De historische geografie van Oirschot in vogelvlucht

dr. K.A.H.W. Leenders

1. Inleiding

De titel van mijn voordracht heb ik op twee manieren begrepen. Allereerst kan ik in de mij toegemeten tijd inderdaad niet veel meer doen dan de hoofdlijnen van de historische geografie van Oirschot belichten. Maar bovendien is mijn kijk op Oirschot die van een vogel die er voor het eerst overheen vliegt. Mijn kennis van deze gemeente was tot 15 weken geleden zo goed als nihil. In het kader van deze studiedag is dat overigens helemaal niet erg, want zo krijgt u te zien wat met een beetje inspanning toch op korte termijn van een willekeurige plaats aan gegevens te vinden is.

Nu moet ik wel zeggen dat Oirschot op dat punt een betrekkelijk gemakkelijke gemeente is: er werd al heel wat over de geschiedenis gepubliceerd in tijdschriften, vooral in Campinia dat vanaf 1970 verschijnt, en in minder dichte pakking in meer algemene tijdschriften als Taxandria Noord-Brabant (1892 - 1941) en Brabants Heem (vanaf 1948) of in de tijdschriften van de omliggende heemkundekringen. Daarnaast werd er meermaals een boek over de geschiedenis of meer specifiek de monumenten van Oirschot gepubliceerd, het meest recent in 1991: Oog op Oirschot(Mijland e.a., 1991.). Tenslotte ontbreekt het niet aan redelijk toegankelijke archieven over Oirschot(Streekarchief in Oirschot zelf, Rijksarchief in Noord-Brabant met schaduwcollectie van Leenhof en Rekenkamer van Brabant; Sanders, 1994.), met nog een vracht slecht ontsloten archief in Brussel(ARAB, fonds Merode-Westerlo.).

Wat evenwel bij het lezen van al die bijdragen opvalt, is dat de historie van het landschap en de geografie van Oirschot amper onderwerp van bespreking geweest zijn. Als het landschap aandacht krijgt, komt die aandacht uit de biologische en ecologische hoek. Geografische beschouwingen vond ik alleen in de MIP- rapporten: een toepassing van de dorps- en gehuchtmodellen van Steegh op de Oirschotse situatie. Het feit dat de heren van Oirschot niet hun machtsbasis pal naast de kerk en het dorpscentrum hadden, maar 4 kilometer westelijker, en dat die geografische situatie van belang kan zijn voor de interpretatie van de gespleten dorpsheerlijkheid van de middeleeuwen, bleef door iedereen onopgemerkt(Zelfs nog Kappelhof, 1995.). Eveneens onbesproken bleef het feit dat een oude heerbaan op 2« kilometer ten oosten langs de kern van Oirschot passeerde en niet er doorheen. Een toponymische studie over Oirschot ontbreekt eveneens.

Ondanks de rijke literatuur over Oirschot bleek ik dus toch nog een vrijwel onontgonnen veld voor me te hebben. Mijn verhaal wordt dus zowel voor u als voor mij een eerste kennismaking met nieuw terrein. Met die kennismaking wil ik teven de achtergrond neerzetten voor de hierna volgende voordrachten.

Wat ga ik met u doornemen ? Een goede start lijkt me een korte schets van de fysische gegevenheden van Oirschot: hoogteligging, bodem, en waterhuishouding. Daarna geef ik de geschiedenis van Oirschot een chronologische behandeling, waarbij steeds de invloed op het landschap voorop zal staan. Dat begint met wat gegevens over de voor-middeleeuwse periode, die wel cultuurhistorisch waardevolle plekken heeft opgeleverd, maar amper of geen sporen in het nu zichtbare landschap naliet. Daarop volgt de in Oirschot erg ondoorzichtige vroeg-middeleeuwse geschiedenis. Vanaf de hoge middeleeuwen begint de relatie met het landschap beter grijpbaar te worden door analyse van de gehuchten en gemeynten. Voor de ontwikkeling vanaf 1500 beschikken we voor Oirschot zowaar over redelijk bruikbaar (maar nooit eerder inhoudelijk gebruikt !) kaartmateriaal. Aan de hand daarvan wil ik de landschapsgeschiedenis van de laatste 500 jaar schetsen. Dat is dan een mooie basis voor de vraag die ik op het einde wil behandelen: kan er sprake zijn van een 'oorspronkelijk landschap', dat we zouden willen behouden of herstellen ?

2. Fysische gegevens

In een estuarien en waddenmilieu werd in het gebied van het huidige Noord-Brabant 1 tot 2 miljoen jaar geleden een pakket klei- en zandafzettingen gevormd, dat in noordelijke richting lager is komen te liggen. Over dit pakket werd nadien in een strook van Sterksel naar Made door de toenmalige Maas en Rijn een pakket grove zanden en grind afgezet. Vervolgens is door tectonische bewegingen een brede van zuidoost naar noordwest lopende baan van de aardkorst gaan dalen: de Centrale Slenk. Deze laagte is grotendeels opgevuld met verdere grove zandlagen, maar bepaalt nog altijd het landschap en het ontwateringssysteem van de Meierij.

In en na de jongste IJstijd is dwars over de in noordelijke richting afhellende zone van de Centrale Slenk een aantal hoge dekzandruggen gevormd, waartussen vlakkere gebieden met al dan niet verspoeld dekzand en leem ontstonden. De ruggen hinderen de ontwatering van de streek en dwingen de beekjes vaak door bepaalde 'poorten' te gaan.

Voor het landschap van Oirschot en omgeving is vooral van belang de rug die van Ravels over Son en Breugel loopt. Voorts is de rivier de Dommel, die bij Sint-Oedenrode naar het westen buigt en bij Boxtel noordwaarts door de noordelijke rug breekt, van belang als noordgrens van het te beschouwen gebied.

In het gebied tussen de rug en de Dommel is in het landschap van de vroege 19e eeuw een zekere zonering waar te nemen. Het algemene bodemniveau daalt in dit gebied van 20 m + NAP in het zuiden tot 10 m + NAP in het noorden. We menen hier zes zones te kunnen onderscheiden.

In het zuiden beginnen we op de rug met stuifduinen, die in een breder heidegebied lagen (zone 1). Op de noordflank van de zuidelijke rug loopt de oude weg van Hilvarenbeek en Diessen over Oirschot en Best naar Nijnsel bij Sint-Oedenrode. Langs deze weg (zone 3) vinden we de oudst ontgonnen kernen: Spoordonk, Oirschot, Aarle, Best, met daaromheen een reeks vermoedelijk merendeels jongere gehuchten. Deze zone met dekzandruggen en nog al wat enkeerdgronden wordt ontwaterd door een reeks kleine beekjes die op de flank van de zuidelijke rug beginnen. Er zijn slechts twee 'doorgaande' beken: de Beerse in het westen en de Dommel in het oosten. Op de Beerse ligt de watermolen van Spoordonk, die ook Oirschot bediende. Vanuit het oud-ontgonnen gebied is men later in de middeleeuwen en opnieuw vanaf ca. 1750 zuidwaarts (zone 2) en vooral noordwaarts (zone 4) gaan ontginnen. Met name de zuidwaartse ontginningen tekenen zich scherp af tegen de heide, maar ze zijn vrij beperkt van omvang.

Aan de noordzijde van de oud-ontgonnen zones (2,3,4) ligt een nat gebied met verspoelde dekzanden die aan de westzijde meer zandig en an de oostzijde meer lemig zijn (zone 5). Hierin treffen we in 1840 alleen in het westen (zandige bodem) heide aan. Voor het overige is dit dan vooral een graslandzone met veel bomen en echt bos. Aan de kant van Spoordonk is er een zone waar de geomorfologische kaart een groot aantal kleine dekzandkoppen aangeeft. Enkele van de beekjes die de flank van de zuidelijke rug ontwateren lijken hier in het niets te verdwijnen: ze hebben er niet vanouds een duidelijke loop. We hebben dat verschijnsel ook elders in lemige gebieden wel vastgesteld(Schijndel, Veghel) en het wijst op een erg nat gebied. De Mortelen ligt midden in deze zone 5.

Deze brede natte zone wordt aan de noordzijde begrensd door de vroeg ontgonnen oevers van de Dommel (zone 6). Daar is, naast het dorp Liempde, nog een reeks kleine goederen ontstaan, net als langs de weg van Best naar Nijnsel. Deze goederen kregen later een adellijk karakter: een slotje met pachthoeve(n). Deze beekdalzone langs de Dommel werd mogelijk vanaf 1000 AD in ontginning genomen, al was er langs de Dommel ook in de Romeinse periode en eerder al bewoning.

3. Vóór de middeleeuwen

Zone 1, de duinengordel in het zuiden die deels ook buiten de gemeente Oirschot ligt, zit vol met vindplaatsen uit de Steentijd: van jong Paleolithicum tot laat Neoliticum en zelfs wat Bronstijd. Vondsten uit de IJzertijd en de Romeinse periode lijken meer in zone 3 voor te komen, al zijn ze vrij schaars. In Kasteren, vlak naast de middeleeuwse noord-zuid-heerbaan, werd enkele jaren terug een nederzetting uit de Romeinse periode aangetroffen, waarnaar Verwers deze winter een nader onderzoek ingesteld heeft(Speetjens, 1991.). Knippenberg beweert dat genoemde heerbaan onderdeel is van een Romeinse Baan die van Tongeren over Vught naar Rossum (via een oversteek over de Maas) zou hebben gelopen(Knippenberg, 1961.). De Straatse Heide is genoemd naar het gehucht Straten van Oirschot. Buiten wat Romeinse munten uit het gehucht Hedel weet Knippenberg uit Oirschot echter niets te melden. Van geen van de door hem voorgestelde wegen werd ooit een deel teruggevonden en een meer gangbare opinie is dat er in die tijd in het Kempengebied geen standaard bestraatte Romeinse banen waren. Men zal toen oudere en natuurlijke wegen gebruikt hebben om nederzettingen zoals die van Kasteren te bereiken.

