Verleden en toekomst:

planning in de Haagse Beemden en elders

dr. K.A.H.W. Leenders

Lezing voor de Stadssociëteit De Gouden Cirkel te Breda, 26 november 2001

1963

Rondfietsend rond Breda wordt in de vroege lente van 1963 het Emergat ontdekt: de zandzuigput waar het zand uit komt dat naar de ophoging van de Hoge Vucht gaat. Het water in het gat staat 7 meter diep. De steile wanden vertonen een geheimzinnige zwarte band. Dat intrigeert enkele leerlingen van het OLV-lyceum die een heus onderzoek opzetten. Ik was één van hen. Er komt een echte geoloog bij die me geologie laat bestuderen. De zwarte band bestaat uit goed geconserveerd hout: stammen, takken, twijgjes, bladeren. Het hout wordt via C-14 gedateerd: te oud voor de methode (ouder dan 42.700 jr). Het hout wordt gedetermineerd door studenten van RU Utrecht: hazelaar, ratelpopulier en wilg. Die bomen groeien alleen in redelijk warm klimaat. Dus dateert het hout uit het Eemien, dat is ca. 120.000 jaar geleden. Het hout is in de ijstijd naar hier gespoeld en is dan bedolven geraakt. Deze laag, die op 3 meter diepte zat, komt denkelijk overeen met het omvergewaaide bos dat oude schrijvers bij Zundert op 10 voet (3 meter) diepte vermelden. Van onder uit de put, 15 meter diep, werden nog wat grote keien opgehaald door de zandzuiger. Deze keien komen volgens de geologen uit Limburg en behoren tot de Gordel van Sterksel, 1 miljoen jaar oud. (1)

Zo leerden we een onderzoek in onbekende vakgebieden te doen, leerden we het om vakmensen te vragen om hun medewerking en leerden we dat die altijd positief reageren als je een interessant probleem hebt en er zelf ook wat aan doet.

We ontdekten nog wat. Vanuit het Emergat kon je net het Hooghuis van Gageldonk zien. Dat is een intrigerend oud bouwwerk, met een al evenoud kapelletje en boerderijen erbij. Van de mannen van de zandzuiger leerden we dat het de bedoeling was dat ook dat alles, net als in de Hoge Vucht, ondergespoten zou worden en dat die gebouwen dus ook zouden verdwijnen. We hadden geen enkel idee dat je ooit zulke ontwikkelingen zou kunnen tegenhouden of bijsturen: die dingen gebeurden gewoon "vanzelf" zo leek het wel. Wel hadden we intussen op het archief in Breda gemerkt dat er soms heel weinig over afgebroken oude gebouwen bekend was. Daarom kwamen we op het idee om het landschap dat onvermijdelijk zou gaan verdwijnen eens goed te gaan bekijken. We zagen zoveel, dat we het gericht wilden onderzoeken. Zo ontstond de Werkgroep Haagse Beemden.

De Werkgroep Haagse Beemden

De stichtende leden waren in 1966 Karel Leenders, Fred Saan, Benno van Geel en Wim Nijssen. We stelden ons aanvankelijk tot doel allerlei gegevens over de Haagse Beemden-oost te verzamelen. Eerst wilden we achterhalen wat de bewoners over hun eigen omgeving en geschiedenis wisten te vertellen; daarna zouden de gebouwen aan de beurt komen en tenslotte de meer landschappelijke gegevens. Te zijner tijd zou ook gekeken worden wat het archief te bieden had. We hadden het idee dat in die volgorde de informatie zou gaan verdwijnen. We gingen de bewoners te lijf met een vragenlijst met 25 hoofdvragen, vragen die weer een heleboel subvragen kenden. De vragenlijst was ontworpen in samenspraak met mevr. Van Dort van de HK Breda, dr. F. Brekelmans van het archief en Jacques Sinnighe voor de volksverhalen en liedjes. De Haagse Beemden werd in blokjes van een vierkante kilometer verdeeld en ieder kreeg enkele blokjes om de mensen te ondervragen. We leerden dat er twee soorten mensen woonden: de stedelingen (die niks wisten) en de oude bewoners (die vaak heel veel wisten). Zo leerden we van lieverlede de streek kennen, inclusief de duistere hoekjes.

