OM DER CONYNEN WILLE
dr. K.A.H.W.Leenders
(Brieven van Paulus 26 (2000) 99 - 110)
Inleiding
De "Fietsroute door Monumentaal Groen Breda" voert vooral door het buitengebied van Breda. De binnenstad kun je beter te voet verkennen. De fietsroute verkent een buitengebied waarvoor de gemeente Breda onlangs een schets op tafel gelegd heeft onder de titel "Landgoed Breda". Dat wil zeggen dat het stadsbestuur het buitengebied lijkt te willen beschouwen als één groot landgoed, waarin de stedelijke kern met binnenstad en buitenwijken de plaats inneemt die bij een landgoed van normale omvang door het landhuis of kasteel ingenomen wordt.
Voor het becommentariëren en nader invullen van die schets werd ik ook uitgenodigd en wel om een bijdrage vanuit de historisch geografische hoek te leveren. Helaas heb ik daar door ziekte niet veel meer van kunnen waarmaken dan aanwezigheid op een eerste bijeenkomst en het leveren van een historische verhandeling over het "Landgoederenlandschap rond Breda". Deze verhandeling is intussen verschenen in het Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Breda en is zo voor iedereen beschikbaar. (1)
De "Fietsroute door Monumentaal Groen Breda" voert dus door dat landgoederenlandschap rond Breda. Daar wemelt het van voormalige en nog bestaande landgoederen. Van sommige kan alleen de ingewijde nog resten aanwijzen, andere staan voor iedereen herkenbaar te pronken en van heel wat zijn alleen min of meer verminkte resten overgebleven. Ik hoop dat het plan "Landgoed Breda" mogelijkheden zal aandragen om verdere verminking tegen te gaan en de aanwezige verminkingen zo ver mogelijk ongedaan te maken.
Het aardige van het landgoederenlandschap rond Breda is dat zowel van de gebouwen als van de parken en landschappen uit alle stijlperioden vanaf 1600 wel wat bewaard bleef. Wel behoeven die resten vaak een opknapbeurt. Het moet mogelijk zijn om op een rondgang langs een reeks landgoederen zowel verschillende stijlen van tuin-, park- en landschapsbouw, als van landhuisbouw en van de ontwikkeling van boerderij naar landhuis te laten zien. Net zoals een rondgang langs de kerken en kapellen van Meer, Meerle, Meersel, Minderhout, Hoogstraten en Wortel de hele laat-middeleeuwse ontwikkeling van de kerkebouw laat zien, zo zou op een rondgang om Breda de ontwikkeling van het landgoed getoond kunnen worden.
Het landgoederenlandschap rond Breda is zeker niet uniek. In de Noord-Nederlandse literatuur paraderen vergelijkbare landschappen langs de Vecht, op de Utrechtse Heuvelrug en aan de binnenduinrand van Holland. In Breda zijn we echter meer gewend aan vergelijkingen met Antwerpen. Rond Breda is, net als rond Antwerpen, sprake van een op de stad georiënteerd en intern sterk samenhangend landgoederenlandschap. In de ontwikkeling daarvan herkennen we ruwweg dezelfde fasen als bij Antwerpen. Wel moeten in de periode 1650 - 1800 de rijke Antwerpse burgers die een landgoed verwerven, bij Breda vervangen worden door militairen die landgoedeigenaar worden. Ook is de schaal van het Bredase landgoederenlandschap wat kleiner dan bij Antwerpen: het bestreken gebied is kleiner, de aantallen zijn kleiner en de omvang van de afzonderlijke goederen is kleiner.
Van het Bredase landgoederenlandschap is voldoende bewaard om die structuur met zorg in de planning voor de toekomst op te nemen. Zelfs zou het landgoederenlandschap als basisthematiek genomen kunnen worden voor de uitbouw van de stad en de modernisering van de landelijke omgeving. Op die manier blijft haast vanzelf het ruimtelijke contact met de stad in stand, terwijl er even vanzelfsprekend de oude landgoederen opgenomen kunnen worden in de nieuwe structuren. Door die landgoederen (of hun resten) te rehabiliteren worden historisch verantwoorde groene rustpunten gecreëerd. Overigens zou een dergelijk planningsconcept, aangevuld met dat van de "Nieuwe Landgoederen", goed aansluiten bij de vier eeuwen oude traditie om steeds weer zichtlijnen op de Grote Toren en andere markante hoge gebouwen aan te leggen. In wezen loopt de traditie van landgoedaanleg toch al door, via de Blauwe Kamer van 1921 en de Klokkenberg van 1950.