4. De vroege middeleeuwen

Zoals menig dorp vertrouwt ook Oirschot op een vrome legende om aan een hoge ouderdom te geraken. In dit geval gaat het om de heilige Odulfus die te Best omstreeks 800 geboren zou zijn, te Oirschot niet al te enthousiast de zielzorg zou hebben bedreven en die daarna op Friezenjacht is gegaan. Mogelijk werd de Odulfus-legende wat aangevuld toen Best in het midden van de 16e eeuw zich parochiëel wilde afscheiden van Oirschot, maar geheel verwerpen doet Van Buijtenen het verhaal toch niet(Van Buijtenen, 1977.). Het lijkt dat Odulfus al in 1150 en 1270 in Oirschot vereerd werd(Een ongedateerde tekst van de 15e eeuw of eerder, gepubliceerd als bijlage IV in Van Buijtenen, 1977; tekst uit 1270 gepubliceerd door Lijten, 1978, naar een afschrift uit 1617, een periode waarin menig dorp zich via falsificaties 'goede papieren' trachtte te verwerven.). Van Buijtenen suggereert bovendien een verbinding met Borgloon en de graven van Loon, die overigens rond 1300 Boxtel als rijksonmiddellijk leen bezaten. In ieder geval weten we sinds 1986 zeker dat er nabij het centrum van Oirschot in de 8e/9e eeuw gewoond werd(Verhoeven, 1986; overigens ook enkele merovingische scherfjes bij het Boterkerkje: Speetjens, 1991; nadere indicatie bij scherven in vitrine in gemeentehuis Oirschot.). Bovendien lag er in Oirschot één perceel dat cijns aan de hof van Echternach te Diessen(Smulders, 1952.). Dat kan op een oud ontgonnen plekje wijzen. Voorts liet de abdij van St.-Truiden jaarlijks te Oirschot 30 Keulse penningen ophalen. Vermoedelijk werden die door één of enkele boerderijen opgebracht(Van Buijtenen, 1977: dat de gehele streek van Oirschot en van een nog veel noordelijker gebied van Taxandrië af, in zuidwaartse richting, wordt beheerst en gexploiteerd door de abdij van S. Truiden in Haspengouw. Dat is natuurlijk schromelijk overdreven.). Steurs heeft de invloed van de abdij van Sint Truiden in Oirschot en omgeving echter zwaar overschat. Een laatste gegeven dat op de periode van voor 1000 zou kunnen teruggaan is de patroonheilige van de andere kerk van Oirschot: Sint-Petrus-Banden. Volgens Theuws en Bijsterveld zouden tussen 953 en 965 kerken met dat patrocinium gesticht zijn door de aartsbisschop van Keulen. De bisschop reorganiseerde toen oud koningsgoed en stichtte daarop deze kerken(Theuws en Bijsterveld, 1991.). Was Oirschot dan oud koningsgoed ? De oudste aanwijzing die ik vond voor het patrocinium Sint-Petrus-Banden is de feestdatum van het Sint-Sebastiaansgilde die omstreeks 1531 in het reglement genoemd werd: 1 augustus(Van Esch, 1981; mededeling drs. J.P.J. Lijten.). Voor koningsgoed zijn te Oirschot, anders dan te Boxtel en Vught, geen aanwijzingen. Veelal wordt de Petruskerk bovendien als 'nieuwbouw' van rond 1268 gezien.

5. Hoge middeleeuwen

In mijn visie is het waarschijnlijker dat zich in de Merovingische en Karolingische periode aan de noordflank van de grote dekzandrug wat pioniers gevestigd hebben, zonder veel structuur van grote bezittingen of overheidsgezag. In de 11e eeuw is de molenaar aan de Beerze tot vetste boer en vervolgens tot dorpsheer uitgegroeid. Bij de molen richtte hij in de beemden een omwaterde 'burcht' op, die later omgewerkt werd tot een motteburchtje. De naam 'De Berg' herinnert daar vermoedelijk aan(Verpoorte, 1991: geen aanwijzingen voor bewoning van voor 1200. Als dat juist is, rijst de vraag waar de oude heren van Oirschot dan wèl woonden.). Meer te midden van de bewoning stichtte de dorpsheer in de vroege 12e eeuw een kerk ter ere van Maria: het huidige Boterkerkje. In het midden van de 12e eeuw lijken ze in die kerk een kapittel gesticht te hebben. Soortgelijke kapittels werden in die periode opgericht in Hilvarenbeek (13 km westelijker) en St.-Oedenrode (13 km noordoostelijker). Bovendien werd de kerk van Oirschot de moederkerk van een aantal oude parochies in de omgeving: Middelbeers, Vessem, Wintelre. De parochie Oirschot (waar tot 1553 ook Best onder hoorde) en de heerlijkheid Oirschot vielen ruwweg samen. Ze beslaan beide zo'n 100 km2. Dit parochiegebied omvat de 5 zuidelijke van de hiervoor beschreven 6 landschappelijke zones.

In dit ruime parochiegebied kwam minstens nog één grondheerlijkheid voor: de hoeve van Aarle (nu Amelrik Bootshoeve). Dit goed kan eveneens teruggaan op een meer geslaagde pioniersvestiging. Dit goed was vanouds, of raakte voor 1300, verbonden met een drietal hoeven aan de oostgrens van de parochie Oirschot; Ten Einde, Ter Laak en Gunterslaar, en met het goederencomlex van Ten Houte in Sint-Oedenrode. Bij de hoeve van Aarle zien we in de 19e eeuw een ruime openakker, waar de grens tussen Oirschot en Best door loopt. Iets oostelijker ligt dan de nederzetting Aarle met een grote openakker. Inhoeverre die samenhangt met de hoeve van Aarle is me niet duidelijk geworden.

Mogelijk is door vererving ook een bezitscomplex in Vught in handen van de heren van Oirschot gekomen (of andersom, 12e eeuw). Als heren van Vught kregen ze aan de stok met de hertog van Brabant die zijn macht rond 1200 in die omgeving aan het uitbouwen was. De hertog stichtte in 1196 de stad 's- Hertogenbosch, waarheen hij tol en muntrecht van Vught lijkt te hebben overgebracht. De heren van Vught dolven het onderspit en verloren daar hun bezit, maar behielden Oirschot. De scheiding tussen het verloren deel van hun bezit en het te behouden deel lag op een kanaaltje dat gegraven was als verbinding tussen de Beerse en de Dommel. Dit kanaaltje voerde water uit de Beerse naar een watermolen te Boxtel. Dit watertje, de Molengraaf van 1232, bestaat nog. De bezittingen van de Van Oirschots / Van Vughts lagen dus verspreid over een strook van 28 kilometer lengte van benoorden de Maas tot bezuiden Spoordonk, bij een breedte van misschien 5 kilometer. Het was geen aaneengesloten bezit, eerder een zwerm losse elementen.

Gelre zag te gunste van de hertog van Brabant in 1203 af van zijn rechten op Megen en de Eninge van de Kempen(ONB 92, 97, 98, 99.). De Eninge van de Kempen was een rechtsgebied met vrij onduidelijke ligging, maar het is aantrekkelijk om daar de latere drie zuidelijke kwartieren van de Meierij in te zien, of toch minstens het kwartier Kempenland waarvan Oirschot hoofdplaats was. In 1213 stichtte de hertog in het kader van de consolidering van zijn nieuw verworven macht in de streek enkele nova oppida. Eén ervan kwam in Oisterwijk (12 km naar het NW) tot stand(Andere: Hoogstraten, Turnhout, Arendonk; gelijktijdig zijn Breda en Bergen op Zoom voor Breda en Geertruidenberg voor Holland.). Tussen een al veel oudere kerk en een oudere burcht werd een nieuwe handelsnederzetting opgericht. Daar werd een hertogelijke schout en schepenbank gevestigd, die een groot gebied moest gaan bedienen. Oisterwijk werd bovendien hoofdplaats van het noordwestelijke kwartier van de jonge Meierij van Den Bosch. Oirschot viel daar niet onder.

In 1232 verwierf de hertog ook de macht over het graafschapje van St.-Oedenrode, dat door de graaf van Gelre bemachtigd was. De hertog stichtte er een vrijheid, evenals in Eindhoven (14 km naar het ZO). Het kwartier van Peelland lijkt toen definitief in zijn macht gekomen te zijn. In dezelfde periode is ook het kwartier van Kempenland, waarvan Oirschot de hoofdplaats werd, aan de hertogelijke invloedssfeer toegevoegd. De eerste hertogelijke schout voor Kempenland lijkt al vóór 1246 gefunctioneerd te hebben(ONB 218.). Boxtel bleef een daarentegen rijksonmiddellijke heerlijkheid. De Meierij was verdeeld in vier kwartieren: verder nog Oisterwijk, Peelland (met St.-Oedenrode als hoofdplaats) en Maasland (NO van Den Bosch). Het grenspunt van drie kwartieren ligt aan de noordpunt van Oirschot.

