Dr. K.A.H.W. Leenders

DE VERSCHEIDENHEID VAN HET LANDSCHAP VAN WESTELIJK NOORD-BRABANT

(Jaarboek De Ghulden Roos 60 (2000) 27 - 49)

1 Inleiding

Het landschap van westelijk Noord-Brabant is opgebouwd uit een aantal heel verschillende onderdelen: polders in de Noordwesthoek, een nog al beboste strook langs de Hoge Rand in het westen, wijds open akkerland rond Wouw en een wat gevarieerder geheel van bos en boerenland verderop. Daartussen liggen dan steden en tot stadjes uitgegroeide dorpen.

Na een schets van de landschappelijke ontwikkeling in de laatste twee eeuwen, wordt in dit artikel vooral aandacht gevraagd voor de werkelijk landschap-vormende gebeurtenissen uit veel eerdere tijd.

2 De laatste twee eeuwen

In de laatste twee eeuwen, en vooral in de laatste vijftig jaar, is aan het landschap van westelijk Noord-Brabant heel wat veranderd. Het noorden van die streek was een zestiende- en zeventiende-eeuws polderland, vol dijken die herinnerden aan de complexe bedijkingsgeschiedenis waarop we hierna dieper zullen ingaan. (1) Ten zuiden ervan lag een meer afwisselend zandlandschap, met uitgestrekte agrarische zones en daartussen stroken, die eerst nog hei waren maar in de vorige twee eeuwen steeds verder bebost raakten.

De polders hebben een kleiige bodem die, tenzij ze te nat was, in 1840 als akker gebruikt werd. De rest was grasland. Vrijwel alle bedijkte grond was toen in cultuur of werd bewoond. Men legde zich hier onder andere toe op tarweteelt. Bos kwam er amper voor, hei helemaal niet en moeras en waterplassen beperkten zich tot onvolledig verlande binnengedijkte kreken en doorbraakkolken. De dijken zelf waren een aparte categorie: waterkering, weidegrond en deels beplant met opgaande bomen. Buiten de dijken lagen met riet of wilgen begroeide gorzen en grienden, en daarbuiten de kale slikken die tweemaal daags door het getij onder zout of brak water gezet werden. De bewoning was geconcentreerd in kleine stadjes en compacte dorpen, maar ook langs dijken. Korenmolens en meestoven waren de enige zichtbare vorm van industrie. De streek was erg open: perceelsrandbegroeiing kwam weinig voor en doordat de percelen groot waren, waren er weinig randen. Waterhoudende sloten vormden een afdoende begrenzing. Ook de beplanting van de wegen was beperkt. De bomen op de dijken stoorden de openheid van het land niet, want tussen de hoge stammen door bleef een ver uitzicht bewaard.

In de negentiende eeuw ging de geleidelijke inpoldering van buitendijkse gronden nog door. Mark en Dintel en ook de Steenbergse Vliet waren rond 1800 al ver verland. Ze werden enkele decennia later met sluizen afgesloten. Daarmee verdween het getij van deze rivieren waarop de aard van de vegetatie erlangs zich aanpaste. Tegelijk werd aan de aanliggende polders de mogelijkheid ontnomen om bij laag water langs natuurlijke weg uit te wateren, waardoor her en der poldermolens noodzakelijk werden. Binnendijks dunde het heggenbestand verder uit, terwijl de typische beplanting in deze streek, de dubbele bomenrij op de dijken, juist werd uitgebreid.

In het landschap waren er in de eerste helft van de twintigste eeuw heel weinig veranderingen. Door verdeling van grote kavels in de polders werden de percelen wat kleiner, maar door het ontbreken van perceelsgrensbegroeiing had dat weinig gevolgen voor het uitzicht van het landschap. Buitendijks werden nog wat gorzen ingepolderd en binnendijks werd hier en daar een drassig stuk verbeterd of een stukje bos ontgonnen. De belangrijkste ingreep in landschap en economie van de streek was wel het verschijnen van twee dozijn suikerfabrieken. Deze verwerkten in de herfst de jaarlijkse suikerbietenoogst. Veel van deze fabrieken stonden als merkwaardig grote gebouwcomplexen in een vrij open polderland aan de bevaarbare rivieren. Het slib dat van de bieten gewassen werd, werd aanvankelijk direct op de rivieren geloosd die daardoor erg ondiep werden. De schepen met bieten konden zo de fabrieken moeilijker bereiken en de afwatering van grote gebieden kwam in gevaar. De fabrikanten meenden aanvankelijk dat het op diepte houden van de rivieren niet hun taak maar die van de ingelanden was.

Na 1945 spoelden de veranderingen, te beginnen met de stormvloed van 1953, ook over de kleihoek, al bleef het gebied nog grotere ingrepen zoals een tweede nationale luchthaven bespaard. Aan de randen van het gebied veranderde van alles. Na de overstromingsramp van 1953, die dit gebied vrijwel geheel blank zette, werd de zeewering in het kader van het Deltaplan op sterkte gebracht. Bovendien leidde dat plan ertoe dat deze dijken niet meer bespoeld werden door een dagelijks wild getij. In het westen werd het brede, met vloeiende bochten verlopende en met grote sluiscomplexen uitgeruste Schelde-Rijnkanaal tot de landschappelijke grens van het gebied.

Het polderland werd in deze periode opener dan het al was. De stadjes van de Noordwesthoek ondergingen een gedaanteverandering. Willemstad zag zijn wallen opgeknapt en de haven door de recreatievaart drukker dan ooit. Ook de Klundertse wallen en binnenstad kregen een grote beurt. Zevenbergen daarentegen gooide de haven dicht toen de kaden door gebrek aan onderhoud de geest gaven. De structuur van de binnenstad werd bovendien fundamenteel veranderd, doordat het zicht langsheen de haven geblokkeerd raakte. Wel kreeg de stad een nieuwe, het polderland dominerende Lobbeskestoren: een grote suikersilo aan de noordzijde van de stad die overigens grote woonwijken bijbouwde. Tussen Zevenbergen en de Moerdijk bouwde men een enorm bedrijventerrein uit dat niet alleen overdag, maar nog meer 's nachts de horizon domineert.

