Landschapsgeschiedenis van de Hoekse Waard

K.A.H.W. Leenders

Tekst van een voordracht op 27 mei 1999,
gehouden voor de KNMG afdeling Zuid-Hollandse Eilanden

 

1. Inleiding

De Hoekse Waard is een van de Zuid-Hollandse Eilanden. De Hoekse Waard meet 275 km2 en telt (1999) ongeveer 83.000 inwoners die verdeeld zijn over zes gemeenten. Het eiland wordt omspoeld door het Spui (scheiding met Voorne-Putten), de Oude Maas (scheiding met IJsselmonde), het Dordtse Kil (scheiding met het Eiland van Dordrecht) en het Haringvliet en het Hollands Diep waarop we vanavond varen. In dat Haringvliet ligt het eilandje Tien Gemeten, dat gemeentelijk onder de Hoekse-Waard-gemeente Korendijk hoort. De waterhuishouding van de Hoekse Waard wordt geregeld door het waterschap dat zich De Groote Waard noemt en dat in Klaaswaal zijn hoofdkwartier heeft.

Het landschap van de Hoekse Waard is vanuit historisch oogpunt bijzonder interessant. De talloze dijken die het eiland in schijnbare ordeloosheid doorsnijden, blijken bij nader inzien het complexe verhaal van de geleidelijke bedijking van het gebied te vertellen. Ook de half of geheel verlande kreken die her en der aanwezig zijn, dragen aan dat verhaal bij. Zelfs het Haringvliet en het Hollands Diep hebben een ontstaansgeschiedenis die u wellicht zal verbazen.

De bedijking van de Hoekse Waard vond in hoofdzaak plaats tussen 1538 en 1653. In de anderhalve eeuw daarna werden nog wat gorzen langs het Haringvliet en het Hollands Diep bijbedijkt. In de laatste 200 jaar is aan de omvang van het eiland dus niet veel veranderd. Alleen langs het Hollands Diep zijn er nog wat strookjes ingepolderd.

Vanavond zal ik vertellen wat er aan die bedijkingen vooraf ging, hoe die bedijkingen in hun werk gingen en wat daarvan in het landschap nog te zien is. Dit verhaal kan alleen verteld worden door er ook geschiedenis bij te betrekken van het water waar we nu op varen.

 2. Dynamisch systeem

In 1500, aan het einde van de middeleeuwen en voorafgaand aan de meeste bedijkingen, was het gebied van de huidige Hoekse Waard allerminst een binnenzee. Er waren vooral aan de noordkant wat poldertjes die uit de late middeleeuwen dateerden. Voor de rest bestond het gebied uit gorzen en slikken, platen en geulen. Bij stormvloed stond het grotendeels onder water, bij gewone vloed bleven de gorzen meestal droog en bij eb lagen ook de slikken droog. De platen maakten bij laagwater de geulen moeilijk bevaarbaar. Dit hele systeem van geulen, platen, slikken en gorzen was een dynamisch geheel. In de geulen konden nieuwe platen ontstaan, platen groeiden aan en werden hoger, zodat het slikken werden. Na verloop van tijd evolueerde slikken tot begroeide gorzen. Die ontwikkeling werd door de mens verder gezet. De gorzen werden in een eerste fase in grote stukken verpacht voor beweiding met bijvoorbeeld schapen. Wanneer ze wat verder opgebouwd waren, kwamen er kleine kaden (zomerdijken) en werden ze in kleinere stukken voor intensiever gebruik verpacht. Uiteindelijk volgde dan indijking zodat een nieuwe kleipolder (met winterdijken) ontstond.

Maar als dat systeem zo dynamisch was, dan kan het niet heel erg lang bestaan hebben. Het moet ooit een keer ontstaan zijn. Dat ontstaan moeten we zoeken in de teloorgang van een ouder landschap, een landschap waarvan u het bestaan misschien niet zou vermoeden.