De hertog lijkt eerst na 1232 voor Oirschot zelf meer interesse gekregen te hebben. Het is denkbaar dat de aanwezigheid van een hertogelijke kwartierschout naast de schout van de plaatselijke heer voor de nodige spanningen zorgde. Denkbaar is ook dat de oprichting van de Sint-Petruskerk omstreeks 1268 een hertogelijk initiatief was, als tegenwicht tegen de 'heerlijke' Mariakerk. In 1240 is er een door de hertog aangestelde scholaster in het Oirschots kapittel(ONB 191.). Bij de hertogelijke waterkorenmolen stichtte de hertog een wateroliemolen, die later door de heren van Oirschot van hem als cijnsgoed gehouden werd. Steurs meent dat de hertog in Oirschot vóór 1304 een vrijheid stichtte, zelfs al rond 1200. Alhoewel zijn argumenten daarvoor niet juist zijn(Oirschot zou volgens Steurs, 1993 een 'vrijheid' zijn. Hij meent dat deze vrijheidsrechten vóór 1304 van de hertog verkregen werden, mogelijk in het kader van de hertogelijke pogingen om greep op Oirschot te krijgen. Steurs geeft daarvoor een problematische bewijsvoering op blz. 332-333, want Gerlach van den Bosch had ook elders wel lieden zitten (Schijndel bijv.), zonder dat daar een vrijheid ingericht werd. Steurs meent dat hertog Hendrik I reeds op het einde van de 12e eeuw een nieuwe nederzetting stichtte, waartoe in zijn visie de Mariakerk behoord zou hebben (blz. 259, noot 3.). Dat kerkgebouw is daarvoor echter een eeuw te oud en het ligt meer voor de hand de in 1268 gereedgekomen Petruskerk als een hertogelijke stichting te zien. Ook in Vught stonden er twee kerken: naast de Lambertuskerk een hertogelijke Petruskerk. Daar waren er echter ook twee afzonderlijke parochies (Kappelhof, 1995.). Het co-patroonschap zou te Oirschot deze tweespalt voorkomen hebben: het kapittel verhuisde naar de grotere nieuwe kerk en de parochie werd niet gedeeld.), is het wel degelijk denkbaar dat de hertog in het kader van zijn machtsopbouw ergens tussen 1232 en 1289 niet alleen de bouw van de Petruskerk initieerde, maar daarbij ook een nieuwe nederzetting en vrijheid vormde(Datering: kennelijk n  1232 (St.- Oedenrode, Eindhoven); en als onze hypothese juist is vóór het overeenkomen van de deling van Oirschot, in 1289 in ieder geval voor het kapittel blijkend uit ONB 439. De hertogin van Brabant richtte zich in 1378 tot 'onsen goden luden onser vriheyt van Orschot': Enklaar, 1941, nr. 90.). Deze tweestrijd leidde er tegen het einde van de dertiende eeuw toe dat de hertog het 'halve dorp' met alles er op en eraan onder zijn macht kon brengen en zich kon laten erkennen als mede-patroon van kerk en kapittel van Oirschot. Hij heeft de oude heren van Oirschot er dus niet helemaal uit gekregen en er is dus niet een tweede parochie ontstaan, zoals te Vught. Wel werd het goed Aarle een hertogelijk leengoed en zien we alleen de hertog optreden als er in de jaren 1311 - 1336 gemeynten uitgegeven worden. Ook de landcijns lijkt helemaal aan de hertog betaald te worden. In 1320 verkocht de laatste heer uit het oude geslacht van Oirschot zijn bezit, dat nog steeds allodiaal was, aan de hertogelijke vertrouweling Rogier Van Leefdaal. Dit bezit bestond uit een landgoed met huis, waterkorenmolen en vier domeinhoeven, alles op Spoordonk; een windkorenmolen in Kerkhoven; het copatroonschap over kerk en kapittel van Oirschot en de halve heerlijkheid Oirschot met hoge rechtsmacht en vermoedelijk wat lenen en cijnsgoederen. Via vererving kwam deze helft van Oirschot aan de familie Van Merode en in 1672 via een gerechtelijke verkoop aan de familie De Landas. Deze familie behield de heerlijkheid tot het einde van het Ancien Régime.

6. Gehuchten

Wanneer ik de ooit, in het verleden of juist alleen in het heden, genoemde gehuchten optel, vind ik er voor Oirschot en Best samen 27. Door dubbele benamingen zijn dit in feite 24 nederzettingen. De dorpskom heb ik daar niet bijgeteld. Op zich is zo'n hoog aantal in een groot gebied (100 km2) niet bijzonder. Het is echter de kunst om in die twee dozijn nederzettingen wat historische orde te brengen. Omdat een toponymie van Oirschot en Best nog ontbreekt, heb ik een inventarisatie van nederzettingsnamen uitgevoerd aan de hand van het materiaal dat ik zo snel bij elkaar kon krijgen. Dan blijkt dat er in Oirschot en Best niet alleen een reeks na 1800 gevormde nederzettingen bestaat, maar dat er ook gehuchten bestonden die geheel of bijna helemaal verdwenen. Bovendien is er een aantal nederzettingen dat nu heel anders genoemd wordt dan in de middeleeuwen. Kortom, de uitgevoerde exercitie heeft me voor een aantal fouten behoed, hoop ik.

Kerkhoven

We mogen aannemen dat de omgeving van beide oude kerken in Oirschot sinds de achtste eeuw bewoond was en ook bleef. In de middeleeuwen en daarna (1340 - 1670) vinden we er de heertgang Kerkhof of Kerkhoven. Die naam is geen -hovennaam, maar verwijst blijkbaar gewoon naar het kerkhof of zelfs naar beide kerkhoven. De heertgang Kerkhoven nam niet nadrukkelijk deel in een van de noordelijke gemeynten en zal vooral de zuidelijke gemeynte gebruikt hebben. In Oirschot doet zich niet het verschijnsel van de eenzame kerk in de akker voor. In tegendeel, er is kennelijk steeds een dichte bewoning rond beide kerken geweest. Uiterlijk in de 15e eeuw werd de Nieuwstraat aangelegd. Het huidige ruime plein rond de Sint Petruskerk is echter misleidend. Uit een studie van de ontwikkeling van de kom werd duidelijk dat die open ruimte vergroot is doordat tweede rijen woningen afbrandden en niet meer herbouwd werden(Mijland e.a., 1991, 110 - 115.). Aanvankelijk was er alleen een pleintje ten noorden van het Boterkerkje, als verbreding van de straat. Achter de huizen aan de overkant werd de Petruskerk gebouwd. Nabij de toren werd in 1513 een raadhuis gebouwd, dat er in hoofdzaak nog steeds staat(Strijbos, 1993.). Door een grote brand in 1566 verdween een huizenrij. Zo kwam er een pleinvormige verbinding tussen de ruimten om beide kerken. Een brand in 1623 ruimde een tweede rij huizen op. De bouw van de herberg De Zwaan (onlangs afgebrand en nu in herbouw) maakte een einde aan de ruimtelijke verbinding tussen de Petruskerk en het Boterkerkje. Toen vanaf 1648 het Boterkerkje buiten kerkelijk gebruik raakte en als boterwaag een nieuwe functie kreeg, was de verschuiving van de stedebouwkundige nadruk naar de grote Petruskerk met zijn hoge toren voltooid.

Rondom Kerkhoven lag een ruim akkergebied: het was in alle richtingen ongeveer een kilometer breed. In vele andere dorpen is juist het centrale akkergebied geheel volgebouwd met woningen, maar in Oirschot heeft men dat aan de westzijde kunnen voorkomen. Daar strekken de open velden nog steeds tot aan de achterkant van de tuinen van het dorp. Het akkergebied van Kerkhoven had in de vorige eeuw een open karakter, dat afstak tegen de vaak in heggen en hagen gevangen velden daarbuiten. Ten zuiden van de kom stond de windkorenmolen van de heer van Oirschot. In 1857 werd ten noordoosten van de kom een nieuwe windkorenmolen De Korenaar gebouwd. De oude akkermolen was toen al geruime tijd verdwenen. De buitenrand van deze centrale akker vertoont enkele trechtervormige inkepingen. Dat zijn de plaatsen waar wegen de rand van de akker bereikten en daar ooit konden gaan uitwaaieren over de nog woeste velden buiten de akker. Door de voortgaande ontginning zijn die waaiers deels in de verkaveling vastgelegd en werden deze plekken tot de beroemde driehoekige, zogenaamd Frankische, pleintjes met bomen erop.

Te noordwesten van de akker van Kerkhoven ligt het gebied Ekerschot(land in Gheen Ekerscot in par. O., Sanders, 1994, reg. 45.). Het was een heiningengebied met wat bewoning. De naam doet vermoeden dat hier wellicht een bos lag waar varkens op eikels beweid werden, het 'ekeren'.

Aarle

Open akkercomplexen worden wel beschouwd als de oudste bouwlanden. In Oirschot lijkt dat wel te kloppen, want niet alleen liggen ze rondom Kerkhoven, ze komen ook voor in de andere gehuchten die op grond van de naam als behorend tot de eerste of tweede generatie kunnen worden beschouwd. Het betreft Aarle, Hedel, Hersel, Notel, Oudenhoven en Spoordonk. Deze zes zijn min of meer zelfstandige gehuchten. Mogelijk is ook Boterwijk een vroege nederzetting, maar de ligging op de buitenrand van de akker van Kerkhoven en de naam die uitgaat op -wijk, doen toch aan de secundaire vorming denken. Woonden daar de lieden die in het beekdalletje dat iets westelijker ligt de koeien lieten weiden om het dorp van boter te voorzien ?

Aarle heeft een tweeledige structuur. Aan de oostzijde is er een vrij ruime open akker, waarlangs aan de westzijde een straatnederzetting met laatmiddeleeuwse St. Annakapel ligt. Iets verder naar het westen ligt de Amelrijk Bootshoeve. In oorsprong is dit 'goed te Aarle' de centrale hoeve van een van de hertogelijke lenen in deze omgeving die Ten Houte heetten. Bij de hoeve tekent zich een open akker af. Afhankelijkheden van deze hoeve bestonden uit een tiendrecht, roggepachten, landen en beemden in het oosten van Best (Gunterslaar, Ten Houte, Ter Lake, Ten Einde) maar ook akkerperceeltjes in de akker van Kerkhoven. De oudst bekende leenman op deze hoeve is in 1312 Dirk Willemszoon van Aarle. Deze vernoeming naar het gehucht wijst er op dat deze hoeve daar toch een speciale positie innam. Amelrijk Boot is de leenman die in 1471 het tweede gasthuis van Oirschot stichtte, en daar onder andere deze hoeve als fundatiegoed schonk.