3 Op naar de voorgeschiedenis van het landschap

Deze landschappen hebben ieder hun eigen ontstaansgeschiedenis, zodat ook in het verleden van een afwisselend landschap sprake was. Rond 1250 was de Noordwesthoek nog een vlak veengebied dat in het westen af en toe door de zoute zee bespoeld werd. Er omheen lagen heel andere landschappen. Ten oosten van de Hoge Rand lag een duingebied met verspreide vennen en venen, bij Wouw moet toen nog een woud met een ontgonnen kern geweest zijn en verderop lag een afwisseling van ruige wildernis met soms uitgestrekte veengebieden. Bewoning was er nog amper: ze was geconcentreerd in de kernen van de latere dorpen en begon net uit te waaieren over gehuchten.

Deze afwisseling, niet alleen in de ruimte maar dus ook in de tijd, maakt het landschap van westelijk Noord-Brabant voor buitenstaanders wel eens ondoorgrondelijk. Soms hoor je de kreet dat alles hier onder de klei zit, wat dus evident niet juist is. Anderen overdrijven de conclusies van mijn boek Verdwenen Venen (2) en menen dat alles vroeger onder het veen zat, wat ook niet juist is. De grote Groningse geograaf Keuning probeerde zijn Drentse nederzettingsmodellen op Roosendaal en Wouw toe te passen en interpreteerde die streek als een "gefrustreerd esdorpenlandschap". (3) Het zal eerder Keuning zijn geweest die gefrustreerd was, dan ons landschap! De geoloog Van Dorsser besteedde een proefschrift aan de streek en keek daarbij finaal langs het in de Middeleeuwen weggegraven veen heen! (4) Groot was haar verbazing, toen ik op een excursie eens de bus kaapte om bij Schijf langs een plek te rijden waar nog wat van dat "middeleeuwse" veen te zien was. De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort ging nog recent uit van een kleibedekking die tot de autoweg Bergen op Zoom - Roosendaal reikte. (5) Ze hadden kennelijk nooit op een zelfs maar algemene bodemkaart gekeken! Later toonde hun model, dat aan moet geven waar archeologische vondsten verwacht mogen worden, hoge kansen voor vondsten uit de Nieuwe Steentijd aan in het gebied van Kruisland. Het bleek dat die kansen steunden op het kleidek dat daar pas na 1250 werd neergelegd. (6) Het valt ook niet mee! Zelfs de jongens van de bodemkartering vliegen er wel eens in: een voormalige eendenkooi bij Achtmaal werd als "oud bouwland" begrepen (wegens de dikke laag zwarte grond waarmee dat ven opgevuld was) en wat verderop meende men "oude blauwe zeeklei" te ontwaren, terwijl dat veel oudere Oud-Pleistocene klei was.

Begin 2000 bereikte mij vanuit de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek een verzoek om inlichtingen over een oude "es" bij De Stoof in Gastel. Onder een "es" verstaat men dan niet de essenboom, maar een middeleeuwse oude akker. Uit de vraagstelling bleek dat men het landschap rond Gastel en de veranderingen die daarin hebben plaatsgehad, in het geheel niet kende. Daarom heb ik hun vraag ruim opgevat en beantwoord met een klein rapportje. (7) Deze tekst is de basis voor de rest van dit artikel.

4 Het natuurlijk landschap

Westelijk Noord-Brabant ligt, met het aansluitende gebied van de Noorder-Kempen (8), op de noordelijke flank van het zeer oude Massief van Brabant. Daardoor daalt de bodem er over het algemeen in noordelijke richting, met een verhang van ongeveer 1 meter per kilometer. Ergens op die helling daalt de oude bodem onder het zeeniveau. Gastel ligt juist op die plek, evenals de grens tussen Wouw en Kruisland. De lagere delen van de helling zijn bedekt met vrij vlakke Holocene (jonger dan 10.000 jaar) afzettingen. In de hogere delen liggen Pleistocene (ouder dan 10.000 jaar, tot 2,5 miljoen jaar oude) afzettingen aan de oppervlakte. Die zijn ouder dan 10.000 jaar, zelfs tot tweeëneenhalf miljoen jaar oud.

De grens tussen Pleistocene en Holocene afzettingen slingert van de noordkant van Halsteren langs het Halsters Laag (9) en om Moerstraten heen, langs de grens Wouw-Kruisland naar de Roosendaalse Beek. Ten oosten van die beek slingert de grens door Gastel en langs de noordkant van Oudenbosch en Hoeven. Kortweg kan gezegd worden dat het centrale deel van Gastel op Pleistocene bodem ligt ('het Hoge' genaamd), met daar omheen aan de west-, noord- en oostkant een breed hoefijzer met Holocene gronden ('het Lage' genaamd). Ook Kruisland en het Halsters Laag behoren tot het Lage, terwijl de centrale gebieden van Oudenbosch en Hoeven tot het Hoge behoren.

Westelijk Noord-Brabant ligt in een gebied waarvan het landschap in de laatste 2000 jaar haast onherkenbaar veranderd is. De kaarten 1 (circa het jaar "0") en 2 (circa 1000 AD) geven daarvan een eerste indruk.

4.1 Oud-Pleistoceen

In het centrale deel van Gastel liggen grote gebieden waar Oud-Pleistocene lagen nabij of aan de oppervlakte voorkomen. (10) Deze lagen behoren tot de Kedichem- of Tegelenformatie, ook wel Kempische Klei genaamd. Het betreft tweeëneenhalf tot een half miljoen jaar oude wad- en rivierafzettingen: kleiplaten en zandbanen. (11) Door erosie gedurende de laatste half miljoen jaar zijn de kleiplaten hier uitgeprepareerd. Het losse zand er omheen werd dor de werking van wind en water opgeruimd, maar de taaie klei bleef liggen. Soms nemen deze kleiplaten de gedaante aan van een "getuigeberg" (12) (zoals de Heinsberg of het centrum van Oudenbosch). Een groot Oud-Pleistoceen gebied ligt rond het centrum van Oud Gastel en in de richting van De Stoof. Een tweede ligt oostelijker, rond Kuivezand. Aan de basis van het landschap ligt dus een nogal golvende, oude ondergrond.(Kaart 3) Die golvingen worden heel erg zichtbaar aan de Hoge Rand in het westen, van Halsteren zuidwaarts naar Zandvliet. Daar breekt de noordwaarts hellende Oud-Pleistocene bodem abrupt af, wat over korte afstand een hoogteverschil van 5 meter (ten noorden van Halsteren) tot 20 meter (in het zuiden, bij Woensdrecht en Ossendrecht) oplevert.