Later verruimde de doelstelling van de WGHB zich tot: de studie van de geschiedenis van Princenhage in de breedste zin; het onder de bevolking brengen van de resultaten daarvan middels het tijdschrift Hage en het op grond van de verzamelde gegevens een bijdrage leveren aan de toekomstige ontwikkeling van het gebied van de voormalige gemeente Princenhage. De werkgroep werd een stichting, waarvan de stichtende leden waren: Herman Dirven, Piet Dekkers, Jan Lodewijk en Karel Leenders.

De gebouwen en landschappen werden voornamelijk door Ton Kappelhof en Karel Leenders gefotografeerd. Ieder gebouw van twee kanten, liefst diagonaal en liefst in de winter als de takken kaal zijn. Deze foto's zijn nu op het Gemeentearchief te Breda.

Met de afdeling Breda van de KNNV werden drie inventariserende rondwandelingen gemaakt. De wandelaars noteerden eenvoudig de planten die ze herkenden en die lijsten werden later samengevoegd. Het gebied bleek een rijke flora te hebben. Daarom werd besloten om een gericht onderzoek van een vol jaar te doen naar het centrale gebied van Burgst. Dit onderzoek werd gedaan door de Natuurstudieclub Biota en resulteerde in een fraai rapport. Het bleek dat dit gebied het op één na rijkste was van heel Noord-Brabant: alleen het Merkske tussen Baarle en Zondereigen was rijker. Bovendien werd een voor Nederland nieuwe wespensoort aangetroffen en werd een tot dan onbekende boom geïdentificeerd als een dwaalgast uit Java. (2)

In deze periode hebben we een "Bomen en struikenkaart" laten maken door een student die er zijn scriptie mee verdiende. Te Burgst (3) en Gageldonk (4) werden opgravingen georganiseerd die werden uitgevoerd door de Nederlandse Jeugdbond ter Bestudering van de Geschiedenis in samenwerking met de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. De eerste infrarood luchtopnamen van de Haagse Beemden werden op mijn verzoek gemaakt nog eer deze techniek in Nederland volwassen was. Herhaaldelijk zijn groepen door het gebied rondgeleid en enkele malen ook voor een schoolklas een velddag geleid.

Bij de vragen was er ook een vraag naar oude archiefstukken. Eerst werd gevraagd: heb u nog oude papieren. Dat leverde niet zo veel op: enkele 18e eeuwse koopakten en daar bleef het wel bij. Verderop in de vragenlijst zat de vraag: weet u soms iemand die nog oude papieren heeft? Dat leverde een boel heen en weer gewijs op, maar ook heel veel opmerkingen dat de eigenaar van Burgst nog "heul veul ouwe papiere" moest hebben. Deze man bleek moeilijk benaderbaar, maar uiteindelijk bleek dat hij twee koffers vol had. Dat was het archief van de heerlijkheid en het landgoed Burgst, tevens familiearchief, over de periode 1430 - heden. We mochten daaruit documenten bestuderen, maar de voorwaarde was dat we hem hielpen in zijn strijd tegen de plannenmakers van Breda.