Hedel

Zover ik kan zien had ook Hedel een eigen open akker. De boerderijen van Hedel lagen daar aan de zuidwest en zuidoostzijde tegen aan, op de rand van de gemeynte van Nevelheuvel en zijn uitlopers. Behalve in die gemeynte was Hedel ook gerechtigd in de gemeynte van Banisveld. De naam Hedel kan een migratienaam vanuit het Gelderse Hedel zijn, daar de heren van Oirschot en Vught rond 1250 ook bezit in Hedel aan de Maas hadden. Een vergelijkbare migratie kan in Oirschot de naam Heusdense Akker in Kerkhoven opgeleverd hebben, want genoemde heren hadden ook bezit bij Heusden(1369: land Die Hoesdens Ecker herdgang Kerchoff in par. O, Sanders, 1994, reg. 57; 1387: Hoesdens Ecker nabij SP-kerk, Sanders, 1994, reg. 104; Kappelhof, 1995.). De onderdelen van de nederzetting van Hedel worden nu genoemd Hedel, Evenheuvel en De Bocht.

Hersel

Van de dertiende tot in de zestiende eeuw was Hersel een kennelijk belangrijk gehucht en heertgang tussen Notel en Eerdbruggen, waar nu Snepseind, Helder, en Piekenhoek ligt. Hersel was gerechtigd in de gemeynte van Nevelheuvel en die ten oosten van de heerstraat. Na de 16e eeuw lijkt de naam Hersel te verdwijnen. De bewoning ligt in de 19e eeuw wat verspreid en er is dan ook niet een duidelijke open akker, afgezien van het boogje ten oosten van de Heerbaan. Enkele van de oudste vermeldingen van dit gehucht luiden 'Hersele', wat op een -zele-naam lijkt te duiden. Het eerste onderdeel van de naam zou dan 'leger' betekenen(Gysseling, 1960a, 486.).

Notel

In de 19e eeuw is Notel een gehucht van boerderijen die in een dalvormige laagte tussen twee grote openakkergebieden geconcentreerd liggen: de akker van Kerkhoven en die van Notel zelf. Het is een van de oude gehuchten en heertgangen van Oirschot. Notel was gerechtigd in de gemeynte van Nevelheuvel en in de gemeynte oost van de Heerstraat. Het zou me niet verbazen als onder de open akker van Notel, die nog goed bewaard bleef met de naam 'Heezen', vroegmiddeleeuwse nederzettingen verborgen liggen. Het negentiende eeuwse Notel zou dan pas in de 13e eeuw op die plek beland zijn. De oude vorm van de naam is Notele, wat een samenstelling lijkt van -le of -lo met een element 'note', dat wel naar notebomen zal verwijzen. De naam Notele herinnert dan aan een bos met notebomen.

Aan de zuidrand van de akker van Notel staat het kasteel Bijsterveld. Het huidige gebouw is achttiende eeuws, maar er was hier voordien al een ouder goed Bijsterveld, dat een hertogelijk leengoed was(Aleydis filia quondam Henrici de Audenhove, bona de Bysterveld[Galesloot, 1865, p.14, fol 6v.). Het werd door de in 1672 aangetreden familie Landas ingericht als residentie, toen het oude kasteel op Spoordonk niet vrij bleek te komen. Nu is het een klooster met park en mooie dreef.

Oudenhoven

In de veertiende-eeuwse bronnen is Oudenhoven zowel de naam van een gehucht onder Oirschot, als van een familie die te Oirschot, elders in de Meierij en in de 14e eeuw zelfs als kastelein van Brussel aanzien bezat. De geburen van Oudenhoven waren gerechtigd in de gemeynte van Nevelheuvel. Op de 16e/17e-eeuwse kaarten wordt Oudenhoven aangegeven als een rij hoeven op de oostgrens van de gemeynte Gijzelaar. De kaart van Verhees is daar onduidelijk en de kaart van 1840 geeft er maar twee hoeven weer. Na 1900 is hier weer een rij boerderijen ontstaan. Oudenhoven lijkt een gehucht dat 'bijna verdween', maar toch weer terug kwam.

Bij deze naam zou het zelfde probleem kunnen spelen als bij de naam Ten Houte, die overal opduikt waar de familie Van den Houte ooit bezit had, ware het niet dat de familie Van Oudenhoven kennelijk elders geen 'visitiekaartjes' heeft achtergelaten. Oudenhoven zou dus als naam echt in Oirschot thuis kunnen horen en de bakermat van deze familie kunnen zijn. De naam bevat de elementen 'oud' en 'hoven'. Voor de nederzettingsgeschiedenis van Oirschot rijst dan de vraag: wiens oude hof was dit en hoe oud is die dan. Oudenhoven lijkt een Brabants leen te zijn en die status zal het pas van rond 1200 gehad hebben(ARAB, LvB, denombrementen 1440, nummer 97-2bis, Oudenhoven te Oirschot, door Van Vlierden.).

Spoordonk

Spoordonk is een uitgestrekt gehucht aan de Beerse. Hier was het zwaartepunt van het bezit van de heren van Oirschot: kasteel, vier domeinhoeven en de watermolen. De middeleeuwse en zelfs nog 16e eeuwse bronnen lijken met Spoordonk zowel het gebied ten oosten als ook ten westen van de Beerse (langs de weg naar Moergestel) aan te duiden. Op de kaart van Verhees en jongere kaarten heet het zuidwestelijke gedeelte in de regel Kattenberg (nieuwe nederzetting) en het noordwestelijke gedeelte Heibloem. De naam Spoordonk blijft dan tot het gebied ten oosten van de Beerse beperkt. Binnen Spoordonk kwamen enkele kleine open akkers voor, die eerder bij enkele grote (domein)hoeven lijken te behoren, dan dat ze in gezamenlijk gebruik bij de andere bewoners waren. Langs de Broekstraat staat vanouds een reeks boerderijen, op de rand van de gemeynte Banisveld. Deze gemeynte en de gemeynte genaamd Liedeveld scheidden Spoordonk van het akkergebied rond Kerkhoven. We hebben dus niet alleen te maken met de objectieve afstand van 3,5 kilometer, maar ook met de subjectieve die vergroot werd door de scheidende wildernis. Het is opmerkelijk dat de dorpsheren zo ver van hun kerkelijk centrum en hoofdnederzetting hun zwaartepunt hebben.

Gysseling meent dat het eerste element 'speur' of 'spoor' verwijst naar de vuilboom, die ook vaak als spork werd aangeduid. Een donk is een hogere zandkop in een moerassige omgeving. Die moerassige omgeving is hier het dal van de Beerse, dat door de tweezijdig gelegen Spoordonk afgekneld wordt: een ideale plek voor een watermolen die met zijn wateropstuwing ook de kasteelgrachten van water verzekerd zal hebben (Buiks, 1990, 187.).

Overzien we nu het geheel van de vroege gehuchten en hun akkers, dan blijken die in een gebied van 9 bij 4 kilometer een groot deel van de oppervlakte te beslaan. Maar daartussen lopen allerlei stroken en vlekken grond die er niet toe behoren. Randen daarvan zijn in het vervolg ook ontgonnen en vaak in omheinde percelen gelegd. De kernen treffen we in de 16e en 17e eeuw nog aan als uitlopers van de gemeynten. De helft van de zes oude gehuchten dragen namen die naar bomen of bos verwijzen: Aarle, Notel, Spoordonk. Daar komt dan de naam Ekerschot nog bij. Ook dit is een vertrouwd beeld: de vroege ontginningen vonden vaak in een bosachtige omgeving plaats. De naam Hersel zou zelfs een -zele-naam kunnen zijn. Gezien de archeologische vondsten in Oirschot, is dat niet uitgesloten. Wanneer de recent voor de Kempen geschetste vroege nederzettingsontwikkeling ook in Oirschot geldt, zouden onder de grotere openakkergebieden de oudste nederzettingen te vinden moeten zijn(De Bont, 1992.).

Naast deze oude gehuchten onderscheiden we een wat jongere laag van gehuchten, die overigens omstreeks 1300 alle reeds aanwezig waren: Best, Boterwijk, Gunterslaar, Hegedonk, Straten en Ten Houte. Slechts één maal wordt Hegedonk als gehucht vermeld, en wel in 1340 bij het betalen van cijns voor een stuk gemene grond dat de bewoners samen gebruikten met die van Hersel, Hedel en Oudenhoven(ARAB, RK 45038.). De juiste lokatie, ergens bij Nevelheuvel, is daarmee echter nog niet bekend. Een verdwenen gehucht of heet het later anders ? De drie andere gehuchten lagen alle in het oosten van Oirschot, het huidige Best. Dit is een gebied vol rechthoekige en soms kromme percelen die in de regel met levende hagen omgeven waren. Best en Gunterslaar gebruikten samen met Aarle de gemeynte van het Beste Broek(Lijten, 1990, 13.). Best werd later het centrale gehucht van de parochie (1553) en gemeente (1821) Best. Het werd ook wel Naastenbest genoemd. De vijftiende (of laat veertiende) -eeuwse Odulfuskapel werd parochiekerk. Een deel van Gunterslaar hoorde wellicht tot het goed Ten Houte-Best/Aarle. Blijkens een notitie op de zestiende-eeuwse kaart werden toen Gunterslaar en Hout samen reeds Vleut genoemd. Daarmee verdwenen de namen Hout en Gunterslaar. In deze groep gehuchten zien we dus een opmerkelijke dynamiek: één verdween geheel; twee gingen vanaf de 16e eeuw samen onder een nieuwe naam en de vierde evolueerde tot centrum van een nieuwe parochie en gemeente.