4.2 Fluvioperiglaciale afzettingen

Gedurende de laatste ijstijd zijn rondom en tussen de hoge koppen door de werking van vorst en dooi en door plaatselijke beekjes zandlagen neergelegd, die door de geologen "fluvioperiglaciale afzettingen" genoemd worden. Deze leidden tot een zekere vervlakking van het landschap. Zo werd de ruimte tussen beide Oud-Pleistocene gebieden in centraal Gastel deels opgevuld, terwijl ook langs de randen van de Oud-Pleistocene gebieden deze afzettingen voorkomen, onder meer bij De Stoof.(Kaart 3)

4.3 De zwerfkeien van Oudenbosch

Op het Hoge van Gastel zijn in de loop van de jaren heel wat flinke tot zeer grote zwerfkeien gevonden. Deze keien zijn verzameld door broeder Christofoor uit Oudenbosch en liggen nu bij het Natuurhistorisch Museum aldaar. De keien zijn van Noorse herkomst. De wijze waarop ze in Gastel beland zijn, is een geologisch probleem. In geen van de ijstijden kwam - volgens de gangbare opvattingen en blijkens de terreinwaarnemingen die voor blad 43 van de geologische kaart gedaan werden - het landijs tot in Gastel. (13) De enige manier waarop dergelijke grote keien tot hier konden komen, lijkt transport per ijsschots te zijn. Voor de geologen is het feit, dat ze nooit zo'n steen in zijn natuurlijke ligging in de bodem hebben kunnen bestuderen, een grote handicap bij het interpreteren van de aanwezigheid van deze intrigerende keien. (14) Mocht u er nog eens eentje vinden, graaf dan niet verder, laat hem in de grond zitten en bel de geologen!

4.4 Dekzand

Aan het einde van de laatste ijstijd werd over heel het gebied door de wind een zandlaag afgezet: het dekzand. Men onderscheidt Ouder en Jonger Dekzand. Een deel van dit zand ligt in dekzandruggen. Dat wil zeggen dat er stroken zijn waarin dat zand heel dik is, maar dat er ook plekken zijn waar amper dekzand ligt. Juist ten zuiden van het kruispunt van De Stoof ligt een kleine plek zonder (of met heel dun?) dekzand: daar ligt de Oud-Pleistocene laag haast aan de oppervlakte.

Over de ligging van de dekzandruggen geven de geologische en de geomorfologische kaart (15) verschillende informatie. Volgens de geologische kaart is er een groot aantal kleine gebiedjes waar het dekzand meer dan 2 meter dik is. (Kaart 4) Deze gebiedjes liggen bij het centrum van Oud Gastel en ten noorden daarvan; een viertal bij De Stoof; twee ten oosten van Oud Gastel, bij Kuivezand en ten noorden daarvan. Volgens de geomorfologische kaart ligt het centrum van Oud Gastel op de noordwestpunt van een brede, bijna 5 kilometer lange dekzandrug. Tussen het centrum en De Stoof slingert een grillige dekzandrug en bij Kuivezand worden twee iets anders gevormde (dan op de geologische kaart) dekzandruggen aangegeven. (Kaart 5) De geomorfologische kaart geeft nog twee "donken" in de periferie van het centrale hoge gebied aan. Deze verschillen laten zien hoe moeilijk het is om het landschap goed te interpreteren: wat zijn koppen uit de oude ondergrond, wat zijn koppen van dekzand?

Een opmerkelijke massa zand werd juist ten oosten van de Hoge Rand afgezet. Het gaat om een complex van landduinen dat in het noorden vrij smal is, maar naar het zuiden toe steeds breder wordt en dat onder meer de hele Kalmthoutse Heide omvat. Het duinencomplex wordt aan de oostkant afgesloten met een serie boogvormige duinen. De mooiste daarvan ligt in Huijbergen. Wie vanuit de Wouwse Plantage of vanuit Essen en Essenhoek naar het centrum wil, moet door dat duin heen.

4.5 Veen

Na de laatste ijstijd werd het klimaat geleidelijk warmer en liet het weer veengroei toe. In westelijk Noord-Brabant hebben we te maken met twee verschillende veenvoorkomens: op het Hoge en in het Lage.

Op het Hoge werd het veen in eerste instantie gevormd in afgesloten kommen en oude dalen. Circa 4000 jaar geleden, aan het begin van de Bronstijd, waren deze laagten zover opgevuld, dat het veen zich ook daarbuiten ging uitbreiden. (16) Deze veenlagen zijn grotendeels in de periode 1250 - 1750 afgegraven om er turf van te maken. In de omgeving van Gastel was het meeste veen op het Hoge al tegen 1350 weggegraven. Verder naar het zuiden is men tot tegen 1750 bezig gebleven met turfgraven, onder meer in de Maatjes tussen Achtmaal en Nieuwmoer, en in de Nol bij de Kalmthoutse Heide. Op sommige plekken is er nog wat van dit veen overgebleven. Dit veen wordt tot het "Griendsveen-veen" gerekend. (17) Binnen het gebied van Gastel komen resten ervan voor in het zuidoosten: het Gastels Laag. (18)

Het veen in het Lage is in feite de rand van het Hollandveen, dat geheel de kustvlakte langs de zuidelijke Noordzee bedekte. In deze randzone vallen basisveen en oppervlakteveen waarschijnlijk samen en is het veen relatief laat ontstaan. Het veen lijkt op een hoogte nabij het huidige zeeniveau uit te wiggen tegen de Pleistocene ondergrond. Dit veen komt nog voor in een hoefijzervormig gebied rond het centrale hoge deel van Gastel. Het veen nadert de oude akkers bij De Stoof thans tot op 300 meter.