De Spinolaschans
Genoeg over het landgoederenlandschap als geheel. Op speciaal verzoek van de organisatoren wil ik uw aandacht richten op drie elementen uit dat landschap: de Spinolaschans, het Liesbos en de kerken van Bavel. De "Fietsroute door Monumentaal Groen Breda" voert u pal langs de Spinolaschans, dwars door het Liesbos en op het eind ook dwars door Bavel.
In de hoek tussen de rivier de Mark en het Markkanaal dat naar Oosterhout loopt, ligt een bosachtig gebied: de Spinolaschans. De "Fietsroute door Monumentaal Groen Breda" loopt er aan de zuidoostkant langs. Dat stukje van de route loopt over de middeleeuwse weg die van Breda naar het noorden liep. De kaarsrechte Terheijdense Weg dateert pas van 1820. Het Markkanaal is nog een eeuw jonger. Voor een goed begrip van het verleden in deze hoek moeten we die twee nieuwe elementen dus even wegdenken.
De beste leidraden voor verkenning is deze hoek worden geleverd door de rivier De Mark, de middeleeuwse weg van Breda naar het noorden en de Vuchtpolder. We zitten hier juist in het gebied waar De Mark de Brabantse zandgronden definitief achter zich laat. Van hier af stroomt de Mark verder door een polderlandschap richting Dintelsas. De "laatste" zandgronden bestaan hier uit zandruggen en zandkoppen te midden van kleigronden. Aan de oostkant van de Mark lagen de koppen van de Belcrumberg (nu de wijk Belcrum); de Emelenberg (waar nu de Macro is) en de Hartelberg (nu Spinolaschans). De middeleeuwse weg sprong vanaf Breda van de ene berg naar de andere om zoveel mogelijk de lage natte gronden te ontwijken. Verder noordwaarts vond deze weg vaste bodem op een zandrug die vanaf Ter Aalst westwaarts loopt: daar heet het nu: 't Zand.
Ten oosten van deze rij zandkoppen en van de middeleeuwse weg strekte zich het gebied van de Vucht uit. Aan het begin van de middeleeuwse ontginning, mogelijk in de twaalfde eeuw, moeten we ons de Vucht voorstellen als een met veen gevulde kom. Vanuit het oosten waterden hogere gronden op deze kom af. Tussen de Vucht en De Mark lag de rij zandkoppen. De Vucht moet daar tussen door op de Mark hebben uitgewaterd. Alleen de Hartelse Vliet (nu ongeveer Markkanaal) lijkt nog lange tijd zijn karakter bewaard te hebben.
De Hartelberg was in de jaren 1340 door de abdij van Tongerlo gekocht uit de wildernis van de heer van Breda. De abdij stichtte toen in het noorden van de Vucht een grote boerderij: de Abtshoef. De schapen van de pachter van de Abtshoef werden op de Hartelbergen te grazen gezet. (2)
Aan de noordkant van de Hartelberg lag het gehucht Hartel. Die plek is verdwenen onder de oude Terheijdense Brug en in de zwaaikom bij de aansluiting van het Markkanaal op De Mark. Dit gehucht de Hartel was niet zonder belang. Van 1328 tot ca. 1410 zetelde er zelfs een schepenbank. Die is nadien naar Terheijden verhuisd. Ook op 't Zand lag al vroeg een gehucht: Schimmaer.
De weg van Breda naar het noorden over de koppen van Belcrum, Emelenberg en Hartel vergde de nodige zorg. In 1357 werd door ene Jan Isac cs. een brug gebouwd over de vaart die vanuit de Vucht naar de Mark leidde (3). Deze brug stond later bekend als de "Hoge Brug". Deze naam verwijst naar de hoge boog van deze brug waar turfschuiten, en later hooischuiten, onder door moesten kunnen varen. Deze brug verving de voort van Emelenberg, die nog in 1340 vermeld werd. (4) In de loop van de late veertiende eeuw drongen stormvloeden geleidelijk verder door in het uitgemoerde landschap van noordwestelijk Noord-Brabant. Via de Mark bereikte de wateropstuwing ook Breda. In 1400 werd betoogd dat de weg van Hartel naar Breda door dergelijke omstandigheden vaak moeilijk begaanbaar was. Op grond daarvan kregen de inwoners van Hartel en Schimmaer gedaan dat ze "ter heide" een eigen kapel mochten bouwen. In de jaren 1410 - 1414 verhuisde de Hartelse schepenbank naar de nieuwe nederzetting bij die kerk: Terheijden (5).