De Haagse Beemden-plannen

Zo raakte de Werkgroep Haagse Beemden via Burgst in de discussie rond de bouwplannen voor de Haagse Beemden verzeild. De heer Smits van Burgst liet mij door zijn advocaat bijscholen in de toen nog nieuwe wet Ruimtelijke Ordening. Het bleek dat gewone burgers weldegelijk iets aan de plannen van de overheid konden doen! Bezwaarschriften en zo. Hoofdzaak was wel dat je méér wist dan de plannenmakers en met name dingen wist die voor de planvorming van belang waren. Samen met die advocaat werd voor Smits een bezwaarschrift gemaakt dat inging op de historische waarde van het landgoed Burgst dat volgens de plannen van 1967 in vier partjes verdeeld zou raken omdat men er een groot kruispunt gedacht had. Ik had de truc geleerd en kon toen namens en met de werkgroep Haagse Beemden een tweede bezwaarschrift opstellen dat inging op de historische en landschappelijke structuren in de rest van de Haagse Beemden die in de plannen geen kans van overleven hadden. Daarbij was van belang dat de Werkgroep door zijn activiteiten als belanghebbende kon worden aangemerkt. Dat bezwaarschrift betekende ook dat we de vergaarde kennis van terrein en geschiedenis nu samenhangend moesten opschrijven. We moesten als het ware tot een eerste synthese komen.

Het plan Haagse Beemden 1967 was gemaakt door de gemeente Breda, maar het gebied was nog Prinsenbeeks. Het was dus de Beekse gemeenteraad die het plan moest goedkeuren en de bezwaarschriften moest beoordelen. Men durfde de Grote Broer natuurlijk niet de plagen en dus werden de bezwaarschriften afgeschoten. Tweede kans: provincie Noord-Brabant. Op de hoorzitting waren mensen van Breda en van de provincie aan de ene kant, Smits, zijn advocaat en mijn persoon aan de andere kant. Het werd een merkwaardige vertoning, Breda wist niet goed of helemaal niet te antwoorden op vragen als:

De advocaat zei na afloop: als ze nu dat plan niet intrekken, dan weet ik het niet meer. Welnu Breda slikte het plan inderdaad in en ging werken aan een nieuw plan: plan 1969. Dat werd een globaal plan waarin allerlei aangevochten punten gehonoreerd waren, behalve het verlangen om de dominante Noord-Zuid-richting te draaien naar Zuidwest-Noordoost, zodat de landschappelijke structuren gemakkelijker ingepast zouden kunnen worden. Door de WGHB en door Smits werd daar niet meer tegen geprotesteerd, maar wel door een loslopende boer en door de gemeente Etten-Leur. Etten wilde graag het ziekenhuis hebben dat in de Haagse Beemden gedacht was. De boer, bijgestaan door de Boerenbond, wees erop dat in Lange Bunders erg lange en vooral smalle percelen zijn die niet meer fatsoenlijk gebruikt zouden kunnen worden als de weipaaltjes zo ver uit de slootkant moesten staan als het plan voorschreef. De advocaat van de bond had echter wat fundamentelers ontdekt: het plan bestond uit twee ruimtelijke delen en het tweede deel zou pas na 10 jaar uitgevoerd worden. Dat mag niet volgens de wet! Deze bezwaren gingen de hele weg: Prinsenbeek, Den Bosch en dan de Raad van State. Toen dan eindelijk de Raad van State uitspraak deed, werd het plan goedgekeurd met uitzondering van één artikel. Dat artikel maakte dat bij de uitwerking van het globale plan tot gedetailleerde bestemmingsplannen wat vrijheid geboden werd. Die vrijheid was er dus uitgesloopt en dan wordt het een moeilijk hanteerbaar plan.

Inmiddels was ik terechtgekomen in de Stedebouwkundige Adviesraad Breda (StAR). In 1971-1973 werkte ik op de Hero en woonde ik weer in Breda. Van 1972-76 was ik plaatsvervangend lid in de StAR voor de sector regionale geografie en landschapszorg en daarna 4 jaar gewoon lid, tevens lid van het dagelijks bestuur. De WGHB kreeg in 1973 de tweejaarlijkse Nassau-Breda-prijs 1970. De prijsjury had daartoe al in 1970 besloten, maar het gemeentebestuur weigerde de prijs aanvankelijk ook toe te kennen: we werden blijkbaar nog te veel als "lastposten" en zelfs door sommigen als "communisten" gezien. Tegen 1972 waren we echter geëvolueerd tot een geaccepteerd gesprekspartner, misschien wel met de bedoeling om ons te kunnen inkapselen, maar op dat gevaar waren we zelf wel bedacht.