Aanvankelijk werd het veen doorsneden door enkele beekjes die vanaf het Hoge onderweg waren naar zee, zoals de Beke of Roosendaalse Beek. Mogelijk liep de Beke aanvankelijk noordwaarts verder, ongeveer langs het huidige Mark-Vliet-kanaal. De aanwezigheid in die zone van veen dat onder voedselrijke omstandigheden gevormd is, pleit daarvoor. (19) Het veen had een beperkt eigen ontwateringssysteem in de vorm van watertjes die hier "lake" heetten. Ten zuidwesten van Gastel, over de Beke in het huidige Kruisland, liep de Lake (nu: Laaikreek). In het zuiden van Gastel lag de beek de Hesselake (nu genaamd De Rietsloot), die de natuurlijke afwatering van het Doorlechterveen (nu de laagte bij Zegge) was. Ten noordoosten van Gastel lag de Barlake. Een gehucht onder Fijnaart heet nu nog (een beetje deftig) Barlaque. De Barlake liep uit in de Dintel, die aanvankelijk vanaf het huidige Stampersgat naar het noordwesten liep. De juiste ligging van deze veenontwatering is niet meer vast te stellen, omdat op die plaats later een kilometers brede getijdengeul gevormd werd. Op kaart 6 is de ligging van de veen- en zandgronden rond 1250 aangegeven.

4.6 Jonge Klei

In westelijk Noord-Brabant is de meeste jonge klei afgezet gedurende een laatmiddeleeuwse overstromingsperiode. Hier voltrok zich een proces waarbij de zee-invloed zich in de periode 1250 - 1421 steeds verder oostwaarts uitbreidde, terwijl daar achteraan de niet geërodeerde of vergraven veengronden opslibden, zodat ze na ongeveer 150 jaar als kleipolder bedijkt konden worden (periode 1421 - 1650). Het vanaf 1421 beschikbaar komen van slibrijk water uit Maas en Merwede heeft het opslibbingsproces versneld. (20) Het doordringen van de zee in dit gebied werd bevorderd door vergraving van veen omwille van zout en turf en door bodemdaling in het veen ten gevolge van agrarische ontginning.

Tot circa 1250 bleef de invloed van de zee en zout water in Gastel zeer beperkt. (Kaart 6) Rond 1250 kwam de zoutwinning in de omgeving van Steenbergen op gang, dat is 10 kilometer westelijker. De in 1271 uitgegeven moerdijk Potmeer (21) lag ongeveer 8 kilometer ten noordwesten van de kerk van Gastel. De stormvloed van 1288 trof ongetwijfeld ook de veengronden rond Gastel. De lage gronden van het klooster St. Catharinadal, dat toen op 4 kilometer ten zuidzuidwesten van Oud Gastel even ten noorden van Vroenhout stond, verdronken toen onherstelbaar. In 1295 verhuisde het klooster naar Breda. Bij de deling van het Land van Breda, die in de jaren 1287 - 1290 geregeld werd, besloot men kennelijk om de in 1288 getroffen gebieden NIET te verdelen, maar tot gemeenschappelijk bezit van de heren van Breda en die van Bergen op Zoom te maken. (22) Men zag blijkbaar in dat zout water op veen het gebied geschikt zou maken voor de zeer lucratieve zoutwinning, maar kon blijkbaar niet zo snel inschatten waar de meest waardevolle plekken zouden zijn. Steenbergen, Kruisland, Gastel, Oudenbosch, Hoeven en het gebied ten noorden daarvan kwamen in dit "Gemene Land" te liggen.

Waarschijnlijk heeft de vloed van 1288 in nog niet of amper ontgonnen gebieden, zoals die rond Gastel, weinig schade aangericht. Het overstromingswater vloeide kennelijk gewoon weer weg en van regelmatige overstroming bij vloed was nog geen sprake. Klachten over rampen en schade in 1288 vinden we in Gastel niet. De pas aangelegde landerijen van Catharinadal werden door het zoute water kennelijk wel zodanig aangetast, dat men na zeven jaar proberen er nog iets van te maken toch maar naar elders vertrok.

Het verdere oprukken van de zee-invloed kan gepeild worden aan de hand van de uitgiften van veengronden voor commerciële uitbating. In 1294 werd een gebied tussen de huidige polders Standdaarbuiten en de St. Maartenspolder uitgegeven, zonder te zinspelen op zoutwinning. (23) In dezelfde zone werd in 1300 een moer uitgegeven waarbij wél rekening gehouden werd met toekomstige verzilting. (24) De Barlake werd toen als "pannenmoer" aangeduid: daar was in 1300 blijkbaar al zoutwinning. De zoutgrens lag in 1300 kennelijk nabij de huidige mond van het kanaal dat de Oudenbossche Haven heet. Dat kanaal werd in 1300 gegraven. (25) Deze "zoute vaart" sloot in het noorden aan op Gherads varde van der Meere. (26) Die vaart van Gerard van der Meere moet tussen het huidige Barlaque en de havenmond van Oudenbosch gelopen hebben. Gerard van der Meere had daar kennelijk moeren liggen. Vervolgens werd in 1301 een ruim 300 hectare groot turfmoer ten zuiden van Oudenbosch uitgegeven, het huidige Oudenbossche Laag. (27) Ook hier werd rekening gehouden met een eventuele verzouting, maar de moer was kennelijk nog zoet ("vers").

In 1344 werd aan de westkant van de Oudenbossche Haven een gebiedje van 14 hectare uitgegeven om er zout te winnen. (28) Blijkbaar drong het zoute water nu ook de venen rond Gastel binnen. In hetzelfde jaar werd voor het eerst zoutwinning toegestaan bij Zevenbergen, maar alleen in 1346 werd daar op bescheiden schaal gebruik van gemaakt. (29) Mogelijk heeft de septemberstorm van 1344 het zeewater weer verder westelijk Noord-Brabant ingedreven, alhoewel Gottschalk alleen schade dicht bij de Noordzeekust vermeldt. (30) Denkelijk is naar aanleiding van deze storm en tijdelijke overstroming de "Oude Dijk" om het hoge centrale gebied van Gastel aangelegd. Buiten die dijk werden kennelijk reeds op kleigronden poldertjes aangelegd, want in 1359 is daar sprake van "spadeland". (31) In deze streek is dat boerenland in polders met klei, eerder dan land waaruit moer gedolven is. Kaart 7 schetst de toestand in en om Gastel rond 1350.