De Belcrumberg was dus de eerste hoge kop langs de Mark, juist ten noorden van het kasteel van Breda. Verderop lagen nog twee van dergelijke hoge zandplekken of donken: de Emelenberg en de Hartelberg. Deze twee donken werden in de vijftiende eeuw ingericht voor de konijnenjacht. Ze werden sindsdien Kleine en Grote Warande genoemd. De benaming 'warande' wijst op een omsloten jachtgebied van de heer. Op de Kleine Warande werd een huis opgericht, vermoedelijk voor de beheerder van het terrein. De Hartelbergen werden in het midden van de vijftiende eeuw door de heer van Breda tegen erfpacht overgenomen van de abdij Tongerlo. Dat terrein mat ongeveer 13 hectare en ook daar werd een huisje op gebouwd. (6)
Blijkbaar waren deze waranden niet, of althans niet zo hecht, omheind als de Belcrumberg, want de konijnen teisterden de ruime omgeving. Wegens de konijnenvraat bedong de pachter van de Abtshoef vermindering van zijn pacht. In 1510 vermeldt het overzicht van de Tongerlose pachthoeve dat er 4½ hectare bouwland was dat niet gebruikt kon worden "om der conynen wille". Ook was er nog een perceel van 5 hectare dat de "Vosheide" genoemd werd. (7) Niet alleen de heer van Breda jaagde dus op de konijnen, maar ook Reintje de Vos! De konijnenplaag zorgde er via de pachter van de Abtshoef voor dat ook de abdij van Tongerlo zelf schade leed. De gewone boeren konden tegen de konijnenplaag weinig uitrichten, maar de abt van Tongerlo kreeg als machtig prelaat in Brabant wel een compensatie voor elkaar. Die compensatie bestond eruit dat aan de abdij in 1558 een groot hooiland langs de grens tussen Chaam en Baarle ter beschikking werd gesteld. (8) Tussen de Grote en Kleine Warande ligt de Strikberg. Mogelijk probeerden daar de boeren enkele van die lastige konijnen ten eigen gerieve te verschalken. (9)
In de 80-jarige oorlog werd Breda tweemaal langdurig belegerd. Steeds werd de Vucht daarbij onder water gezet. Langs de centrale Zwarte Dijk werd dan een schansenrij aangelegd, terwijl de Hartelbergen beide keren ten behoeve van een groot legerkamp omgespit werden. De benaming Spinolaschans herinnert eraan dat het de Spaanse veldheer Spinola was die hier voor het eerst een legerkamp liet inrichten. Het gehucht Hartel is bij deze gelegenheid van de kaart gepoetst. Uit de rekeningen van de rentmeester van de heer van Breda blijkt bovendien dat de soldaten alle konijnen opgepeuzeld hebben. (10) Daarmee was het konijnenprobleem opgelost!
De nabijheid van de vesting Breda maakte dat ook later steeds militaire werken rond de Vucht in stand gehouden werden. De Hartelbergen zijn door de militairen nooit meer verlaten: steeds werd de schans weer gemoderniseerd. De huidige schans is veel kleiner dan de kampementen uit de Bredase belegeringen. Deze kleine omvang blijkt al op kaarten van 1676. Sindsdien overheerst ook de benaming Grote Schans. (11) Dan moet er ook een Kleine Schans zijn! Die Kleine Schans ligt bij de molen van Terheijden. Beide schansen hadden vooral tot taak de toegang over de Mark naar Breda af te grendelen. Ter hoogte van allebei de schansen maakte de rivier destijds een scherpe S-bocht, zodat men vanaf de schansen schepen heel lang onder schot kon houden.
De Spinolaschans heeft dus een drieledige geschiedenis: als schapenheide, als jachtwarande en als militaire sterkte.