De Bredase plannenmakers kwamen vrij kort na de uitspraak van de Raad van State hun uitwerkingsplannen laten zien in een werkgroep van de StAR. Onmiddellijk was duidelijk dat wat ze bedacht hadden (eindelijk die draaiing naar het noordoosten) juridisch niet kon. Dat hadden ze zelf nog niet door, maar het werd later door hun juristen bevestigd. Daarop is wethouder Van Dun boos geworden: alweer vertraging! Daarom heeft hij prof. F.M. Maas van de TU Delft ingeschakeld, die erom bekend stond dat hij wel in staat was om de landschappelijke context goed in een nieuw plan te verwerken.

Het Plan Maas

Op dat ogenblik werkte ik in Delft in hetzelfde gebouw als prof. Maas. Ik zat op de 2e verdieping, Maas op de 7e. Zodra ik zijn inschakeling gewaar werd, heb ik een mooie collectie documentatiemateriaal voor hem gekopieerd en heb ik dat spul naar boven gebracht. Van Breda had hij toen nog niets ontvangen, maar hij kon zich toch al gaan inlezen… Bij dat materiaal zaten ook twee plannen die intussen door Bredase architectenbureaus gemaakt waren. Later zou er nog lawaai ontstaan omdat het plan Maas op die plannen leek. Die gelijkenis ontstond omdat alle drie eindelijk eens uitgingen van het bestaande landschap en daarin de Bredase nieuwbouw trachtten onder te brengen.

Het Plan Maas week dus fundamenteel af van de oude plannen, die allemaal wat Hoge-Vucht-achtig waren. De Bredase gemeenteraad had echter maar met tegenzin ingestemd met het inschakelen van prof. Maas en moest nu dat geheel andere plan accepteren. Het zag er naar uit dat ze dat niet wilden: de ene helft niet omdat ze de Haagse Beemden helemaal niet wilden bebouwen en de andere helft niet omdat ze het kennelijk op de oude manier wel wilden. Het Plan Maas werd uiteindelijk aan de Raad gepresenteerd in een speciale vergadering in het oude Concordia. Enkele raadsleden liepen boos weg, maar op het eind van de rit werd het plan toch geaccepteerd (1975). Dit plan is de basis geworden voor de stadsuitbreiding van Breda in de Haagse Beemden-oost, die in 1977 door Breda van Prinsenbeek overgenomen werden.

Ons streven in ruimer kader

Terugblikkend op deze periode 1965 - 1975 blijkt dat we in de WGBH gewoon meehobbelden met ontwikkeling van allerlei houdingen en ideeën zoals die zich ook elders in Nederland ontwikkelden. We hadden daar echter geen erg in. We lazen ook geen politieke of filosofische geschriften. Communisten of Mao-isten waren we al helemaal niet. Het idee dat het bestaande landschap richtinggevend voor de nieuwe inrichting zou moeten zijn, ontwikkelden we zelf. Toch paste het in het tijdsbeeld.