De definitieve ondergang van het land buiten de Oude Dijk vond in 1421 plaats door de Sint-Elizabethsvloed. De vloed sloeg om Gastel heen een gat in de weg-dijk tussen Kuivezand en Oudenbosch. Daar ontstond het Groene Wiel, waaruit en waarlangs overslagmateriaal afgezet werd op de rond 1300 uitgedolven moeren van het Gastels Laag. Dat gebied bleef slechts korte tijd onder getijdeninvloed, want er werd maar een dun kleilaagje afgezet. Het Groene Wiel werd weldra omdijkt en op de dijk verrees een kapelletje. (32) Kaart 8 schetst de toestand in en om Gastel omstreeks 1450.

5 Het menselijk landschap

5.1 Herdijking

In het zelfde "rampjaar" 1421 werden ten westen van Steenbergen al weer voldoende opgeslibde gronden bedijkt. Dat is het begin van een herdijkingsoperatie die tot 1500 nog vrij traag verliep, maar daarna binnen 150 jaar westelijk Noord-Brabant ruwweg zijn huidige gedaante gaf. Zo werd Kruisland in 1487 bedijkt. Het hoefijzervormige gebied rondom centraal Gastel bleef echter gemeen met de zee tot 1551. De Dintel was in die periode een zeer brede getijdengeul, waarlangs het overstromingswater van een groot deel van westelijk Noord-Brabant viermaal daags aan- of afgevoerd werd. Ten noorden van Gastel vertakte deze geul zich in de Mooie Kene (richting Klundert) en in wat nu de Mark en Dintel heet. Dat laatste water is een aaneenschakeling van de oude Barlake en de uitgemoerde gronden tussen de St. Maartenspolder en Standdaarbuiten, die al in 1375 geïnundeerd waren. Sindsdien liep de rivier de Mark door dat gebied uit in de Dintel. Op de Gastelse Kaart van 1565 draagt dat gebied de naam "De Uitslag". (33) Het ontstaan van een grote zeearm ten noorden van Gastel hangt dus nauw samen met de oude moernering, het oprukken van de zee-invloed in de veertiende eeuw en de behoefte aan een brede getijdengeul in de overstromingsperiode 1421 - 1551.

De bedijking van Prinsenland (Dinteloord) is tekenend voor de problemen die men zoal tegenkwam. Het gebied, een oud veengebied dat opslibde, ligt tussen de Steenbergse Vliet in het zuiden en de Dintel in het noorden. Omdat het op die twee getijdengeulen niet gelijktijdig hoogwater was, liep het water eerst over de slikken heen naar de ene kant en even later weer terug naar de andere kant. Waterlopen met een naam als Deurlo (doorloop) herinneren daar nog aan. Het water kwam zo echter niet tot rust en dus bezonk er weinig slib. Daarom heeft Vierling, de meester-dijkenbouwer van de heer van Breda, een lange strekdam over deze slikken aangelegd. Deze bevorderde de aanslibbing inderdaad aanzienlijk en in 1605 kon een ruim gebied in één slag bedijkt worden. Op de Gastelse kaart is die dam goed te zien.

De klei werd in Gastel niet alleen afgezet op het veen, zoals in Prinsenland, maar ook op de rand van de zandgronden. De klei lijkt op een niveau van ongeveer 1,3 meter boven zeeniveau uit te wiggen tegen het zand. De klei nadert de oude akkers bij De Stoof tot op slechts 150 meter. (34)

In de jaren 1421 - 1551 werd rondom het centrale deel van Gastel geleidelijk een slikken- en gorzengebied opgebouwd. Naarmate die gronden hoger werden, werden ze vóór 1490 alweer extensief agrarisch gebruikt. (35) In 1551 werd het gebied in zijn geheel bedijkt. Tevens werd een nieuw dorp gesticht: Nieuw Gastel. Nieuwe polder en dorp werden opgevat als een nieuwe bestuurlijke en kerkelijke eenheid, los van het oude Gastel: Nieuw Gastel. De grens tussen Oud en Nieuw Gastel werd op de Oude Dijk gelegd en liep midden door De Stoof, zelfs door het oude akkergebied van De Stoof heen. Ook het dalletje De Piet, waarin het beekje De Emer (nu: Emmersloot) ontspringt, werd onder Nieuw Gastel gerekend. (36) Bij De Stoof werd tussen 1551 en 1560 een meestoof (voor de verwerking van meekrap) opgericht (37), waardoor die plek zijn naam kreeg. In 1583 werd de dijk om militaire redenen vernield en het dorp verdronk. Na herdijking in 1595 werd het niet herbouwd, maar Nieuw-Gastel bleef tot circa 1810 wèl als afzonderlijke bestuurlijke eenheid bestaan.

Naarmate het gebied hoger opslibde, was er minder overstromingswater dat door de getijdengeulen stroomde. Bedijking verminderde de hoeveelheid water die door de geulen stroomde nog meer. De geulen pasten zich aan door geleidelijk dicht te slibben. Uiteindelijk bleef in 1826, toen de Dintel met een sluis afgesloten werd van het buitenwater, voor de rivier langs Gastel een geul van 50 meter breedte over!

De jonge klei in Gastel dateert dus in hoofdzaak uit de periode 1412 - 1551, met wat oudere laagjes uit de jaren 1340 - 1421 en misschien een dunne toevoeging uit 1583 - 1595. De algemene bodemopbouw te Gastel wordt in Schema 1 geschetst.

