ouderdom wordt geconcludeerd is in de N.R.C. aangevallen. Ook werd betwist of het dan wel om één en dezelfde plant zou gaan: het zou immers ook om zelfstandige de bomen kunnen gaan. Inmiddels werd me duidelijk dat met DNA-onderzoek aangetoond werd dat het op de Veluwe inderdaad per krans om één en hetzelfde boomindividu gaat.

De grote kransen ontstaan bij hakhout dat de ruimte heeft in een hakhoutbos. Er zijn echter nog meer soorten mogelijke voorkomens van oude bomen en struiken. Een kort overzichtje dat waarschijnlijk niet volledig is:

Het is moeilijk de ouderdom van hakhoutbos vast te stellen. Met kaartvergelijking kan nagegaan worden of het bosje er sinds 1837-1857 altijd al was, en met oudere kaarten kun je met wat geluk tot 1600 komen. Er zijn ook bosjes geweest die tijdelijk bos waren en dan weer akker of wei werden. Daar vind je dus géén heel oude bomen of struiken. Bij mijn cultuur-historische inventarisaties wijs ik altijd de bosjes aan die in 1840, 1900 én nu op de kaart staan: nader onderzoek moet dan vaststellen of het een biologisch interessant bosje is. Zover ik weet is er in landinrichtingskader echter nog nooit nader naar zo'n bosje gekeken.

Naast de hakhoutbosjes zijn enkele oude bossen min of meer blijven bestaan doorheen de middeleeuwen waarin in Noord-Brabant bijna alle bossen verdwenen. Buiks liet zien dat met historisch onderzoek de weinige resterende oude bossen met zekerheid aan te wijzen zijn. (Buiks, C.J.M.. Drie oude bossen in de Baronie van Breda. Historisch geografisch tijdschrift 17 (1999) 77 - 85.) Wel moet bedacht worden dat die bossen een groot aantal gedaantewisselingen hebben doorgemaakt: van oerbos naar beweid bos en hakhoutbos, dan naar productiebos met opgaande bomen en recent naar zogenaamde natuur.

In principe is dit hetzelfde als in een hakhoutbos, maar nu moet alle uitgroei bijna lineair gebeuren omdat die hakhoutstroken vaak maar een beperkte breedte hebben. Maar er zijn wel bijzondere situaties die heel intrigerend zijn. Zo marcheren er hele regimenten oude eiken dwars door de Drunense Duinen, in mooie rechte colonnes en te paard gezeten op duintoppen. Ze markeren overstoven oude bezitsverdelingen in dat gebied. Op die rijen is veel zand ingevangen, terwijl daar dwars overheen paraboolduinpatronen voorkomen. Daarom ziet het landschap er daar zo ingewikkeld uit. Wanneer werd die streek verdeeld? De Bont wijst erop dat Drunen, dat in 1230 voor het eerst genoemd werd, net als andere Langstraatdorpen enkele opschuifsporen laat zien. De verdeling in de duinen heeft dezelfde richting als de stroken van Drunen. Of die grenzen al rond of voor 1200 getrokken werden of bij een (veel?) latere verdeling van de wildernis, is me niet duidelijk. Nog minder duidelijk is wanneer die grenzen uitgewerkt werden in de vorm van eikenhakhouthagen. De literatuur wijst naar de vijftiende en zestiende eeuw. Duidelijk is wel dat die hagen heel veel zand hebben ingevangen zodat rechte duinenlijnen ontstonden. Het zand dat deze hindernissen overwon, vormde daarentegen grote paraboolduinen. Dat alles vraagt wel wat tijd, lijkt me. Deze op rechte lijnen liggende oude eiken hebben dus een cultuurlijke achtergrond.

Op sommige lange smalle en hoge duinrichels op de grens tussen oude akkers en voormalig stuifzandgebied (akkerrandwallen) groeien eikenboompjes of zelfs dikke eiken. Het is heel onlogisch dat die zich daar weten te handhaven. Die bomen moeten wortels hebben tot onder in het duin en zijn naar mijn vermoeden met het groeien van dat duin (door invangen van stuifzand in een oude akkerhaag) gewoon meegegroeid. Als je nu boven op zo'n rug een eikje plant, slaat dat beslist niet aan. Datering is in principe mogelijk door dat duin en de bodem daaronder alsook de historische-geografie van die omgeving te onderzoeken. Zo werd de uithof van Giersbergen in 1372 nog met een sloot afgegrensd, maar was het in 1398 al nodig tegen het zand op te treden. Voorbeelden verder: Alphen, Eerdse Bergen, Seterse Bergen etc..