Het Liesbos
Het Liesbos behoort tot de in Noord-Brabant en de Kempen zeer zeldzame bossen die doorheen de middeleeuwen en de eeuwen daarna altijd zijn blijven bestaan. Uit een heleboel plaatsnamen en veldnamen blijkt dat er in deze streken nog in de vroege middeleeuwen veel meer bos geweest is. In de loop van de middeleeuwen is bijna al dat bos door de ontginnende mens en zijn beesten opgeruimd. Slechts hier en daar bleef een plukje bos bestaan. Bij Breda zijn dan het Liesbos, het Ulvenhoutse Bos en het Chaambos.
Het Liesbos wordt doorsneden door tal van beekjes. Ook in het Ulvenhoutse Bos en het Chaambos vinden we een aantal beekjes. Dat lijkt wel typisch voor de oude bosgebieden die steeds bleven bestaan. In de in de zestiende eeuw aangeplante bossen van het Mastbos en het Sint Annabos komen helemaal geen beekjes voor. Wel liggen er langs de dreven gegraven sloten, maar van natuurlijke beekjes is daar geen sprake.
Het Liesbos werd in 1268 voor het eerst vermeld als een van de hoekpunten van het rechtsgebied van Etten onder de palen van de Hoeven. (12) De naam Liesbos wijst op natte omstandigheden. (13) Het bos en de aangrenzende gehuchten Lies en Bagven liggen op een vrij vlak sterk lemig waterscheidingsgebied. In noordoostelijke richting verlaat bij de Koevoort een beek richting Prinsenbeek het bos. In het bos heeft deze beek, ondanks de later aangelegde perkenstructuur, toch nog een deels natuurlijke loop.
In 1308 werd een deel (ca. 79 hectare) van het Liesbos door de heer van Breda in erfpacht gegeven aan het toen net gestichte kapittel van Breda. (14) Wat het kapittel daarmee gedaan heeft is niet duidelijk. De voorwaarden lieten ontginning toe, evenals de uitoefening van lage rechtsmacht over de mensen die er zich zouden vestigen en het aanstellen van een schutter die op het vee moest passen. Van het bestaan van een dergelijke heerlijkheid blijkt later niets. Het project lijkt mislukt en het hele bos behoort na 1502 aan de heer van Breda. (15) In 1415 blijkt dat er in het bos weiderechten waren, onder meer van de hoeve Kreilaar die pal naast het bos lag. (16)
In 1619 werd begonnen met de modernisering van het Liesbos. Allereerst werd het bos aan de zuidoostzijde vergroot, door een reeks boerenpercelen van Bagven en de tussenliggende wegen bij het bos te voegen. (17) Weliswaar werd met de verkopers een koopsom overeengekomen, maar nog in 1632 en zelfs 1651 waren die bezig om dat geld daadwerkelijk uitbetaald te krijgen. (18) Het aldus vergrote bos werd geheel omgeven met een wal en een gracht, met daarbuiten een brede met bomen te beplanten weg. Mogelijk werd hetzelfde profiel aangehouden als bij de rechthoek in het Mastbos. Door deze omgrachting werd de Leurse Baan aan de noordkant van het bos waarschijnlijk een eindje noordwaarts verlegd. Op veel plaatsen is deze wal en gracht nog goed herkenbaar.
Binnen het bos werden in eerste instantie twee elkaar loodrecht kruisende dreven aangelegd: de Nieuwe Dreef en de Huisdreef. In het bos stond een jachtopziendershuis van de heren van Breda: de "huijsinge van het Liesbos". De nieuw toegevoegde percelen werden bebost. In een latere fase, maar nog in de zeventiende eeuw, werden min of meer evenwijdig aan de twee eerste dreven nog meer dreven aangelegd, zodat het bos in een aantal vrijwel rechthoekige perken verdeeld werd. Een van de dreven werd op de toren van Breda gericht.