5.2 Veen op het Hoge

Ook op het Hoge kwamen veengebieden voor, soms zelfs heel uitgestrekte. Eén zo'n gebied strekte zich uit ten oosten van de Roosendaalse Beek, van de Langenberg bij de grens met Gastel tot aan de oude weg van Roosendaal over Langendijk naar Rucphen. De heer van Breda verkocht kort na 1280 in dit gebied turfgraafconcessies. Kopers waren vooral Vlaamse instellingen, deels uit Gent, deels uit Brugge. Landmeters verdeelden het gebied heel netjes in acht blokken van ieder 1.380 meter in het vierkant: twee rijen van vier. Midden uit het noordelijkste viertal kwam een turfvaart die bij Doorlecht (nabij het kapelletje) in de Roosendaalse Beek uitkwam. Midden uit het zuidelijkste viertal kwam ook een turfvaart die naar de Beek liep. De Roosendaalse Stationsstraat ligt op een deel van deze vaart. Aan de mondingen van die vaarten kwamen overslaghaventjes: de turf moest overgeladen worden van kleine schuiten op grotere schepen die veilig door Zeeland heen naar Antwerpen, Gent of Brugge konden komen. Bij de verdeling van het Land van Breda in 1287 / 1290 werd dit 1.500 hectare grote, juist in exploitatie gebrachte veengebied netjes doormidden gedeeld: de noordelijke helft (Zegge) ging tot het Land van Bergen op Zoom behoren, het zuidelijke deel werd als onderdeel van het verkleinde Land van Breda bij Roosendaal gevoegd. Tot 1 januari 1997 is die grenslijn gemeentegrens gebleven. In het Zegse gebied ligt nog de Spiekestraat, waarvan de naam herinnert aan een van de turfexploitanten uit de dertiende eeuw: de Bruggeling Gerard de Spikere.

Het systeem dat hier zo mooi was uitgebouwd, werd in wezen ook elders op het Hoge steeds weer toegepast. In het veengebied werden kleine vaarten aangelegd die samenkwamen in een hoofdvaart die dan naar een overslagplaats aan een groot buitenwater leidde. Vooral de havens van Roosendaal (tot 1740) en Oudenbosch (tot 1550) hebben nog lang turfuitvoer gekend, omdat steeds weer "nieuwe" veengebieden aansloten op de vaarten die in die havens uitkwamen.

Wat werd er nu van deze gebieden als het veen vergraven was? Indien de turfgravers alleen het veen gekocht hadden, dus ZONDER DE ONDERGROND, verlieten zij uiteindelijk het terrein als het veen op was en lieten ze het geheel verwoest en verwilderd achter. Zo'n gebied staat op de kaarten van rond 1850 veelal als een natte heide met veel vennen en vaartresten aangegeven. In andere gevallen had men het gebied echter MET DE ONDERGROND gekocht. Dan hadden de exploitanten wel belang bij een nuttig gebruik van de vrijgelegde zandbodem: ze gingen over op ontginning voor agrarisch gebruik. Dat gebeurde in het grote veengebied ten oosten van Roosendaal. Dit resulteerde in een merkwaardig landschap, waarvan door de ruilverkaveling helaas weinig overbleef. De hoofdstructuur van het gebied (de acht vierkanten en de verdeling daarvan in lange stroken) dateerde nog uit de "veentijd" (1280 - 1330). Maar die stroken werden vervolgens verdeeld in min of meer vierkante percelen van ongeveer een bunder groot, wat een merkwaardig blokpatroon in de verkaveling opleverde, omdat de blokken in de naast elkaar gelegen stroken meestal een beetje verschoven ten opzichte van elkaar lagen.(Kaart 9) Bovendien raakten op de niet al te natte plekken de perceelsranden begroeid met bomen en struiken. Je zou kunnen zeggen dat het Brabantse heiningenlandschap zich uitgebreid heeft over een gebied met veenverkaveling in stroken. Wie, zoals destijds Keuning, de achtergronden van zo'n landschap niet kent, zal het nooit goed kunnen interpreteren.

5.3 Het bos van Wouw

Aan alle kanten ingeklemd tussen veengebieden lag er in het gebied van Wouw en Roosendaal rond 1300 een vrij groot (7 bij 9 kilometer) min of meer aaneengesloten in cultuur gebracht gebied met zo'n twintig gehuchten, twee parochies (Nispen en Wouw), twee wind- en minstens één watergedreven korenmolen en een belangrijk kasteel op 800 meter ten noordwesten van de kerk van Wouw. Er woonden mogelijk zo'n 3000 mensen. Roosendaal was in snelle opkomst als turfhandelscentrum. Bij de verdeling van het Land van Breda werd ook dit gebied "netjes" doormidden geknipt: het westen voor Bergen op Zoom ("Wouw"), het oosten voor Breda. Dat laatste stuk werd "Roosendaal en Nispen".

Gezien de omvang van het cultuurgebied en het aantal gehuchten en molens zou vermoed kunnen worden, dat het hier een reeds sinds lange tijd ontgonnen streek betreft. Toch laten de archivalia ons vóór 1265 praktisch geheel in de steek! Archeologica ontbreken vrijwel geheel: er werd amper gezocht. De vraag is nu: werd dat grote gebied in luttele decennia in cultuur gebracht, of had men daar vele eeuwen voor nodig?

De naam Wouw is een voor Brabant zeldzame woud-naam. Alleen ten zuiden van Den Dungen komt deze benaming nog voor. (38) Ook daar betreft het een vochtig gebied met ondiep nog al wat leem. Het woud ten zuiden van Den Dungen werd vermoedelijk omstreeks 1250 ontgonnen en leidde daar tot de vorming van het gehucht Middelrode. Dat gebied (circa 300 hectare met één gehucht) is echter onvergelijkbaar met dat bij Wouw. Van Oosten (39) meent dat de in Holland aan "woud" gegeven betekenis van laaggelegen, moerassig, moeilijk toegankelijk bos in Wouw heel goed van toepassing kan zijn, gezien de bodem en de daarop te verwachten vegetatie.

In de Kempen is de gebruikelijke benaming voor bossen: "lo", later "hout" en nog later "bos". De eerste twee woorden komen in een aantal van de gehuchtnamen van Wouw en Roosendaal terug (Heerle, Vroenhout). Andere gehuchtnamen verwijzen naar houtige begroeiing (Haagdonk nu Haiink, Hulsdonk, Borteldonk, Hage). De streek kent ook enkele laar-namen. Het dorpsplein van Wouw heette het Laar (40), ten noorden van Heerle ligt Hazelaar. De namen Oostlaar en Westlaar zijn vervormingen van de oude namen Oosterle, Westerle: lo-namen met een oriëntatie. De lo-, hout- en laar-namen duiden er waarschijnlijk op dat ook de plateaus uit bos ontgonnen zijn.