Een speciale categorie zijn "heilige" bomen die hier en daar voorkomen en natuurlijk de dorpslinden. Aan beide wordt soms een fenomenale ouderdom toegeschreven: deels is dat invented history bij uitstek, deels een overgeleverde traditie. Ook daar speelt het verjongingsverschijnsel: denk maar aan de baby-linde die uit de door de gemeente Tilburg gesloopte oude lindeboom tevoorschijn kwam.

Met een "fort" wordt hier niet een militair vestingwerk bedoeld, maar een plek in een zandverstuiving waar door een harde laag in de bodem geen verstuiving optrad. Alleen al daardoor ligt zo'n plek nu hoger dan de omgeving. Bovendien ligt op de oude bodem vaak nog een hoop stuifzand. Vandaar die naam. Omdat de oude bodem er nog aanwezig is, kan hier ook oude begroeiing voorkomen. Caspers en Post (Caspers, T., F. Post (red.). Natuur in Noord-Brabant. Twee eeuwen plant en dier. Haaren, 1996, blz. 36.) stellen dat op die hoogten "eeuwenoude eiken" voorkomen die zij als "oorspronkelijke, inheemse bomen" typeren en die resten van het oorspronkelijke bos zouden zijn.

Oude bomen in Noord-Brabant

Door Maes en Rövekamp is ook het westen en midden van Noord-Brabant geïnventariseerd (Maes, N.C.M., C.J.A. Rövekamp, R.W.A. van Loon. Inventarisatie van autochtone bomen en struiken in West- en Midden-Brabant. Tilburg (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Dienst Landinrichting en Beheer Landbouwgronden Noord-Brabant), 1996.) Verspreid tussen Schelde en Dommel zijn 107 gebiedjes nader bekeken, de meeste in het westen. Buiten die gebiedjes zijn geen waarnemingen gedaan en er is niet systematisch gezocht naar bijzondere alleenstaande bomen (dorpslinden, heilige bomen etc.). Een algeheel gebiedsdekkend onderzoek was binnen de gegeven mogelijkheden niet te realiseren.

Voor ieder gebiedje werd de manuscript-topografische kaart uit de jaren 1837 - 1857 vergeleken met een recente topografische kaart. Op die manier werden de mogelijk oude bosjes gelokaliseerd. Daarvan werd eerst de bodemkundige en geomorfologische context beoordeeld. Bij gunstige uitslag (70%) werden ze ter plaatse nader bekeken. Het onderzoek beperkte zich formeel tot als "autochtoon" aangemerkte houtige gewassen. In feite is men ruimer te werk gegaan, want hakhoutwallen en veekeringen zijn óók bekeken. Het strikte criterium zou "cultuurlijke" voorkomens niet meenemen, maar omdat men wat ruimer geïnventariseerd heeft, zijn er dus wél cultuurlijke voorkomens meegenomen. Bij het onderzoek ter plaatse werden niet alleen de interessante boom- en struiksoorten beschreven, maar ook de voor oude groeiplaatsen indicatieve kruidensoorten. Dit is het soort onderzoek dat ik voor ogen had bij het voor nader biologisch onderzoek voordragen van "permanente bosjes" in mijn cultuurhistorische inventarisaties.

"Zeer oude" eikenstoven zijn aangetroffen in de Drunense Duinen bij Giersbergen, en minder oude "op een steilhelling" bij Huijbergen. Deze ruwe datering is gebaseerd op de doorsneden van de stoven: 12 meter respectievelijk 4,5 meter. In oude houtwallen bij Woensdrecht werden drie stoven van Winterlinde aangetroffen met doorsnede 5 meter. Over de Giersbergse wordt gezegd: "behoren ongetwijfeld tot de oudste bomen van ons land". Hierbij moet bedacht worden dat in 1996 de Veluwe nog niet onderzocht was: de daar aangetroffen kringen zijn soms veel groter en worden door Rövekamp daarom als veel ouder ingeschat. De achtergronden van de ouderdomsschattingen worden overigens niet beschreven. De algemene indruk is dat de heren heel goed zijn in het determineren van bomen en struiken en ook in dieper gaand onderzoek daaraan. Op historisch gebied zijn ze niet goed thuis, wat te merken is aan de beperkte diepgang van de historische achtergronden. Zo werd niet opgemerkt dat de wal bij Giersbergen mogelijk 500 - 600 jaar oud is en dat de bomen dus ook hooguit die respectabele ouderdom hebben. Ze bevelen nader historisch-ecologisch onderzoek aan, maar ook historisch, historisch-geografisch en archeologisch onderzoek zou nuttige gegevens voor de zo moeilijke datering kunnen opleveren. Bosgeschiedenis is nu eenmaal nooit een echt populair onderwerp geweest in het Kempenonderzoek.