3. Het landschap van het jaar nul

Ergens tussen 2000 en 3000 jaar voor Christus is dit gebied, net als de rest van de kustvlakte langs de zuidoostrand van de Noordzee, bedekt geraakt door veen. Dat veen is in de loop van tientallen eeuwen aangegroeid tot een pakket van tot 25 meter en meer dikte: het zogenaamde Hollandveen. In het gebied van de Hoekse Waard was dit veen ooit 6 tot 7 meter dik, waarvan nu nog 1 tot 3 meter over is. U vindt het Hollandveen nog als landschapsbepalend terug in de Alblasserwaard, Krimpenerwaard het heel het verdere binnengebied van Holland en Utrecht.

Het Hollandveengebied werd van de Noordzee gescheiden door een smalle zandstrook met strand en lage duinen. Deze zandkust was vanaf het Nauw van Calais tot langs de Waddenzee lange tijd vrijwel gesloten, met alleen doorgangen voor de IJzer, de Schelde (bij Domburg), de Maas (bij Brielle) en de Rijn (bij Katwijk). Het gebied van de huidige Hoekse Waard lag toen in het veengebied. Waar nu de Binnenbedijkte Maas ligt, stroomde in de Romeinse Tijd nog echt de Maas. Deze rivier stroomde toen van bij Heusden langs Geertruidenberg en dan dwars door de huidige Biesbosch. Even ten noorden van de Kiltunnel kwam de rivier de huidige Hoekse Waard binnen om via de Binnenbedijkte Maas ergens bij Oud-Beijerland in de huidige Oude Maas uit te komen. De Maas was een belangrijke vaarroute van het zwaar geromaniseerde Limburg naar de Zee en vlak langs de rivier, waar op het veen klei afgezet was, was ook in de Hoekse Waard volop bewoning. Er lag ook een belangrijke weg, misschien wel een aan iedere zijde van de rivier. Een van de opmerkelijkste vondsten uit deze periode in de Hoekse Waard is een zilveren doosje met artsengereedschap: een soort dokterstas.

Dwars door de Hoekse Waard, ongeveer waar nu de weg van het Hellegatsplein naar Rotterdam ligt, liep een minder belangrijk water: de Striene. Op grond van uitlatingen van Caesar meent men dat het een verbindend binnenwater tussen Schelde (bij Tholen) en de Maas zou zijn geweest. De geologen menen echter dat deze waterloop pas in de vroege middeleeuwen ontstaan kan zijn. De plek waar de Striene in de Maas uitkwam werd Strienemonde genoemd. Nabij de havenmond van Numansdorp kwam in de Striene de rivier de Mark uit. Die plek heette Markemonde. U herinnert zich van school wellicht nog de rivier De Mark en Dintel, die bij Dintelsas in het Volkerak uitkomt. Deze rivier mondde tot ver in de middeleeuwen nog nabij Numansdorp in de Striene uit: de waterhuishouding in het veengebied zat heel anders in elkaar dan de huidige. Het Hollands Diep en het Haringvliet bestonden nog niet, het veen liep gewoon door van de Maas in het noorden tot de rand van de Brabantse zandgronden op de lijn Prinsenbeek - Leur- Hoeven - Oudenbosch - Gastel - Steenbergen.

4. De overstromingen van na de Romeinse tijd

Met uitzondering van de Romeinse tijd was het veengebied vrijwel onbewoond. In de Romeinse tijd werd ook in het veengebied gewoond en geboerd en wel in het huidige Zeeland aan weerszijden van de rivier de Schelde die de toegangsweg naar het sterk geromaniseerde Vlaanderen was en misschien ook wel langs de Maas ten westen van de Hoekse Waard. Dat kan pas als eerst het veen ontwaterd wordt en ook daarna die ontwatering in standgehouden wordt. Uit deze periode zijn in Zeeland, maar ook bij Spijkenisse en Vlaardingen klepduikertjes gevonden die bij eb het water lieten afstromen. Vorige week verscheen een eerste artikel over zon afwateringssysteem: het gaat over dat bij Vlaardingen.