Merkwaardig is ook dat nu, dertig jaar later, het bij de plannenmakers op allerlei niveau nog steeds niet vanzelfsprekend is om uit te gaan van het bestaande, zodat allerlei zaken die nu "cultuurhistorische waarden" heten, überhaupt of beter tot hun recht kunnen komen. Enkele jaren terug schreef het NIROV een wedstrijd uit om een toekomstbeeld voor westelijk Noord-Brabant te ontwerpen. De oogst aan inzendingen hing in de Grote Kerk ten toon. Veel van die ontwerpen had men net zo goed op de Maan kunnen projecteren: het waren vrij zwevende plannen, zonder verankering in de reële Aarde. Dat is dan het werk van meest jonge, maar ook gevestigde plannenmakers. Bij het studentenvolkje is het helaas niet beter. Mij werd enkele jaren terug gevraagd om een artikeltje te schrijven voor een blad van TU-Eindhoven planologiestudenten. Ik heb dan gevraagd om eens wat nummers van dat blad te mogen doorkijken, om een beetje feeling te krijgen waar ze daar mee bezig zijn. Welnu, men is er fanatiek met de toekomst bezig. Zelfs het heden lijkt amper te bestaan, om van het verleden maar te zwijgen. Van een lange rij afstudeerwerken bleek er maar eentje even naar geschiedenis te kijken. Dat was een plan voor de omgeving van het Drielandenpunt op de Vaalserberg. Op zo'n locatie kun je inderdaad amper om de geschiedenis heen. In mijn artikeltje heb ik geprobeerd de studenten er op te wijzen dat er nog een andere kant aan het heden zit dan alleen de toekomst, en dat ze daar toch ook rekening mee moeten houden. Ik vrees dat het verhaal niet erg aangeslagen is, want ze hebben me niet eens een presentexemplaar gestuurd.

Bij de Ruilverkaveling in het Markdal hier vlakbij, was men de cultuurhistorie in eerste instantie geheel vergeten. In het MER-rapport werd wel geroepen dat daar aandacht aan besteed was, maar pas toen dat al gedrukt stond, kwam men mij vragen die boel eens uit te zoeken. Je loopt dan toch een eind achteraan bij de planvorming, die in dit geval geheel gedomineerd wordt door de eco-maffia. Natuur "herstellen" in het Markdal, wat dan heel saai uitpakt met ruigten van de Duivelsbrug tot aan Meerseldreef. Dat zeker het noordelijk deel van het Markdal zijn waarde juist ontleent aan zeer cultuurlijke zaken zoals oude akkers, landgoederen, landhuizen, belangrijke dreven en zelfs archeologische monumenten, drong niet tot de ruilverkavelaars door. Mijn voorstel was om een geleidelijke overgang van cultuurlijk bij de stad tot natuurlijk aan de grens te ontwikkelen. Dat lijkt me veel interessanter en boeiender dan de homogene natuur van die techneuten. Cultuurhistorie als kapstok voor de planvorming: ze hebben het zich nog steeds niet eigen gemaakt, al roep ik het al 30 jaar. Het is net alsof de planologie geen lerend vak is. Het is net alsof iedereen weer gewoon van voor af aan begint het vak uit te vinden.

Mooie nota's

Toch verandert er wel wat. Die veranderingen zitten echter nog steeds op een hoog abstract niveau en komen heel traag en gebrekkig tot stand. Het effect van alle schone beleidsvoornemens in het veld is veel te gering.

Op 16 april 1992 werd het Verdrag van Malta door de leden van de Europese ministerraad in Valetta ondertekend. Daarmee is het verdrag de opvolger van een verdrag uit 1969 waarin vooral de bescherming van archeologische monumenten werd geregeld. Uitgangspunt van het nieuwe verdrag is dat het archeologische erfgoed al voordat het tot monument is verklaard, integrale bescherming nodig heeft. Dat verdrag wil dat archeologische "waarden" gaaf bewaard blijven en dat de plannenmakers hun plannen zo inrichten dat ze bewaard kunnen blijven. Mocht dat echt niet lukken, dan moeten die waarden netjes onderzocht en gedocumenteerd worden, voordat ze definitief verdwijnen. Nou, dat is mooi, zou je denken. Maar Nederland draalt nu al bijna tien jaar om dit verdrag te vertalen naar harde wetten en maatregelen. Het is net alsof de betonstorters en asfaltsmeerders er onderuit willen komen. Het verdrag zou alleen gelden voor projecten die "groot" zijn, zodat men grote projecten in kleinere moten kan knippen die dan niet onder Malta vallen. We kennen die truc van de MER-rapportages voor bijvoorbeeldde dijkverzwaringen langs de grote rivieren. Dan is er de grote verdwijntruc: men spreekt ineens over het Verdrag van Valetta. Denkt men echt dat we daar intrappen?