 

Oude bomen in het Noord-Brabantse beleid

De provincie Noord-Brabant streeft het behoud van cultuurhistorische waarden na. Een van de middelen daartoe is de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) waarvan in 2000 een eerste versie verscheen en die in 2002 geüpdatet wordt. Wat wordt er in die CHW aan oude bomen gedaan? Een snelle verkenning had wisselend succes. Ik vroeg me eerst af of de oude eiken van de Drunense Duinen op de CHW stonden. Ja, ze staan erop, maar ze krijgen niet meer dan één bijzinnetje in een lange zin die je naar adem doet snakken: "een bijzonder en omvangrijk gebied met nog levende zandverstuivingen begroeit (sic!) met oude dennen en plaatselijk zeer oud eikenhout, verder grove den, zomereik, zwarte den, beuk, robinia, thuja, wilde lijsterbes, sporkehout, tamme kastanje en eikvaren. Grotendeels daterend uit 1850-1902." Die datering lijkt me helemaal fout! Met de CHW moet je op onderwerp kunnen zoeken, maar ik zie niet hoe ik op bomenjacht zou moeten gaan. Dorpslinden zijn niet apart te vinden, ze zijn beschreven als onderdeel van een al dan niet beschermd dorpsgezicht. De Heilige Eik van Vrachel en zijn collega's zijn ook alleen op die manier te vinden. Een derde vraag had weer wat meer succes: de akkerrandwal aan de westkant van de Alphense Akker. Die wordt omschreven met: "beplanting aan de oostelijke rand van productiebos gelegen op een stuifzandwal met eik, grove den, wilde lijsterbes, robinia, esdoorn en gewone eikvaren. Een oude karakteristieke beplanting teneinde het stuifzand te fixeren, daterend uit 1850-1900." Ik begin nu te vermoeden dat "daterend uit 1850-1900" hier niet meer betekent dan dat het object in 1850 én in 1900 op de kaart staat, en niets zegt over hoe oud het object is. In Alphen is de mogelijk hoge ouderdom van het eikenhout de inventarisatoren blijkbaar niet opgevallen. Evenmin is opgevallen dat het "productiebos" op een groot stuifgebied staat en evenmin dat de wal de oeroude akker van Alphen, waar al in de zevende eeuw geboerd werd, beschermt.

De Bont heeft in 1993 een cultuurhistorische inventarisatie voor Midden en Oost-Brabant gemaakt (Bont, C.H.M. de. '... Al het merkwaardige in bonte afwisseling...'. Een historische geografie van Midden- en Oost-Brabant. Waalre, 1993.). De Drunense Duinen vallen daar binnen. Hij zegt er erg weinig over. Op bladzijden 90-91 bespreekt hij het al dan niet overstuiven van Loon op Zand. Grote dorpsverslindende overstuivingen sluit hij uit. De Bont is erg gericht op nederzettingen en in de Drunense Duinen hebben we eerder met overstoven land te maken. De akkerrandwal van Alphen wordt op bladzijden 88-89 besproken. Het ingekleurde kaartje laat fraai de confrontatie duin-akker zien. Maar geen woord over die wal of dergelijke wallen elders, ook niet in de paragraaf "Zandverstuivingen". Alleen een wal bij Westloon en het Land van Kleef aldaar wordt genoemd. Gewoon het belang niet gezien. Renes maakte wat eerder een dergelijke inventarisatie voor westelijk Noord-Brabant (Renes, J.. West-Brabant: een cultuurhistorisch landschapsonderzoek. Waalre, 1985.) Daarin heb ik gezocht naar de akkerrandwallen rond de Vrachelse Heide en die van Seters: resultaat nul. Conclusie: rond 1990 was voor akkerrandwallen en de oude boompjes die er doorheen steken nog geen interesse bij de historisch-geografen.

Conclusie

Analyse van het Veluwse "Oerbos"-verhaal en de achtergronden ervan wijst ons erop dat óók in Noord-Brabant nog erg oude "bomen" voorkomen. In het beschermingsbeleid en zelfs in het cultuurhistorisch inventarisatiewerk (CHW!) dringen die oude bomen blijkbaar nog maar amper door. Een gecoördineerde aanpak (ecologen, historici, historisch-geografen en archeologen) zou de inventarisatie kunnen helpen en tevens betere argumenten voor datering kunnen aandragen. Een betrouwbare en volledige inventarisatie kan dan in de CHW opgenomen worden. Het zou bovendien heel belangrijk zijn als de plannenmakers eens leerden dat een boom geen "straatmeubilair" is dat je naar willekeur kunt verplaatsen of vervangen door een moderner exemplaar. Zo'n boom die daar al 500 jaar staat, krijg je in geen 500 jaar terug en de informatie die in die boom zit (DNA bijvoorbeeld) al helemaal nooit.

(De twee foto's zijn geplukt uit de CHW: LS-HG-46a en b)


versie 7 juni 2005

© Copyright : dr K.A.H.W. Leenders