Als je veen ontwatert, gaat het inklinken: de bodem daalt. Dat geeft niet, zolang kaden en duikers regelmatig onderhouden worden. Maar toen vanaf het jaar 273 allerlei benden deze streken onveilig gingen maken en de bevolking wegvluchtte, stopte dat onderhoud. In Zeeland leidde dat weldra tot overstroming van het veengebied vanuit zee. In het veen werden grote en kleine geulen uitgeschuurd om het vloedwater aan- en af te voeren. Er ontstond zelfs een systeem van jonge zeearmen. Tegen 350 was het grote middengebied van Zeeland veranderd in een slikken- en gorzengebied dat daarna alleen maar groter werd. In de Hoekse Waard kon het veen zich nog handhaven, maar Voorne en de streek van Vlaardingen werden ook overstroomd. De Striene was nog tot tegen 1200 een noord-zuid gerichte vaarroute tussen Schelde en Maas: kennelijk waren de zeearmen nog niet zover naar het oosten doorgedrongen.

5. De Hoge Middeleeuwen

In de hoge middeleeuwen ontstonden in dit gebied enkele grote machtsgebieden. De streek rond Spijkenisse en de westkant van de Hoekse Waard hoorden onder de heer van Putten. Ten oosten van de Striene en de Mark lag het gebied Strijen dat in het zuiden aansloot op Breda. Ten oosten van Strijen ontstond aan de overzijde van de toenmalige Maas Dordrecht. Ten westen van Putten lag Voorne, dat zich ook over de kop van Goeree uitstrekte. Het Haringvliet was er toen nog niet.

Wat moet je je nu voorstellen van die vroege nederzettingen en "landen"? De "landen" bestonden grotendeels uit wildernis: veen in het oosten, slikken en gorzen in het westen (Voorne). Droge en bewoonbare plekken waren er in de duinenstrook en op kleiafzettingen langs de rivieren en geulen. Daar moeten ook de eerste dorpjes en de burchten van hun heren gezocht worden.

Na 1100 veranderen zowel het politieke als het fysische landschap sterk.

 

5.1. Politiek

Op politiek gebied was de ontwikkeling van het graafschap Holland en het hertogdom Brabant van belang. Graaf en hertog wisten in dit gebied de regionale heren aan zich te binden: die van Voorne, Putten en Strijen gingen bij de graaf aanleunen, die van Breda bij de hertog. Hierdoor werd de rivier de Mark en het stuk Striene van het Hellegat tot in Tholen de noordwestgrens van Brabant tegen Holland en Zeeland. Vanaf een eilandje in de Striene hief de Hollandse graaf de tol van Strienemonde. Zo had hij zich strategisch tussen de landen van Putten en Strijen ingedrongen.

 

5.2. Haringvliet

Door de stormvloed van 1216 was in de duinen van Voorne een gat geslagen, van waaruit zich een nieuwe zeearm landinwaarts begon te ontwikkelen. De naam Haringvliet die eraan gegeven werd, duikt in 1315 voor het eerst op. Met grote snelheid werd die geul verlengd, terwijl hij gaandeweg ook breder werd. Het land van Voorne werd erdoor in twee geknipt. Aan de oostkant bracht deze ontwikkeling steeds vaker overstromingen en zout water in het veengebied. Rond 1250 werd de Striene bereikt en eveneens doorgeknipt. De geul vrat zich steeds verder naar het oosten en vormde daar het Wijvekeen, de voorloper van het Hollands Diep.

 

5.3. Grote Waard

De uitbreiding van de grafelijke macht in deze streek leidde ook tot de agrarische ontginning van de zuidoever van de Maas tussen Strijen en Geertruidenberg. Hier kwam een reeks systematisch opgezette dorpen tot stand, waarvan de structuur sterk deed denken aan die van de dorpen in bijv. de Alblasserwaard. Het grote verschil was dat de verkaveling niet uit even brede stroken bestond, maar uit een taartpunts gewijze verdeling van het veen waar de Maas omheen draaide. Wat later in de 13e eeuw is men dan begonnen aan een groot waterstaatswerk: de aanleg van de Grote of Zuidhollandse Waard. Omdat het meeste Maaswater inmiddels van Heusden naar Gorinchem stroomde, kon de Maas bij Heusden en later bij Maasdam worden afgedamd. Vanaf Heusden werd een ringdijk aangelegd die over Woudrichem, de Werken en Dordrecht, langs de oostkant van het Land van Strijen, schuin door de Moerdijkbruggen, naar de Zwaluwen en Geertruidenberg liep, en door de Langstraat terug naar Heusden. Dit was dus net zo'n agrarisch ingerichte "waard" als de Alblasserwaard, Krimpenerwaard etc. In 1283 was de ringdijk compleet. Binnen de Grote waard werd het gebied ten noorden van de Maas de "Kleizijde" genoemd en dat ten zuiden de "Veenzijde". De agrarische ontginning van de Veenzijde leidde tot klink, bodemdaling en vernatting. De bewoning werd er daarom stapsgewijs van de rivier af verplaatst naar hogere delen van het veen. De relicten van dat proces zijn in de Langstraat nog herkenbaar.