Op Rijksniveau werd de nota Belvedere samengesteld. (5) Niet Belvedère, zoals een gewoon mens zou denken, maar heel eigenwijs zonder accentje. Allerlei geldpotjes van ministeries worden daar bijeengeschoven, maar nieuw geld levert het niet op. Bovendien worden op onnaspeurlijke wijze een reeks "Belvedere-gebieden" aangewezen. Het verhaal dat daarover gepresenteerd wordt doet vermoeden dat met erg onvolledige informatie gewerkt is en dat onvergelijkbare eenheden bij elkaar opgeteld zijn. Maar ook dan is niet verklaarbaar wat eruit komt. Het is net alsof stedelijke ontwikkelingsgebieden er bewust uitgehouden zijn: daar wil men de cultuurhistorie niet als lastpost. Alhoewel: het Dommeldal ten noorden van Eindhoven wordt weldegelijk bij de gemeente Eindhoven gevoegd, wat er alleen maar op kan uitdraaien dat het verstedelijkt wordt.

Dan zijn er de streekplannen. In de jaren 1980 heeft de provincie Noord-Brabant twee omvangrijke studies laten doen naar de cultuurhistorische waarden in de provincie, met het doel die waarden in het streekplan veilig te stellen. (6) Heel veel is daar niet van terechtgekomen. Wel verscheen nadien het beroemde Manifest 2050 (7), waarin alleen een ontaarde toekomst te zien is: het verleden wordt haast ontkend. Als reactie daarop werd door de Historische Vereniging Brabant op 7 april 1998 een discussieavond georganiseerd. Men was het er daar over eens dat het verleden in het denken van de plannenmakers en bestuurders een structurele rol moet gaan spelen. De gedeputeerde van dienst meldde braaf dat zulks altijd al het geval was, maar daar merk je dan meestal maar bar weinig van. En het manifest sprak toch a-historische boekdelen… (8)

Daarna is de provincie met een nieuwe inventarisatie begonnen, die in september 2000 resulteerde in een "Cultuurhistorische Waardenkaart" voor Noord-Brabant, inclusief een CD-rom met computer-opvraagprogramma (9). Men ziet daarin kans om op te merken dat er over de historische geografie weinig bekend is, terwijl men die informatie met grote scheppen had kunnen ophalen uit die eerdere twee studies van rond 1985! Bovendien hebben ze kans gezien om de meeste Rijksmonumenten te vergeten. De Grote kerk van Breda en zelfs de Bosse Sint Jan staan er niet op! Dat soort zaken maakt dat je zo'n kaart qua inhoud niet kunt vertrouwen. Plannenmakers die zich er op zouden baseren - en dat is toch de expliciete bedoeling - kunnen flink de mist ingaan. Gelukkig wordt er hard gewerkt aan een aanvulling en verbetering. GS heeft deze maand die correcties vastgesteld en in de loop van 2002 zou er dan een nieuwe CDrom moeten verschijnen. Daarna wil de provincie deze kaart om de twee jaar gaan updaten.

Zo komen we op gemeentelijk niveau. Zoals ik het hier in Breda ervaar, botsen ook hier de belangen van hen die deze stad in de vaart der volkeren willen opstoten zonder dat gezeik van de monumentenboeren; en hen die voor die oude zaken wat meer gevoel hebben. Het idee om voor de gemeente Breda een Cultuurhistorische Waardenkaart te maken (waarin opgenomen alle gebouwde rijks- en gemeentelijke monumenten) en die kaart ook als basiskaart door de plannenmakers te laten gebruiken, is nooit van de grond gekomen. Al sinds 1990 ben ik er mee bezig. Een afgeronde inventarisatie zou door Breda gepubliceerd worden, maar het kwam er nooit van. Daarom heb ik de vorig jaar gemaakte uitbreiding voor Teteringen zelf maar in een compleet jasje gestoken en als rapport uitgebracht. (10) Het blijft echter een dode letter, van integratie in het planningsproces is helemaal geen sprake. De stadsarcheoloog moest in zijn beleidsnota opschrijven dat weldra alles in Breda opgegraven zal zijn dat gevaar loopt en dat hij zijn dienst dus wel kan afbouwen, terwijl er overduidelijk een gigantische achterstand van niet verwerkte gegevens is en juist dat opstoten in de vaart der volkeren de ene na de andere opgraving noodzakelijk zal maken. Maar dat wil de wethouder niet horen, het zou de boel eens ophouden en dat kost maar een hoop geld.