Straten is een oud gehucht langs de zuid-noord verlopende Heerbaan in het oosten van Oirschot. Het gebruikte de gemeynten ten westen en ten oosten van die Heerbaan. We kunnen er niet een open akker bij aanwijzen en de bewoning lijkt wat verspreid te staan langs de talrijke banen waarin de heerbaan hier in zuidelijke richting uiteenwaaiert. De oude banen tekenen zich nog af als lage zones tussen de velden. In Straten lag een hertogelijk leen dat bestond uit een hoeve met 15« hectare grond, een tiendrecht en een leen- en cijnshofje met 2 leenmannen en 23 cijnsbetalers(Galesloot, 1865, p.180, fol 71r.). Dit leen is niet nader gelokaliseerd, maar een vroegere moated site direct ten noorden van de laat-middeleeuwse Sint-Antoniuskapel zou er voor in aanmerking kunnen komen. Er is één naamsvermelding die 'Strathem' luidt (1437) temidden van een zee van vermeldingen die 'Straten' luiden. We menen daarom uit te moeten gaan van die meest frequente spelling, te meer omdat de latijnse vorm blijkbaar 'via' luidt. De gehuchtnaam verwijst dan eenvoudig naar 's heren strate waarlangs het gelegen is. Volgens Knippenberg zou die baan een oude Romeinse heerbaan zijn, waarvoor het nabij gelegen toponiem Kasteren en de recent daar gevonden nederzetting uit de Romeinse tijd wel een ondersteuning kunnen zijn(Knippenberg, 1961.).

Vermoedelijk pas in het laatst van de middeleeuwen kwamen enkele nieuwe gehuchten tot stand. Het betreft Dun, Eerdbruggen, Heuvel en Verrenbest. Heuvel werd in 1338 nog als een onderdeel van Boterwijk beschouwd(in Boterwijc aan die Hovel in par. O.; Sanders, 1994, reg. 26.). Heuvel was het zuidelijkste deel van Boterwijk, met een driehoekig plein in een wegenwaaier aan de rand van de Kerkhovense Akker, waaraan enkele boerderijen stonden. Thans is het geheel bedolven onder kanaal, autoweg en bruggen. Dun ligt iets zuidelijker. In 1392 werd een boerderij genaamd Ten Dunne vermeld(Sanders, 1994, reg. 131.). Mogelijk is deze door splitsing of door het bijbouwen van jongere hoeven de kern van een klein gehuchtje geworden. In de 14e - 16e eeuw was Eerdbruggen een van de gehuchten van Oirschot. Als zodanig nam het deel in gemeynten en staat het met hoeven getekend op de kaarten. Toch is deze plek nu amper bewoond en raakte de naam Eerdbruggen ter plaatse vrijwel vergeten. De naam zou verwijzen naar de Heerbaan, die hier enkele laagten als dijk (met heulen?) zou oversteken. Verrenbest vond ik pas kort na 1500 vermeld(Frenken, 1956, 165ev.). Het is mogelijk een wat jonger gehucht ten oosten van Best, dat te midden van de velden tot stand kwam. De tegenstelling Naastenbest (voor Best zelf) - Verrenbest wijst erop dat men de ligging vanuit Kerkhoven beoordeelde. In Sint-Oedenrode heeft men Ten Houte en Verrenhoute; in Gilze : Verhoven en Nerhoven. Degelijke tegengestelde toponiemen stellen ons in staat het centrale punt in een gebied aan te wijzen(Zie ook: Leenders, 1982b.).

De volgende, weer wat jongere, reeks gehuchten bestaat volgens mij uit Kattenberg, Termeiden en Vleut. Vleut zagen we al eerder: het is eigenlijk helemaal geen nieuw gehucht, maar slechts een nieuwe naam voor twee oude gehuchten: Gunterslaar en Ten Houte. Deze verandering lijkt rond 1500 te zijn opgetreden. Kattenberg is een straatje met enkele boerderijen met naar de heide opstrekkende kavels, die wat schuin op de weg staan(Kaart 16e E.). Het is een jongere uitbreiding van westelijk Spoordonk. De naam is eigenlijk een naam die op de heide zelf thuishoort. Termeide heette oorspronkelijk Ter Ameiden. Die naam verwijst naar een slagboom. Er is wel verondersteld dat deze slagboom de heerbaan zou afsluiten, maar dat lijkt in het licht van de middeleeuwse vereisten voor zo'n heerbaan onwaarschijnlijk. Eerder betreft het een afsluithekken van de cultuurgronden van Eerdbruggen. Buiten dat hek is dan weer een volgende nederzetting ontstaan. In de 14e en 15e eeuw zijn er echter geen duidelijke aanwijzingen dat er hier een gehucht was. Op de 16e eeuwse kaartjes wordt Ter Amey(d)en duidelijk wel als gehucht aangeduid. Op de moderne kaarten verdwijnt dit gehucht weer en blijft er alleen op enige afstand een Termeidensteeg over.

Termeiden en Eerdbruggen ondergingen dus het zelfde lot: ze verdwenen vrijwel geheel. Termeiden werd op de 16e eeuwse kaart met 7 en Eerdbruggen met 9 huizen aangegeven: wat minder dan de andere gehuchten, maar toch ook niet weinig. Voor de juiste lokatie van Eerdbruggen worden de bestaande huizen Lopensestraat 2,3 en 4 aangewezen, alsmede een afgebroken huis daarbij. Bovendien werden in de zeer droge zomer van 1976 in de weilanden aldaar vier rechthoekige verdroogde plekken zichtbaar. Bij diepploegen van een van die percelen bleek dat het om oude huisplaatsen ging. Ook van Termeiden werden zo vier huisplaatsen teruggevonden, terwijl een omgrachte hoeve aan de Termeidesteeg er ook bij zou horen. Gebrek aan voldoende droge akkergrond zou gemaakt hebben dat deze gehuchten het niet konden volhouden. Of zou de streek na 1600 zijn gaan vernatten ?(Van Hout, 1990, 385 - 388.) In ieder geval hebben we hier met anderhalf verdwenen gehucht te maken !

Zo resteren nu nog de allerjongste 'gehuchten'. Met De Bollen wordt eigenlijk een deel van het oude Straten aangeduid. Evenheuvel wordt in de Monumenteninventarisatie van 1998 als gehucht opgevoerd. Vermoedelijk bedoelt men er de bewoning langs de Schansstraat mee. Die straat loopt door de voormalige gemeynte Nevelheuvel: die naam werd dus nogal verbasterd. Wat verderop vinden we het Snepseind. De naam van deze groep boerderijen heeft recent ook al een vreemde verandering ondergaan, want de oude naam is Snepschoot. Met deze naam werden landerijen aangeduid. Vermoedelijk gaat het hier om het 'verdwenen' gehucht Hersel. Aan de westzijde van Aarle vinden we het Moleneind, dat genoemd is naar de molen die in de vroege veertiende eeuw in de rand van de heide gebouwd werd. Verhees geeft hier in de late 18e eeuw reeds een groep boerderijen aan en tegen de akker van de Amelrijk Boothoeve liggen de Moleneindse Akkers. Aan de zuidoostzijde van de kom van Oirschot duikt na 1900 het gehucht De Stad op. Er is weinig stedelijks aan: een straat met aan één kant huizen en hoevetjes. Maar men zegt hier ook wel eens 'Paradijs' tegen een plek slechte grond. Tegen Spoordonk aan ligt de Lubberstraat. Deze straat was ooit de westgrens van de gemeynte Liedeveld. Langs die gemeynte-grens werden - zo als we ook elders in Oirschot gezien hebben - boerderijen geplaatst. Hier werd dat het gehucht Lubberstraat. Misschien is op de 17e eeuwse kaart hier één enkele boerderij aangegeven. Aan de zuidzijde van de kom van Oirschot, ongeveer waar ooit de windkorenmolen van Kerkhoven stond, ligt nu een wijkje dat Theetuin heet. Deze naam lijkt twintigste eeuws te zijn. Tenslotte verschijnt ook Tregelaar ineens als gehucht in het MIP- rapport en op de jongste topografische kaart. In feite bedoelt men er het weer tot opbloei gekomen gehucht Oudenhoven mee ! Het echte Tregelaar ligt 1 tot 2 kilometer noordelijker en was steeds een onbewoond stuk gemeynte.

We zien in Oirschot dus gehuchten die bleven bestaan en hun naam netjes behielden, maar ook oude gehuchten die verdwenen: ofwel echt met huis en haard, ofwel doordat ze een nieuwe naam kregen. Met name in de jongste tijd lijkt er nogal een ravage onder de gehuchtnamen te zijn aangericht. Dit was denkelijk mogelijk omdat de gehuchten in de zin van nauw samenhangende sociaal-economische eenheden niet langer bestaan. Het zijn gewoon wijken van de gemeente geworden.

7. Gemeynten

In Oirschot en Best werden in twee golven gemeynten gevormd, de eerste in 1311 en 1312 en de tweede in 1335 en 1336. Dit past geheel in het algemene patroon van hertogelijke gemeynte-uitgiften in de Meierij (Leenders, 1987e, 68.). Wat echter opvalt is dat het gebied van zone 1 en 2 als één grote gemeynte wordt uitgegeven. Het gebied van zones 4 en 5 werd daarentegen versnipperd in 4 gemeynten, die ieder steeds 3 of 4 gehuchten bedienden. Tezamen beslaan deze gemeynten heel het oude rechts- of parochiegebied van Oirschot, dat is de huidige gemeenten Best en Oirschot samen.

gemeynte        uitgifte   aard            innemers

Zuidelijke gem. 1311       thimum          alle inwoners Oirschot.
Banisveld       1312       thimum          Spoordonk, Boterwijk, Hedel.
Tregelaar       1336       veld, bos       Eerdbruggen, Hersel, Notel, Hedel.
Nevelheuvel     1311       veld, bos       Eerdbruggen, Hersel, Notel.
Besterbroek     1335       veld, bos       Aarle, Best, Gunterslaar.