5.4. Zoutwinning

Zout op het veen ten westen van de Grote of Zuid-Hollandse Waard maakte van dat veen ineens een waardevolle grondstof voor de zoutproductie. Ik bespaar u de details, maar deze zoutwinning kwam er op neer dat men het zoute veen weggroef en zo in het reeds door de Zee geteisterde veenlandschap talloze "putten" maakte. Mogelijk ontleent het Land van Putten daar zelfs zijn naam aan! De rafelranden van het veenlandschap en de bodemverlaging door het gegraaf gaven de zee bij een volgende vloed houvast en ruimte om meer schade aan te richten en zo verder in het veen door te dringen. Bij stormvloeden ging het er natuurlijk nog wat grover aan toe. Zo verdronk in de dertiende eeuw Putten voor een groot deel, waaronder dus ook de westzijde van de Hoekse Waard.

 

6. De vloed van 1288 en de naweeën ervan

6.1. Strijen aan de wandel

De stormvloed van 1288 werd funest voor het vermoedelijk onbedijkt op het veen gelegen Land van Strijen. Dit verdronk, het water stuwde op tegen de vijf jaar oude westdijk van de Grote Waard. Een deel van de bevolking trok met de heer over die dijk naar het zuidoosten en kwam in Oosterhout terecht. De rest bleef op de dijk achter en stichtte daar het huidige dorp Strijen. Willem de Molnair, baljuw van Zuid-Holland getuigde in 1326 dat hij ooit aan de schoonzoon van de bouwheer, Nikolaas van Putte, gevraagd had waarom de heer van Strijen toch zo graag in Oosterhout een kasteel wilde bouwen. Het antwoord zou geweest zijn: hi was een groit man ende hadde in 't land van Striene ghener stede een huys opte setten ende ommetrent Oisterhoute zoe warent meeste alle sine vrienden ende moghen die dair woinden.

Ten westen van de dijk van de Grote Waard lag nu in hoofdzaak overstroomd veenland waarin de Maas en de Striene doelloos van nergens naar nergens liepen. Voor een deel functioneerden ze nu als getijdegeul, voor de rest slibden ze dicht. Ten zuiden van de Maas en ten westen van de Waarddijk slibde de veenbodem blijkbaar het snelste op: daar ontstond het "Rietgors", het latere Oude Land van Strijen.

 

6.2. Zoutwinning

Dichter bij het Wijvekeen werd in het overstroomde veen, ter plaatse van het Markgors en het Logors, ijverig gegraven naar zout veen. Dat verontrustte de boeren van de Grote Waard en zij verzochten de graaf om daar een eind aan te maken. In het spel van economische en politieke krachten leidde die verzoeken echter tot niets. Wel werd geprobeerd om van Zevenbergen een dijk naar de Waarddijk bij Broek te leggen, maar het Wijvekeen was te weerbarstig. Later, na 1400, probeerde men het oostelijker nog eens. De financiering van het project moest komen uit het zout dat gewonnen werd in een nieuwe put die achter de te bouwen dijk zou komen. Doordat ook die dijk niet gedicht kon worden, werd de nieuwe put echter juist een extra bedreiging voor de Grote Waard.

 

6.3. Waterhuishouding in de Grote Waard

Binnen de Grote Waard was door enkele eeuwen landbouw op veen de bodem vooral langs de Maas, waar de oudst ontgonnen gronden lagen, belangrijk gedaald. Men kon er het water niet meer kwijt en omdat bij Broek (nabij Strijensas) het getij nu veel sterker geworden was, werd in 1375 een kanaal van de Maas langs Strijen naar Broek gegraven. Daar werd een sluizencomplex aangelegd om het aldus omgeleide water te kunnen lossen.