In de zestiende en zeventiende eeuw blijkt het bos vooral een jachtbos voor de heren van Breda geweest te zijn. De opdracht van de boswachter Hans Wiggers luidde: "het wild van rode beesten, herten, deynen, hasen, conijnen e.a. en ook het bos wel te houden". Hij moest jagende honden "dood hissen ende schieten". (19) Beweiding werd verboden en in 1565 werd een uitvoerig boetetarief opgesteld: 11 stuivers voor groot vee, 3 stuivers voor jong vee en 1 kwart stuiver voor schapen of lammeren. Wie 's nachts betrapt werd, kreeg een dubbele boete aan zijn broek. Het beschadigen van de omringende wal of de afsluithekken werd beboet met 20 stuivers. (20) Het gebruik van het Liesbos als jachtbos leidde in 1709 tot klachten. Wilde zwijnen, herten en ander wild gedierte uit het bos teisterde de boerenomgeving. De omwonenden vroegen dat de dienders op dat wild zouden schieten. Bovendien informeerden ze bedeesd waar het geschoten wild naar toegebracht moest worden. (21) In het bos zou al in de zeventiende eeuw een reigerkolonie gezeten hebben. Twee perken in het bos zijn daarnaar genoemd: de Grote en Kleine Reigerij. Men joeg met valken op reigers. (22)
Er zijn ook aanwijzingen voor op houtteelt gericht beheer. In 1653 was er sprake van een houtvester en plantagemeester en in 1662 probeerde Jacob Beens de domeinen te paaien met het idee om langs de Zanddreef, die toen juist aangelegd werd, een vaart naar de Mark aan te leggen, waarlangs het hout uit het bos gemakkelijk afgevoerd zou kunnen worden. Dat plan zou Beens' ontginningsproject op Overveld (Bosdal, waar de fietsroute ook langs komt) overigens tevens van een mooie mestaanvoerroute voorzien. Het plan is niet gerealiseerd. (23)
Ten behoeve van een beter beheer van het Liesbos vervaardigde de toenmalige boswachter F. Coolen in 1782 een nieuwe kaart van het bos. (24) Het bos heeft dan in grote trekken al zijn huidige vorm. In het bos blijken weinig echt oude bomen voor te komen: er wordt blijkbaar in een vast rotatieschema gekapt. In 1819 waren de oudste bomen 80 jaar oud. Heel wat perken waren beplant met hakhout. (25) Ten noorden van het boswachtershuis lag de kwekerij.
In 1843 werd het boswachtershuis verbouwd tot jachthuis voor prins Frederik. Er werd een verdieping op gezet, de ramen werden gemoderniseerd en de gevels wit gepleisterd. Tegenover het huis ligt het zogenaamde Engelse Park. Dit "dagrecreatieterrein" is nu een groot grasveld met hoge bomen, doorsneden met een slingervijver. Vroeger lagen er ook slingerpaadjes met rustieke bruggetjes over de vijver. De beplanting bestond deels uit struikgewas. Het Engelse Park werd in de jaren 1845-1846 aangelegd. (26) In die zelfde tijd werd voor de boswachter een nieuwe woning gebouwd: voor hem was op het grote huis immers geen plaats meer. Bovendien werd er een schuine dreef langs de boswachterswoning aangelegd.
Al eerder, denkelijk in 1802, werd daar vlakbij een sierstructuur van beukenbomen aangelegd. Rond 1900 waren de bomen wel op hun mooist zichtbaar omdat ze hoog uittorenden boven de lagere bomen eromheen. De indrukwekkende structuur kreeg de naam De Tempel. Nu resten er nog delen van de grote beuken: het is een bomenkerkhof geworden dat door dolende geesten wel voor een Keltisch heiligdom versleten wordt. Ten westen van het Jachthuis lag rond 1900 een doolhof waar eerder de boomkwekerij geweest was. Het bos was toen dus al enigszins ingericht voor het opkomend dagtoerisme. (27)
Het Liesbos is een van de zeldzame bossen die de bos-vijandige middeleeuwen overleefd hebben. Het bos werd vanaf 1619 vergroot. Het werd toen gebruikt als jachtbos en voor de houtproductie en kreeg vanaf ongeveer 1900 daarbij een steeds meer recreatief gebruik.
Bavel
In Bavel voert de Fietsroute door Monumentaal Groen Breda langs de drie plaatsen waar de Bavelse kerk gestaan heeft. Bavel heeft in zijn geschiedenis namelijk last gehad van een wandelende kerk. De eerste kapel of kerk stond sinds ongeveer het jaar 1300 in het noorden, aan het Kerkeind, nu de Dorstse Weg. Op de plek waar dit gebouw stond is nu een bosje, even ten westen van de plek waar de fietsroute de Dorstse Weg oversteekt (28). Het eerste kerkgebouw was in wezen slechts een kapel van de parochie Gilze waar Bavel toen nog toe behoorde. Voor dopen, trouwen en begraven waren de inwoners van Bavel aangewezen op de moederkerk in dat verre Gilze. Voor het bijwonen van de Heilige Mis konden ze wel in hun kapel terecht.