Uit de summiere karakterisering van het terrein die we in deze documenten vinden, tekent zich weer het bekende patroon af: hei in het westen en zuiden, oostelijk in zone 4-5 'velden en bossen'. Deze uitgiften betekenen helemaal niet dat die van Oirschot voordien de omringende wildernis niet gebruikt zouden hebben. Dat gebruik was er al eeuwen lang. Maar kort in 1301-1304 had de hertog enkele forse bospercelen eruit verkocht, te samen 318 hectare(In 1301 27 bunder of 35 hectare 'in onsen bossche van Oirschot': ONB 609; nog 36 bunder of 47 hectare hei en woeste grond 'in Wyppenhout': ONB 618; en 19 bunder 25 hectare heide en broek: ONB 620 en 621. In 1303 80 bunder of 104 hectare 'in nemore nostro de Oerscot' aan de abdij Park, met de bomen 'in locis que dicuntur Verdonc et Wolfskele' (nu onder Liempde !): ONB 646 en 652; nog 30 bunder of 39 hectare 'mirice que teuthonice heyda vocatur': ONB 653. In 1304 tenslotte 62 bunder of 81 hectare land en wildernis 'in onsen bosche van Wyppenhout': ONB 670.). Een deel hiervan ligt nu overigens in Liempde en niet in Oirschot: de grenzen zijn nadien kennelijk wat zuidwaarts verschoven. Dergelijke verkopen waren in de regel een goed instrument om de dorpelingen zo ver te krijgen dat ze bereid waren om geld op tafel te leggen om het voortbestaan van het gemeenschappelijk gebruik van de resterende weidegronden te verzekeren. Dat neemt niet weg dat in ieder van de gemeyntbrieven van Oirschot staat dat de geburen zelf een deel van de zo juist verworven gemeynte mochten verkopen, om de aan de hertog betaalde koopsom terug te verdienen. Later zouden de geburen voortdurend delen uit de gemeynte verkopen. Hierdoor werden die gemeynten toch geleidelijk verkleind.

Dit proces kunnen we in enig detail volgen dankzij de kaart van omstreeks 1540, de vroeg 17e eeuwse kaart, de kaart van Verhees die toestand van de late 18e eeuw weergeeft en vervolgens de topografische kaarten van 1840, 1897 en 1983. Deze kaartvergelijking zal ik uitvoeren voor een gebiedje in de Mortelen, rondom de plek waar we nu samen zijn. We kunnen zo zien hoe ook buiten het eigenlijke bewoonde gebied en de gehuchten de ontginning het landschap voortdurend in beweging hield. Tevens kunnen we kennis maken met de wijze waarop dat gebeurde. Voor de globale oriëntatie wijs ik er op dat we in de westrand van het lemige deel zone 5 zitten.

8. De kaart van 1540

Op het Rijksarchief in Noord-Brabant bewaart men een grote kaart op papier (91 x 172 cm) van de westzijde van Oirschot. Het is een niet gekleurde pentekening, zonder benaming en datering(Donkersloot - de Vrij, 1981, Nr 613; RANB, bergingsnr D38.). Donkersloot-De Vrij dateert: 2e kwart 17e eeuw ? Qua inhoud geeft de kaart evenwel de toestand van eind 1540/ begin 1541 weer. De reden voor deze datering is dat in veel percelen allerlei informatie over eigenaren en aankomstdata geschreven staat. Deze data vertonen heel wat jaren 1530 - 1539 en 1540 is het jongste jaar dat genoemd wordt. Qua stijl (slordige penschets, niet gemeten, niet schaalvast) zou de kaart best van 1540 kunnen zijn.

De kaart geeft zoals gezegd de westzijde van Oirschot weer, voornamelijk west van de Beerse en de omgeving van het Huis Ten Berg. In dat gebied worden ook individuele percelen en gemeynten onderscheiden. Verder naar het oosten is de kaart heel globaal. Oost van het dorp Oirschot (2 kerken en boogvormige rij huizen) staan langs de weg de gehuchten getekend als dubbele rijen huisjes. Ook ten noorden van die rij staat de gehuchten op die symbolische manier aangegeven. Voor ons detailgebied zijn vooral de hoeve Polsdonk en de gehuchten Oudenhoven en Hedel van belang. Termeiden en Eerdbruggen liggen juist buiten de kaart. Op het globale deel van de kaart zijn verder geen terreingegevens aangegeven, buiten enkele grenspalen en twee stroken beemden, die juist door ons gebiedje lopen. Dit zijn de dalletjes van twee beekjes, waarin de bodem tot hooiland ontgonnen was en in omheinde particuliere percelen gelegd was. Buiten Hedel en Oudenhoven en de hoeve Polsdonk moet de grond toen in gemeenschappelijk gebruik geweest zijn, zonder dat dat hier persé heide hoeft te beteken. We zitten immers juist op de overgang van het zandige (west) naar het lemige (oost) deel van de natte 'zone 5'. Oudenhoven wordt op deze kaart getekend als een omwoonde open ruimte die uitgeeft op de gemene gronden van Gijzelaar.

9. De kaart van de vroege 17e eeuw

Het Rijksarchief in Noord-Brabant herbergt nog een tweede oude kaart van Oirschot(Donkersloot - de Vrij, 1981, Nr 614; RANB, bergingsnr. A827.). Deze kaart zou volgens Donkersloot- De Vrij uit de eerste helft van de zeventiende eeuw dateren, of eventueel wat jonger zijn. Misschien kan de kaart nog nader gedateerd worden aan de hand van de toestand van de afgebeelde kerktorens, maar in dit geval lijkt de datering van Donkersloot - De Vrij voorlopig heen aannemelijk. Het is een mooie gekleurde kaart. De topografie van een groot deel van Oirschot is redelijk op schaal en gedetailleerd weergegeven. Opnieuw is er alleen perceelsgewijze informatie rondom Spoordonk.

Deze kaart geeft veel meer detail voor de omgeving die we hier verkennen. Rond Tregelaar zijn eilandjes met bomen rondom en bomen op rijen getekend. We interpreteren dit als kampen met weiland en hoge bomen (eik, populier, ander ?). Deze kampen zijn ook op latere kaarten goed herkenbaar en kunnen zijn voortgekomen uit de twee beemdenstroken uit de oudere kaart. Rond Bobbelaar en de Wreemdt is in een lichtgroene kleur een gebied zonder boerderijen aangegeven. Wellicht is dat een tot weiland ontgonnen rand rond deze gemeynten. Deze zone wordt duidelijk onderscheiden van de geelgroen gekleurde zone met boerderijen. Een bomenrand markeert die scheiding. Het betreft hier de gehuchten Termeiden, Eerdbruggen en Hersel in het oosten en Oudenhoven bij Gijzelaar. Nu herkennen we beter hoe Oudenhoven op de rand van Gijzelaar ligt. Bovendien lijkt daar alweer meer grond ontgonnen te zijn dan op de vorige kaart is aangegeven. Ten zuiden van Oudenhoven, waar we de akker van Hedel vermoeden, is een donkergroene vlek. Dezelfde kleur komen we tegen op de akkers van Kerkhoven. Blijkbaar wordt daarmee het in de 19e eeuw open akkerland aangeduid. De geelgroene kleur geeft dan blijkbaar het landschap van de omheinde percelen weer. De gemene gronden hebben op deze kaart een zeer lichtgroene kleur gekregen. Ook de weidezone aan de westkant van Bobbelaar en de grens rond de gemeynte van 't Schom worden door bomenrijen gemarkeerd.

Het systematisch gebruik van hoge bomen op de randen van de cultuurgronden wijst op toepassing van het voorpootrecht. De inwoners van Oirschot hadden dat recht om op een 14¬ meter brede strook langs hun land en op de gemeynte bomen te planten in 1447 verworven(Enklaar, 1941, nr. 91.). In 1696 werd het Reglement op het beplanten van de Meierij vastgesteld(Ordre, 1697.). Geëist werd dat een ieder die land onder de ploeg had jaarlijks vóór 30 april langs zijn erf een reeks kuilen zou graven. Deze kuilen moesten 90 tot 120 cm diep en 240 tot 270 cm in het vierkant zijn, op onderlinge afstanden van 5,4 tot 5,7 meter. In de loop van de zomer moest gecontroleerd worden of ieder zijn werk gedaan had. Tussen 1 en 6 november moesten in die kuilen bomen, bij voorkeur eiken of beuken, geplant worden. Op natte gronden moest in het voorjaar geplant worden. Het pootsel moest verstrekt worden door kwekerijen die speciaal daarvoor door de 'gemeente' moesten worden aangelegd. Het reglement gold uitdrukkelijk als pootkaart voor die plaatsen, die nog geen voorpootrecht bezaten. Er werd een termijn van tien jaar voorzien waarin het stelsel volledig op gang moest komen. In 1714 werd het reglement nog eens gepubliceerd (Reglement, 1714.). De rentmeestergeneraal van de hertogelijke domeinen deed in 1749 nòg eens een publikatie om de houtteelt te bevorderen(Vernooij, 1985, 42 naar RANB, Kwartier van Oirschot, nr. 85.). Op deze lemige gronden zal men vooral wilg en populier aangeplant hebben en vanaf 1800 de Canada-populier. Deze bomen zijn na 20 jaar al kaprijp en vormden de basis voor de klompenindustrie, die vooral in Best van groot belang was(Leenders, 1994e.).