 

6.4. De Elisabethsvloed van 1421

Zo kon niet uitblijven wat uiteindelijk gebeurde: in 1421 beukte de St. Elisabethsvloed via het Wijvekeen op de Waarddijk bij Broek, brak door de dijk en tuimelde de laaggelegen Grote Waard in. Omdat aan de andere kant van de Grote Waard bij Sleeuwijk de Merwede ook de Waarddijk vernielde, ontstond er ineens een nieuwe doorstroming. Men zag niettemin kans de dijken te herstellen, maar een nieuwe Elisabethsvloed in 1424 deed het werk te niet. De toestand kon niet meer beheerst worden.

Toch werd de Grote Waard niet in één klap ontvolkt. Allerlei berichten wijzen er op dat heel wat mensen haast tegen beter weten in, in hun boerderijen bleven wonen tot het echt niet meer ging. De inwoners van het dorpje Wede gingen op de Waarddijk wonen: dat werd Cillaarshoek. Anderen kwamen in Dordrecht terecht. Enkele decennia later was het gebied dan toch echt "leeg" en ten prooi aan de golven. De veenlagen werden geleidelijk door het getij opgeruimd en er ontstond een groot watergat, de latere Biesbosch. Het Wijvekeen groeide dankzij de nieuwe taak om het getijwater voor die binnenzee aan- en af te voeren, uit tot het Hollands Diep.

 

7. Na 1421: nieuw opslibbingspatroon

Na de vloed van 1421 was er in het gebied van de huidige Hoekse Waard maar bar weinig land over. Vanaf Maasdam naar het zuiden stond over 7 km een deel van de oude westelijke dijk van de Grote Waard nog overeind. Daarop lagen het dorp Strijen en de nieuwe vluchtnederzetting Cillaarshoek. Verder lagen er alleen twee poldertjes aan de zuidzijde van de Binnenbedijkte Maas: St.-Anthonypolder en het Monikkenland van Westmaas. Dat was wel een bijzonder smalle bestaansbasis en in 1432 werd daarom het Rietgors al bedijkt tot het toen Nieuwe Land van Strijen. In 1440 werd ten noorden van de Binnenbedijkte Maas het Oude Land van Mijnsheerenland bedijkt. Het was toen dat de oude Maas "Binnenbedijkt" raakte.

Vóór 1421 was de opslibbing van buitendijkse landen geheel afhankelijk van sediment dat vanuit Zee of uit de zeearmen aangevoerd werd. Na 1421 werd de opslibbing erg versterkt doordat juist hier zeewater met rivierwater samenvloeiden. Het kleidek in het in 1432 bedijkte Oude Land van Strijen dateert grotendeels uit de 133 jaar sinds 1288, maar het is veel dunner dat de kleidekken die in de eerste 115 jaar na 1421 werden afgezet bij bijvoorbeeld Klaaswaal.

Dat een stukje Maas na 1421 niet kon dichtslibben is te danken aan de bedijking van 1440. Overal buiten die bedijking is de oude Maasgeul geheel aan het oog onttrokken door een dikke kleilaag. Daardoor ligt de Binnenbedijkte Maas nu als een merkwaardig fossiel in het landschap.

De rest van de Hoekse Waard was na 1440 een slikkengebied waarin zich nieuwe gorzen moesten vormen, eer van bedijking sprake kon zijn. De dynamiek waarover we eerder spraken, kon aanvangen. In ruim een eeuw tijd werd er een kleilaag van 3 tot 5 meter dikte gevormd.

 

8. Bedijkingsperiode 1538 - 1653 en daarna

De bedijking van de Hoekse Waard begon eigenlijk pas in 1538. In 1653 werd ruwweg de huidige omvang van het eiland bereikt.

Aanhakend aan de oude polders ten noorden en zuiden van de Binnenbedijkte Maas, werden steeds opnieuw buitendijkse gorzen bedijkt. Dit leverde een typisch dijkenpatroon op. Iedere polder heeft een soort hoefijzer-dijk: de nieuwe dijk loopt niet rond, maar haakt op twee punten aan op een oudere dijk: een T-vormige dijkaansluiting. In de Hoekse Waard zijn er drie kernen waarom heen die hoefijzers gegroepeerd zijn: de oude oostelijke polders, en in het westen Oud-Piershil en Oud-Korendijk. Op Tien Gemeten is de Oude Polder de kern: alle jongere polders liggen daar aan de westkant van.