Omstreeks 1488 werd dan 1250 meter zuidelijker een nieuwe kerk gebouwd. Klok en altaren uit de oude kerk werden er heen gebracht. Dit wijst duidelijk op de voortzetting van een traditie. De kerk van Bavel kreeg in 1484 een doopfont. (29) Dit wijst erop dat de parochierechten van Bavel in die dagen verder uitgebreid werden. Mogelijk mocht er toen ook pas begraven worden en was de nieuwe status tevens aanleiding om een nieuwe grotere kerk te gaan bouwen. Dat zou verklaren waarom er op de oude plek aan de Dorstse Weg geen relict van een kerkhof achterbleef, al was het maar een naam als "Oud Kerkhof". Het gebouw dat daar stond was dus ècht een kapel!
In 1488 werd niet alleen een nieuwe kerk gebouwd, men verplaatste tegelijk het zwaartepunt van de kerkelijke activiteit. Dat roept allerlei vragen op. Waarom bouwde men de kerk niet op dezelfde grond als de kapel? Dat zou heel gebruikelijk geweest zijn. Neen, men koos voor een forse verplaatsing: een kwartier gaans zuidwaarts. Als we kijken waar 200 jaar geleden de mensen woonden, zien we dat de kerk zo wel een stuk centraler kwam te staan. Als die centraliteit inderdaad de keuze bepaalde, dan zou je mogen vermoeden dat rond 1300, toen de kapel gesticht moet zijn, de gehuchten Eikberg (op de fietsroute), Bolberg, Lijndonk en zeker de Lage Aard nog geen gewicht in de schaal legden. De verplaatsing uit 1488 wijst er dus op dat Bavel in zuidoostelijke richting, langs de straat genaamd Kerkeind en verder, uitgegroeid was. De oudste bewoning moeten we blijkbaar in het noorden zoeken, bij en ten oosten van IJpelaar.
Zowel de rond 1300 gebouwde kapel als de kerk van 1488 hadden invloed op het wegenpatroon in Bavel. Gericht op beide bedehuizen ontstond een ster van "kerkwegen". Sommige van die wegen waren maar paden tussen de akkers of er overheen, andere maakten deel uit van min of meer doorgaande wegen of van de verbindingswegen binnen de gehuchten. Vooral uit de oude benamingen blijkt dat men langs die wegen naar de kerk ging.
De nieuwe kerk kreeg in tegenstelling tot de oude kapel wel een kerkhof en het is dat lommerrijke kerkhof dat er vandaag nog ligt, schuin tegenover de huidige kerk. De fietsroute voert er pal langs. De kerk van 1488 was aanvankelijk gewijd aan de Heilige Brigitta, maar in later tijd werd die toewijding verdrongen door die aan Onze Lieve Vrouw Hemelvaart. In de kerk waren 3 en later 4 altaren.
Deze kerk bleef vier eeuwen in gebruik, maar in die lange tijd zat er voor de katholieken een breuk. Van 1672 tot 1809 moesten zij kerken in een kerkschuur op het Kerkeind, niet ver van de negentiende eeuwse molen van Bavel. In de jaren 1648 - 1800 werd in de Republiek der Verenigde Nederlanden, waar Bavel en heel Staats-Brabant toe behoorden, de godsdienstvrijheid namelijk wat vreemd opgevat. Wie de "goede" (lees: protestantse) religie aanhing werd niets in de weg gelegd, maar voor anderen werd het godsdienstig leven moeilijk gemaakt. Zo werden de katholieken uit hun kerk gezet ten voordele van de spaarzame protestanten van Bavel. Die konden dat grote gebouw maar moeilijk goed onderhouden.
Na de omwenteling van rond 1800 hebben de Bavelse katholieken kans gezien alle ambtelijke barrières te overwinnen en "hun" kerk in 1809 weer terug te krijgen. Daarmee waren ze er echter nog niet. Het verwaarloosde gebouw moest hersteld en bruikbaar gemaakt worden. De bevolking groeide in de negentiende eeuw geleidelijk aan en de oude kerk werd te klein. In 1888 werd daarom een nieuwe, de huidige, kerk gebouwd op 120 meter van de kerk uit 1488. Het kerkhof van de oude kerk bleef behouden, bij de nieuwe kerk kwam geen kerkhof.