10. De kaart van Verhees (1790)

Hendrik Verhees heeft in de tweede helft van de 18e eeuw in de Meierij tal van detail en plaatselijke kaarten gemaakt. Tegen 1790 vervaardigde hij uit die kaarten en uit kaarten van zijn collega's een grote overzichtskaart van heel de Meierij. Deze kaart werd in vier delen als bijlage uitgegeven bij het eerste deel van de trilogie van Crijns en Krielaars over de geschiedenis van de landbouw in Noord-Brabant in de 19e en 20e eeuw(Crijns en Kriellaars, 1987.). Het is me niet duidelijk welke kaart Verhees voor Oirschot en Best gebruikt heeft. Het is in ieder geval niet onze 17e eeuwse kaart, want Verhees geeft duidelijk een toestand weer die veel dichter bij het kadaster van 1832 ligt. Aan de grens tussen Best en Sint-Oedenrode zit er een hiaat in de kaart van Verhees: daar pasten de basiskaarten blijkbaar niet goed aan elkaar. Normaal kon hij dergelijke problemen in de heide verbergen, maar hier ligt de grens in het cultuurland zodat de 'las' zichtbaar wordt. Voorts is bij de reproduktie van de kaart een strookje dwars door Oirschot weggevallen.

De kaart van Verhees toont duidelijk een jongere toestand dan de 17e eeuwse kaart. De heide van Banisveld is duidelijk aan weerszijden versmald door ontginning. Boomrijen op de grens van cultuurland en gemeynte zijn her en der herkenbaar. Het Kinderbos ten noorden van Tregelaar, dat er in de 17e eeuw nog was, is verdwenen. Het bos van de Velders werd echter in vol detail weergegeven: dat lijkt in deze streek het enige permanente bos te zijn. Voorts geeft Verhees een nieuwe, rechte en met bomen beplante weg tussen Oirschot en Boxtel aan: De Langedijk ofwel de weg waaraan we thans congresseren. In de bocht van die weg ten oosten van Oudenhoven geeft Verhees een bosje aan. Verspreid geeft Verhees nog groepjes punten aan, waarmee bomen bedoeld kunnen zijn. De gemeynte van Nevelheuvel is wat in de blinde strook van de reproduktie verdwenen, maar ze lijkt reeds geheel ontgonnen te zijn.

In de tijd waarin de basiskaarten voor de kaart van Verhees gemaakt werden, werd de houtteelt ten behoeve van de klompenindustrie steeds intensiever. Dit leidde ook tot misbruiken en pogingen de houtschat te ontduiken. In 1773 vermoedden de regenten van Oirschot, waaronder toen nog het klompencentrum Best ressorteerde, dat daar op grote schaal gefraudeerd werd met klompenhout. De Oirschotse klompenmakers zouden, in de visie van de regenten, in andere Meierijse dorpen klompenhout kopen waarvan de houtschat in die andere dorpen betaald zou zijn. Daarvan maakten zij een 'considerabele quantiteite van clompen', naar vermoeden onder toevoeging van Oirschots hout waarvan geen houtschat betaald was. Daarna meenden ze alle klompen, zonder houtschat te betalen te kunnen 'uitvoeren' naar elders. De regenten zullen zich wel afgevraagd hebben waar de Oirschotse bomen toch bleven !(RANB, RG 343.) Overigens verdubbelde in de jaren 1675 - 1775 de houtteelt in Oirschot, en dan gaat het vooral om het gedeelte Best. Maar Oirschot verloor toch de eerste positie die het in 1675 nog ruimschoots innam in de Meierij, omdat in andere dorpen de houtteelt veel en veel sterker toenam. In 1775 stond Oirschot nog maar op de zesde plaats, met 5« % van de totale houtschatopbrengst van de hele Meierij (dat was in 1675 nog 10%). Blijkbaar stonden er in 1675 dus al relatief veel bomen in Oirschot en Best.

11. De kaart van 1840

De manuscript-topografische kaart van ca. 1840 steunt sterk op de kadastrale kaarten uit de jaren 1810 - 1831. In wezen werden die kaarten door terreinwaarneming omgewerkt van een eigendommenkaart naar een topografische kaart. Deze kaart vertoont zeer veel detail en is meetkundig behoorlijk zuiver.

In ons detailgebied blijkt de bebossing, in vergelijking tot wat Verhees weergeeft, enorm toegenomen te zijn. Het Kinderbos is weer terug, de ooit uit beemden met bomen bestaande kralensnoeren van grote kampen zijn veranderd in rijen bossen waarin enkele kleine percelen uitgespaard zijn. In het meer massieve cultuurland liggen overal kleinere en grotere bosjes. De open ruimte van Bobbelaar is aan alle kanten verkleind door ontginning tot bos en weide: er rest nog een spinachtig gevormd heideterrein. Van het kleinere gemeynte terrein van Breemt of Wreemt is niets meer over. Verder naar het westen bestaan de open ruimten van Tregelaar en Gijzelaar nog wel: daar was de ontginningsijver een stuk minder.

Tussen 1790 en 1840 blijkt er dus een intensieve bebossing te hebben plaatsgevonden, meer nog dan een ontginning tot weiland. De massieve bossen zullen wel uit dennen bestaan hebben. Overigens staan rond die weiden ook steeds bomen getekend: dat zullen populieren zijn. Een en ander komt overeen met wat we in Schijndel vaststelden: vanaf 1750 nam het populierenlandschap snel uitbreiding en we zitten hier precies op de westgrens ervan. Best werd een groot populierencentrum. In het oosten van ons detailgebied werden gemeynten tot populierenland (dennenbos of weiden met bomen) ontgonnen. Rond Tregelaar werden de bestaande beemden met bomen omgezet in bossen met restperceeltjes, maar werd niet bij-ontgonnen. Het Banisveld, met zijn zandige bodem, bleef deze bomenmanie bespaard. Op veel plaatsen in het noorden van Oirschot en Best vallen heel wat ovale 'kampen' op, omdat ze door een brede rand met bomen omgeven zijn. Dit zijn de resultaten van het voorpootrecht van 1447, dat in 1696 tot plicht geworden was. Aan de hand van deze kampen valt de voortgang van de ontginning min of meer af te lezen.

12. De kaart van 1897

De kaart van 1897 die we hier gebruiken behoort tot de zogenaamde Bonnekaartjes: een bekende serie gedrukte topografische kaarten van rond 1900. Het blad voor het gebied ten westen van ons conferentieoord werd verkend in 1897; het blad ten oosten ervan in 1896 en 1897, maar het werd in 1904 gedeeltelijk herzien. Het is me niet duidelijk waar die herziening gezocht moet worden.

Enkele bossen die op de kaart van 1840 werden aangegeven, worden nu als dichtgroeiende heide aangeduid. Wel is die heide steeds verkaveld, zodat denkbaar is dat een eerste generatie bomen juist geoogst was en herplant nog niet had plaatsgevonden. De kampen rondom Tregelaar en Gijzelaar bestaan nog steeds vooral uit bos. De kaart geeft aan dat dat zowel loofhoutpercelen als dennenpercelen waren, met ingesloten weiland. Tussen deze kampen zijn nu ook zones beplant en ontgonnen, zodat Tregelaar en Gijzelaar nu niet meer in elkaar overlopen. In Gijzelaar is de ontginning kennelijk aanstaande: er zijn enkele lanen doorgetrokken. Het Banisveld is een langzaam dichtgroeiende heide met daarin wel een verkaveling in brede stroken, maar zonder ontginning of bosaanplant van betekenis.

De Langendijk werd inmiddels verhard met grind en heet nu de Grindweg. Ten oosten daarvan is alleen het centrum van Bebbelaar nog heide: een ovaal van 250 bij 350 meter. Het gebied eromheen bestaat nu uit weiden met brede randen met loofbomen, denkelijk populier. Dit gebied heet nu : 'De Mortelen'. Verder naar het noordwesten belanden we weer in stukken dichtgroeiende heide, waar in 1840 bos stond. In het cultuurland is de het bomenbestand verder uitgebreid: veel kleine bosjes, brede houtranden en zelfs wat grotere bosjes. Dit is bijna allemaal loofhout.

13. De kaart van 1983

Als jongste terreinopname gebruik ik de topografische kaart uitgave 1983. Volgens die kaart bestaat het gebied ten westen van de Grindweg vrijwel geheel uit grasland. Het Banisveld is helemaal ontgonnen. Daar komen nog de grootste oppervlakten bouwland voor. Rond Tregelaar, dat zelf nu ook grasland is, hebben de bomen zich deels kunnen handhaven. Ze staan nu in stroken en perceeltjes die teruggaan op de oude kampenstructuur, maar de ruilverkaveling heeft heel wat van die structuur uitgewist. Er bleef een amorfe verzameling bosjes over, maar het aantal perceelsgrenzen met bomen lijkt toch wel verminderd te zijn. Ten oosten van de Grindweg bleef de mengeling van weiden en bossen bestaan. De laatste stukjes heide werden er ook in grasland omgezet. Ook hier zijn allerlei structuur- en groeilijnen, die aangaven hoe het gebied geleidelijk uit de heide ontgonnen werd, onderbroken en deels opgeruimd. Dit heeft de afleesbaarheid van de structuren geen goed gedaan.

14. Bestaat er een oorspronkelijk landschap ?

In het 'Beheersplan Oirschot-Best voor het relatienotagebied Oirschot-Best' van 1979 wordt als doel van alle inspanningen genoemd: handhaven en waarnodig ontwikkelen van enerzijds een kleinschalig cultuurlandschap en anderzijds van biologisch waardevolle elementen zowel in de planten- als in de dierenwereld.