In natte gebieden in de Kempen wemelt het altijd van de donk-namen. Zo ook hier: er zijn gehuchten genaamd Bortel-, Haag-, Haviks-, Huls-, Kal(f)s-, Lang-donk. Bovendien zijn er vele perceelsnamen met het element donk daarin. Van Osta (41) betoogt dat de etymologie van het woord donk duidt op een helling langs een nat terrein of eerder nog op een natte laagte. In een latere fase zou het woord een naburige akker of gehucht kunnen aanduiden, zoals ook zo vele waternamen nederzettingsnamen geleverd hebben.

Het middeleeuwse cultuurland van Wouw en Roosendaal lijkt dus ontgonnen te zijn uit een vochtig bosgebied. Daaromheen lagen venen, waar men na 1250 op grootschalige wijze turf ging steken. Maar wanneer werd dan het centrale gebied ontgonnen? Voor die datering hebben we tegenstrijdige aanduidingen. Misschien was de ontginning er vrij laat (vanaf ca. 1250), maar een eerdere datering is ook goed denkbaar. Voor een late ontginning pleit de omstandigheid dat het een nat gebied betreft met moerassig bos temidden van venen. Dit gebied is in ieder geval later bewoond geraakt dan de oudste nederzettingskernen van Nispen, Essen en Kalmthout. Ook de gehuchtnamen zijn vrij jong: haast alle vermeldingen zijn van na 1265. Een vrij vroege ontwikkeling kan evenwel niet uitgesloten worden. Een aanwijzing daarvoor zijn de hertogelijke enclaves van Gageldonk die uiterlijk uit de twaalfde eeuw dateren . Bovendien lijkt het moeilijk denkbaar dat het grote ontgonnen gebied dat we rond 1300 aantreffen (met daarin een zwerm van zo'n twintig gehuchten, meerdere kerken en molens en een belangrijk kasteel) in amper vijftig jaar zou zijn gevormd.

Daar de archieven ons niet verder helpen, op archeologische vondsten hier nooit gelet lijkt te zijn (buiten wat Romeins materiaal, dat aantoont dat ook toen hier gewoond werd) en de toponymie ons probleem niet kan oplossen, moet een andere informatiebron aangeboord worden om verder te komen. Hier ligt een stuk ontginningsproblematiek, die weliswaar niet tot de glorieuze tijden der vroege Merovingers teruggrijpt, maar voor het beter begrijpen van latere ontwikkelingen (periode 1000 - 1300) wel van wezenlijk belang is. Nader onderzoek zoals geschetst is daarom dringend gewenst.

6 Slot

Dit vluchtig overzicht van de landschappelijke ontwikkeling van westelijk Noord-Brabant beperkte zich hoofdzakelijk tot de late Middeleeuwen en de eerste tijd daarna. Toch laat het duidelijk zien hoe de natuur de mogelijkheden bood die de mens aangreep en hoe dat menselijk ingrijpen weer de natuur kansen gaf om terug te grijpen. Westelijk Noord-Brabant is in dat opzicht geen eenheidskoek, van plek tot plek was er een verschillende, soms heel erg sterk verschillende, ontwikkeling. In dit korte artikel konden we maar enkele plekken de revue laten passeren: hopelijk was dat toch genoeg om die complexiteit, waarop zo velen hun pen gebroken hebben, een beetje aan te tippen.

Literatuur waarnaar verwezen wordt

Delahaye, A.. Heer Jansland gezegd Nieuw Gastel. Publ. Nass. Brabant nr. 10 (1970).

Dorsser, J.H. van. Het landschap van westelijk Noord-Brabant. Utrecht, 1956.

Dorsser, J.H. van. Fysisch-Geografische streekbeschrijving Nr.7: westelijk Noord-Brabant. Geografisch Tijdschrift 18 (1984) 364 - 376.

Gottschalk, M.K.E.. Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland. I De periode voor 1400. Assen, 1971; II De periode 1400 - 1600. Assen, 1975; III De periode 1600 - 1700. Assen, 1977.

Ham, W.A. van. Breda contra Bergen op Zoom. Vijf eeuwen strijd om de grenzen. Jaarboek De Oranjeboom 27 (1974) 151 - 185; 28 (1975) 95 - 134; De Spyker 33 (1976) 127 - 141.

Ham, W.A. van. Macht en gezag in het Markiezaat. Hilversum, 2000.

Kasse, C.. Early-Pleistocene tidal and fluviatile environments in the southern Netherlands and northern Belgium. Amsterdam, 1988.

Keuning, H.J.. De problematiek van de ontwikkeling van het Brabantse cultuurlandschap. TESG 52 (1961) 13 - 21.

Leenders, K.A.H.W.. De exploitatie van moergronden bij Zevenbergen. Jaarboek De Oranjeboom 32/33 (1979/1980) 235 - 242. (1979/80b)

Leenders, K.A.H.W.. Verdwenen Venen. Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad. 1250-1750. Brussel/Wageningen, 1989.

Leenders, K.A.H.W.. Het Schijndelse cultuurlandschap. Een detailstudie. Den Haag, 1991 (eigen uitgave, 20ex, 74 blz. A4, kaarten, tabellen, lit.) (1991b)

Leenders, K.A.H.W.. Landschapsgeschiedenis van het Gastels Laag. (Tilburg), 1996. (Staatsbosbeheer, Regio west; 32 blz. afb., krtn, foto's. lit.). (1996g)

Leenders, K.A.H.W.. Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde. Ontginnings- en nederzettingsgeschiedenis van het noordwesten van het Maas - Schelde - Demergebied, 400 - 1350. Een poging tot synthese. Zutphen, 1996. (1996l)

Leenders, K.A.H.W., C. Verbruggen, M.v.Strijdonck. De betekenis van Zundertse veenresten voor de kennis van de holocene Westkempische en Westeuropese venen en historisch en paleo - ecologisch onderzoek. Geografisch Tijdschrift 23 (1990) 340 - 352. (1990a)

Leenders, K.A.H.W.. Naar de climax van het gesloten landschap. IN: Eerenbeemt, H.F.J.M. van den (red.). Geschiedenis van Noord-Brabant, Deel I, Traditie en modernisering 1796 - 1890. Amsterdam/Meppel, 1996, blz. 142 - 151. (1996a) [ISBN 90-5352-217-4 geb.]