De oude klok, die eerst in de kapel gehangen had en daarna in de toren van de kerk van 1488, hangt nu in de toren van 1888. Hij overleefde de Duitse klokopeisingen van de Tweede Wereldoorlog. Het is een van de oudste kerkklokken uit de verre omgeving: een klok die de herinnering aan de drie kerken van Bavel levend houdt.
Slot
Ik hoop met deze uiteenzetting de "Fietsroute door Monumentaal Groen Breda" in een wat breder perspectief geplaatst te hebben, en tegelijk drie markante cultuurhistorische monumenten van grote waarde wat nader toegelicht te hebben.
Noten
Literatuur
ONB: Oorkondenboek Noordbrabant
Bijsterveld, A.J.A.. Laverend tussen Kerk en wereld. De pastoors in Noord-Brabant 1400 - 1570. Amsterdam, 1993.
Buiks, C.J.M.. Noordbrabantse plaatsnamen 3. Teteringen. Z.pl. {Waalre}, 1990.
Buiks, C.J.M.. Drie oude bossen in de Baronie van Breda. Historisch geografisch tijdschrift 17 (1999) 77 - 85.
Jansen, A.W.. De parochie en kerk van Bavel 1250 - 1650. Brieven van Paulus 24 (1999) 187 - 208.
Leenders, K.A.H.W.. Nieuw licht op Terheijden's historie. Jaarboek Oranjeboom 27 (1974) 1 - 31.
Leenders, K.A.H.W.. Het landgoederenlandschap rond Breda. Jaarboek de Oranjeboom 52 (1999) 1 - 63.
Otten, G.. Prins Frederik en het Liesbos, 1840 - 1881. Engelbrecht van Nassau 14 (1995) 99 - 111.
Samyn, J.. Deken De Bo's kruidwoordenboek. Gent, 1888. Herdruk: Handzame, 1970.
Archieven
AAT Abdijarchief Tongerlo
ARAG Algemeen Rijksarchief Den Haag
NDD Nassause Domeinraad (inv. Drossaers, 1948)
NDR Nassause Domeinraad (inv. Van Hoof e.a., 1997)
GA Breda Gemeentearchief Breda
R Rechterlijk archief
Kaarten
Kaart van het Liesbos, 1619
datum = 1619
maker = Th. Rudd
orig. = ARAG, VTH 1670
kopie = GA Breda, TA 1963-251
Kaart van het Liesbos, 1782.
datum = 1782
maker = Fr. Coolen
orig. = ARAG, VTH 1671
kopie = GA Breda, TA inv. nr. 1963-251 (kaarten groot formaat)
2. ARAG, NDD 263, kaartje door C.Peeters, 1558.
3. GA Breda, Havermans 514, 170.
4. AAT, kaart hoeve te Teteringen, 1659.
6. ARAG, NDD 263, kaartje door C.Peeters, 1558.
8. Wildernis in de Cambeeck tussen Vuylecoten en Chaam: ARAG, NDD, inv. 263.
9. Buiks, 1990, 193 - 194 draagt nog een aantal ingewikkelde verklaringen van deze naam aan, maar het strikken van konijnen is op deze plek toch wel erg voor de hand liggend.
11. Bijv. in 1709: GA Breda, R 654 f 54r.
12. ONB, nr. 1078: a silva que vocatur Lische.
13. Lies kan staan voor Gele Lis, Iris Pseudacorus L., een plant met lange bladeren, welke in het water en aan waterkanten groeit. Ook planten met blad gelijkend op dat van de Gele Lis werden lis, lies genoemd (Samyn, 1888, 73.), zoals prei, lelies etc. Verder liesgras en rietgras, twee grote grassoorten die op moerassige plaatsen groeien.
15. Zie voor meer details: Buiks, 1999, 78.
17. Kaart van het Liesbos, 1619.
18. ARAG, NDR 7954, f 380-392.
19. ARAG, NDR 7954, f 446. Deynen zijn vermoedelijk damherten.
23. ARAG, NDR 7954, f 397 - 401: Beens protesteert eerst tegen de doortrekking van de Zanddreef over zijn gronden, maar komt even later met dit alternatieve plan.
24. Kaart van het Liesbos, 1782.
29. Bijsterveld, 1993, bijlage 3, 25a.