De toelichting voegt daar op bladzijde 1 aan toe dat het gebied Bij uitstek geschikt (is) om het landschap in zijn vroegere staat terug te brengen. Nu heb ik die nota helemaal doorgenomen, maar nergens kan ik vinden welke 'vroegere staat' men bedoelt. Evenmin wordt ergens een jaartal of eeuw vermeld waaraan men denkt(Stichting Beheer Landbouwgronden, 1979.).

Uit de voorgaande schets van de ontwikkeling van het cultuurlandschap van Oirschot en Best in het algemeen en meer nog bij de ontwikkeling van het als detail uitgewerkte gebied, zal u duidelijk geworden zijn dat het landschap voortdurend aan verandering onderhevig was. Ons detailgebied was wellicht na de IJstijd begroeid geraakt met bossen waarvan de samenstelling varieerde afhankelijk van nat en droog, zandige of lemige bodem. Onder invloed van de prehistorische mens, van de bewoning in de IJzertijd en Romeinse periode zijn die bossen al van karakter veranderd. In de hoge middeleeuwen was er in het lemige gedeelte nog geruime tijd bos. Het Banisveld, op zandige grond, werd in 1312 echter al heide genoemd en de omgeving van Tregelaar en Bobbelaar waren toen denkelijk een overgangszone tussen heide en bosachtig terrein. Op de kaart van 1540 lijkt ook daar van bossen geen sprake meer. In de heide tekenen zich alleen twee stroken beemden af. Dit lijkt de climax van de heide te zijn. Van dan af werd er meer en meer ontgonnen, meer naarmate de bodem lemiger was. Daarbij werden veel bomen aangeplant, deels als bos en veel op perceelsgrenzen. Dit proces is doorgegaan, vermoedelijk tot in het midden van onze eeuw. Het eerst zo open gebied werd steeds meer gesloten. In dit proces sneuvelden zelfs enkele gehuchten: Termeiden, Eerdbruggen en bijna ook Oudenhoven. Dat we op de rand van het populierengebied zitten blijkt eruit dat deze ontwikkeling in het westen van ons kleine gebiedje (3 bij 3 km) merkbaar trager verliep dan in het oosten.

Door modernisering en schaalvergroting in de landbouw, door verdroging door fanate ontwatering en door ingrepen van de ruilverkaveling zijn deze ontwikkelingen afgebroken. Groeiringen zijn vervaagd. Ook het onderscheid hoog-laag dat in het bodemgebruik akker-wei tot uiting kwam, ging grotendeels verloren omdat gras overheerst. Deze ontwikkelingen werden echter nog steeds vanuit de landbouw gestuurd. In dit Relatienotagebied is daar nu nieuwe sturende kracht bijgekomen: een poging om een verloren ideaal te herstellen. Doordat het doel van deze inspanning in wezen ongedefinieerd is, heeft men in feite daarbij de vrijheid een zelfbedacht ideaal landschap te creëren. Het resultaat zal vooral interessant zijn voor wie de psychologie van de laat-twintigste eeuwse stadsbewoner bestudeert. Tenzij onze studiedag er toe leiden mag dat wat serieuzer met de wel degelijk beschikbare informatie over de historische ontwikkeling van het landschap omgesprongen wordt.

Literatuur waar naar verwezen wordt

Bont, C.H.M. de. Leaving the church behind. A model for predicting early mediaeval settlement locations in the sandy areas of the Dutch province of North Brabant. BEVAS 61 (1992), 12 - 22.

Buijtenen, M.P. van. Langs de heiligenweg. Perspectief van enige vroeg-middeleeuwse verbindingen met Noord-Nederland. Amsterdam, 1977. Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Verhandelingen Afd. Letterkunde, nieuwe reek, deel 94.

Buiks, C.J.M. en K.A.H.W.Leenders. Nederzettingsnamen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad. Den Haag, 1994. (6 delen).

Crijns, A.H., F.W.J.Kriellaars. Het gemengde landbouwbedrijf op de zandgronden in Noord-Brabant 1800 - 1885. Tilburg, 1987 (Bijdragen LXXII, Bevat losse facsimile kaart van H. Verhees, 1794.)

Donkersloot - de Vrij, IJ.M.. Topografische kaarten van Nederland vóór 1750. Handgetekende en gedrukte kaarten - aanwezig in de Nederlandse rijksarchieven - toegelicht en beschreven. Groningen, 1981.

Enklaar, D. Th.. Gemeene gronden in Noord-Brabant in de Middeleeuwen. In het licht gegeven door D.Th. Enklaar. Utrecht, 1941. (ix, 378 p.) (Werken der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oud-vaderlandsche recht ; 3e reeks, no.9)

Esch, A.E.M. van. De caert en attributen van het Sint-Sebastiaansgilde Oirschot. Oirschot (Sint Sebastiaansgilde), 1981.

Frenken, A.M.. Documenten betreffende de kapittels van Hilvarenbeek, Sint Oedenrode en Oirschot. 's-Hertogenbosch (Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant), 1956.

Galesloot, L.. Le livre des feudataires de Jean III, duc de Brabant. Brussel, 1865.

Gysseling, M.. Toponymisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en west-Duitsland voor 1726. Gent, 1960, 2 dln. (1960a)

Hout Azn., J. van. Bij ons op't Leegend. IN: Mijland, H.J.M., L.M. van Hout, J.P.J. Lijten (red.). Oog op Oirschot. Oirschot, 1991, 385 - 388.

Kappelhof, A.C.M.. Vught in de middeleeuwen (900 - 1300). Het raadsel van de twee kerken. Vught vanouds. Vughtse historische reeks 3 (1995) 7 - 32.

Knippenberg, W.H.Th.. Romeinse wegen in Noord-Brabant. Kultuurhistorische verkenningen in de Kempen II. Oisterwijk, 1961, 31 - 93.

Leenders, K.A.H.W.. Princenhage: een dorp met twee namen. Naamkunde 14 (1982) 220 - 230. (1982b)

Leenders, K.A.H.W.. Van Gemeynten en Vroonten. Jrb. De Oranjeboom 40 (1987) 44 - 78. (1987e)

Leenders, K.A.H.W.. Het Schijndelse cultuurlandschap. Een detailstudie. Schijndel, 1994 (Gemeentebestuur). (8+108 blz., kaarten, tabellen, lit.) ISBN 90-801543-2-6. (1994e)

Lijten, J.P.J.. De oudste documenten betreffende het Oirschotse kapittel. Campinia 8 (1978-79) 188 - 190.

Lijten, J.P.J.. Oirschot kocht zijn grenzen. Campinia 20 (1990) 4 - 35.

Mijland, H.J.M., L.M. van Hout, J.P.J. Lijten (red.). Oog op Oirschot. Oirschot, 1991.

Ordre en Reglement van den Raed van State der Vereenigde Nederlanden op het beplanten van de Meyerie van 's-Hertogenbosch. Z.pl.,1697.

Reglement van haar Ed: Mog: de Heeren Raaden van Staate der Vereenigde Nederlanden op het beplanten van de Meyery van 's-Hertogenbosch. Den Bosch, 1714.

Sanders, J.G.M.. Inventaris van het archief van het Kapittel van Oirschot (1261) 1328-1811. 's-Hertogenbosch (Rijksarchief in Noord-Brabant), 1994.

Smulders, F.W.. Het cijnsboek van Echternach in Diessen. Brabants Heem 4 (1952) 72 - 74.

Speetjens, G.. De archeologie van Oirschot. IN: Mijland, H.J.M., L.M. van Hout, J.P.J. Lijten (red.). Oog op Oirschot. Oirschot, 1991, 11-16.

Steurs, W.. Naissance d'une région. Aux origines de la Mairie de Bois-le-duc. Recherches sur le Brabant septentrional aux 12e et 13e siècles. Brussel, 1993. Kon. Ak. van België, Klasse der Letteren, 8o, 3e serie, deel III. ISSN 0378-7893, ISBN 2-8031-0101-7.

Stichting Beheer Landbouwgronden. Beheersplan Oirschot-Best voor het relatienotagebied Oirschot-Best. Utrecht (Stichting Beheer Landbouwgronden), 1979.

Strijbos, H.. Historie op Zolder. Een nader onderzoek naar de kapconstructie van het oude raadhuis van Oirschot. Brabants Heem 45 (1993) 17 - 23.

Theuws, F.C.W.J., A.-J. Bijsterveld. Der Maas - Demer - Schelde - Raum in ottonischer und salischer Kaiserzeit. In: Böhme, H.W. (ed.). Siedlungen und Landesausbau zur Salierzeit. Teil 1. In den nördlichen Landschaften des Reiches. Sigmaringen, 1991, blz. 109 - 146.

Verhoeven, A.A.A.. Middeleeuwse waterputten uit Oirschot. Campinia 16 (1986) 82 - 85.

Vernooij, A.L.. De genese van het populierenlandschap in de Meierij van Noord-Brabant. Amsterdam, 1985 (doc.scr. VUA).

Verpoorte, A.. Weerstands- en verkennend booronderzoek naar het 'Huis ten Bergh' te Oirschot. Amsterdam, 1991 (RAAP-notitie nr. 41)

Archieven

ARAB       Algemeen Rijksarchief Brussel
      LvB       Leenhof van Brabant
      RK        Rekenkamer
      fonds Merode-Westerlo.
RANB       Rijksarchief in Noord-Brabant
      RG        Archief van de rentmeester-generaal van de Brabantse domeinen.
ONB   Camps, H.P.H.. Oorkondenboek van Noord - Brabant tot 1312. Deel I, De Meierij van 's -
           Hertogenbosch (met de heerlijkheid Gemert). Den Haag, 1979.

1 februari 1996 update 14 april 2008


© Copyright : K.A.H.W. Leenders