Leenders, K.A.H.W.. Landschap en milieu in de houdgreep van schaalvergroting. IN: Eerenbeemt, H.F.J.M. van den (red.). Geschiedenis van Noord-Brabant 1796 - 1996. Deel III: dynamiek en expansie 1945 - 1996. blz. 91 - 97. Amsterdam/Meppel, 1997. ISBN = 90-5352-219-0 geb. (1997e)

Leenders, K.A.H.W.. Een totale landschappelijke omslag. IN: Eerenbeemt, H.F.J.M. van den (red.). Geschiedenis van Noord-Brabant, Deel II, Emancipatie en industrialisering 1890 - 1945. Amsterdam/Meppel, 1996, blz. 100 - 107. [ISBN 90-5352-218-2 geb.][kl] (1996k)

Leenders, K.A.H.W.. Hoe zit Gastel in elkaar? Zie users.bart.nl/~leenders/txt/stoof.html (2000b)

Loon, J.B. van. Grondbezitsverhoudingen in het verleden te Wouw, Moerstraten en Gastel. Jaarboek de Ghulden Roos 23 (1963) 97ev.

Oosten, M.F. van. Invloed van de bodemgesteldheid en de waterhuishouding op het agrarische landschap rondom Wouw. Wageningen, 1975.

Osta, W. van. Donk: semantisch en etymologisch. Naamkunde 24 (1992) 87 - 115.

Verbraeck, A., Bisschops, J.H.. Toelichting bij de geologische kaart van Nederland 1:50.000. Blad Willemstad Oost (43 O). Haarlem, 1971.

Kaarten:

Kaart 1 Zeeland en westelijk Noord-Brabant ca. het jaar "0"

Kaart 2 Zeeland en westelijk Noord-Brabant ca. 1000 AD

Kaart 3 Kedichem en Fluvioperiglaciaal

Kaart 4 dekzand meer dan 2 meter dik

Kaart 5 dekzandruggen geomorfologisch

Kaart 6 landschap in en om Gastel omstreeks 1250

Kaart 7 landschap in en om Gastel omstreeks 1350

Kaart 8 landschap in en om Gastel omstreeks 1450

Kaart 9 fragment topogr kaart 1869/1908 blad 622 en blad 642 (gebied van Zegge)

1. Het navolgende is gebaseerd op Leenders, 1996a, 1996k, 1997e.

2. Leenders, 1989.

3. Keuning, 1961.

4. Van Dorsser, 1956, 1984.

5. Onderzoeksopdracht voor ontwerp van de archeologische verwachtingskaart voor westelijk Noord-Brabant.

6. Eerste ontwerp van de archeologische verwachtingskaart voor westelijk Noord-Brabant.

7. Leenders, 2000b.

8. Het noordelijke gedeelte van de provincie Antwerpen.

9. Laag gebied tussen Halsteren en Moerstraten.

10. Verbraeck en Bisschops, 1971.

11. Kasse, 1988.

12. Geïsoleerde hoogte die getuigt van een vroeger algemeen hoger niveau van debodem.

13. Verbraeck, 1971.

14. Verbraeck en Bisschops, 1971.

15. Geomorfologische kaart.

16. Leenders, Verbruggen en Van Strijdonck, 1990a, 345.

17. Leenders, 1989a.

18. Leenders, 1996g.

19. Verbraeck en Bisschops, 1971.

20. Leenders, 1996l, 363 - 366.

21. 1271, aug: ONB 1107: trescentas mensuras terre salse scilicet zouthlant, iacentis in loco qui Potmerre vocatur. (300 gemeten zout land ofwel zoudtlant, gelegen op een plaats die Potmerre genoemd wordt.)

22. Van Ham, 1974, 1975.

23. 1294, okt. 13 = ONB 1338.

24. 1300, apr. 24 = ONB 1412: Ende vort ware dat sake dat dit vornomde goet ende mour versoutte, soe dat men daer zeel ende zout up delven wilde ende winnen, soe gheve wi hem die hir voernomt siin orlof den diic te lecghene ende te houdene upt haers selves, ende werc ende eerde die ten dike behoren sal ende behouven al dat te haelne ende te nemene up tonse, daert hem ghelaghelixt ware, sonder scade te doene up ander liede erve. Ende van den zelle dat men winnen soude up dit vornomde lant, alst versout worde, soe selen si sculdech siin boven den vornomden chens ons ende onsen oere ende onsen nacomelinghen achte penninnghe Louansce van elker cupen zeels die men up dat lant wonne.

25. 1320, feb. 2 = ONB 1424.

26. 1301, jun. 24 = ONB 1419.

27. 1301, jun. 24 = ONB 1419.

28. 1344, dec. 1 : ASB E15.

29. 1344, nov. 5 : RABR, CH 7091; Leenders, 1979/80b, 240.

30. Gottschalk, 1971, I, 338 - 348.

31. Van Loon, 1963, 144-145.

32. Leenders, 1996g.

33. ASB, Gastelse Kaart: Den W'tslach.

34. Verbraeck en Bisschops, 1971; Bodemkaart blad 43.

35. Van Loon, 1963, 139.

36. Delahaye, 1970.

37. Van Ham, 2000, 339.

38. Leenders, 1991.

39. Van Oosten, 1975, 86.

40. 1285, mei 13 = ONB 1231 : sitam in Woude iuxta planitiem, vulgariter Laer nuncupatam, non longe ab ecclesia. (gelegen te Wouw bij het plein dat gewoonlijk Laer genoemd wordt, niet ver van de kerk.)

41. Van Osta, 1992.


© Copyright : dr K.A.H.W. Leenders