Het hoefijzerpatroon maakte het ook eenvoudig om haventjes of uitwateringssluizen op de oude dijk "open" te houden: men dijkte gewoon naar zo'n punt toe en haakte daar aan op de oude dijk. Ook dat draagt bij aan het typische dijkenpatroon van de Hoekse Waard.

Een derde typisch landschappelijk patroon heeft te maken met de kreken. De slikken en gorzen waren van nature doorsneden met kronkelende en vertakkende geulen: de kreken. Naarmate de slikken tot gorzen opslibden, kregen de kreken minder water te verzetten en gingen ze zelf ook dichtslibben. Aan dat proces kwam abrupt een einde bij bedijking. Binnendijks behield de kreek zijn breedte. Hooguit trad er wat verlanding op door plantengroei en veenvorming. Buiten de dijk ging het dichtslibben gewoon door. Bij een volgende bedijking herhaalde dit proces zich. In de Hoekse Waard is er een aantal kreken waaraan dit verschijnsel op meer dan een plaats te zien is.

Voordat dijken gelegd werden, moesten in de regel eerst eigendomskwesties uitgezocht worden. In het verdronken land waren de oude rechten in principe blijven bestaan, maar de grenzen ervan waren vaak onduidelijk geworden. Zo viel Strijensas nog tot rond 1800 onder Klundert: een herinnering aan de tijd dat er geen Hollands Diep was. Als de oude rechten eenmaal uitgezocht waren, werden er investeerders gezocht. Daartoe werd soms een fraaie prospectus uitgebracht, met kaart van de voorgenomen bedijking en interne, vaak blokvormige, verkaveling. Daar kon men dan op inschrijven. Heel slim was dat men een koppelverkoop ingebouwd had: bij ieder blok goede grond hoorde onlosmakelijk een blok slechte grond: het zogenaamde volgerland. Bovendien hoorde er een stuk dijkplicht bij.

Eenmaal bedijkt, moest het gebied bevolkt worden en moesten er boerderijen en woningen gebouwd worden. Behalve verspreide boerderijen langs de dijken, werden er dorpen gesticht. In de Hoekse Waard komen 8 dorpen van het Voorstraat-type voor: een hoofdstraat, de "voorstraat", leidt van de dijk naar de kerk. Parallel daaraan liggen twee "achterstraten". De geestelijke verzorging geschiedde eerst vanuit de parochies in de oude polders, maar van lieverlede werden er nieuwe gesticht. Althans, dat probeerde men. In Klaaswaal was op een gegeven moment de kerk klaar, maar de pastoor van Strijen vond het te ver weg (10 km over de dijk) en de weg te slecht om er de diensten te verzorgen. Een andere priester wilde evenmin naar Klaaswaal komen. Van armoede heeft de gemeenschap dan maar een predikant van de nieuwe leer aangetrokken. De kerk is er dus katholiek-bedoeld gebouwd, maar heeft altijd protestantse diensten onderdak geboden!

9. Conclusie

Doordat de Hoekse Waard geleidelijk bedijkt is, ligt heel het eiland vol met dijken. Die dijken zijn meestal nog gaaf aanwezig en in veel gevallen met bomen beplant. T-aansluitingen en teruglopende dijken naar haventjes en sluizen horen bij het dijkenpatroon. Herhaald afgedamde kreken met hun binnendijkse verbredingen horen bij het bedijkingspatroon. De oude westdijk van de Grote Waard, met zijn kronkels, wielen en twee vluchtnederzettingen uit de late middeleeuwen, en de Binnenbedijkte Maas zijn merkwaardige relicten uit de middeleeuwen. De geringe kleidikte in de oude polders getuigt nog steeds van de beperkte opslibbing van voor 1421.

Dat alles maakt het landschap van de Hoekse Waard vanuit cultuurhistorisch oogpunt een waar monument.



Versie 7 juni 2005
© Copyright : dr K.A.H.W. Leenders