Nu is er dan het plan "Landgoed Breda" dat de toekomst van het nu zeer omvangrijke Bredase buitengebied schetst. (11) Alhoewel de basisnotie aansluit bij het historische landgoederenlandschap rond Breda (12), komt daarvan in de uitwerking bar weinig terecht. Cultuurhistorie als kapstok voor de planning? Nooit van gehoord! Alleen in het zuidwesten (Lies, de Rith, Effen) wil men wat aan cultuurhistorie doen, maar dat komt dan neer op het herbouwen van het landschap van 1900. Bij dat oude landschap hoort echter ook die oude economie en dat maakt dat dit plan niet lukken zal, zonder er erg veel geld in te pompen. Wat krijg je dan? Een stukje museum. Tegelijk gaat men hetzelfde gebied wel ruilverkavelen en aldus juist een boel historie uit het landschap wegschrapen. Wat zijn we eigenlijk aan het doen?

Tot voor enkele jaren was de Belgische ruimtelijke ordening een puinhoop. Iedereen deed maar wat, van ordening was geen sprake en via het politiek dienstbetoon viel het weinige dat geregeld was ook nog te ontregelen. Met de komst van de Gewestplannen begon er wat meer orde te komen, maar ook met die plannen is nog heel wat afgerommeld om in bebouwingsvrije zones te kunnen bouwen, waarbij het koningshuis het slechte voorbeeld gaf (klooster te Opgrimbie). Intussen is de ruimtelijke ordening een bevoegdheid van de Vlaamse regering geworden en een van de eerste initiatieven was het maken van een gewestdekkende inventarisatie van het cultureel erfgoed. Dat mondde dit jaar uit in de publicatie van de "Landschapsatlas" (13). Met name voor de ankerplaatsen stelt men een redelijk rigoureus regime voor. Nu kijken of dat ook in de praktijk gebracht kan worden.

Cultuurhistorische waarden in het landschap: wettelijk vogelvrij

In Nederland hebben we een wet die de archeologische waarden min of meer beschermt. Daardoor zijn er rijks-archeologische monumenten mogelijk, terwijl er ook terreinen met een mindere beschermingsstatus zijn. Bovendien hebben we een wet die het mogelijk maakt om gebouwen als rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument aan te wijzen. Dat lijkt een aardige bescherming te bieden, maar in de praktijk verleent de minister al te gemakkelijk toestemming tot sloop wanneer iemand begint te mekkeren. Toen ik bij Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RMZ) klaagde over de toenemende schade aan het landgoed Valkrust bij Ginneken, wenste men niet te reageren. Men had van de gemeente Breda geen klachten ontvangen. Het probleem was nu net dat de gemeente mee in het komplot zat om dat landgoed te verreneweren. Bovendien is de RMZ heel gelukkig met facade-behoud, waarvan morgen in Den Haag een schrikaanjagend staaltje officieel ingewijd wordt: Haagse Bluf heet het, maar Nationale Schande zou een betere naam zijn.

Daar komt nog bij de RMZ nog altijd een club is die achter de Schone Kunsten aanholt. Bij cultuurhistorische waarden gaat het niet alleen om "mooie" gebouwen, maar ook om gebouwen met geschiedenis, gebouwen met een herinnering, gebouwen waarvan de interne structuur, constructie en inrichting ook waarde kunnen hebben. De Grote Hoeve van Burgst mocht geen rijksmonument worden, omdat er uit alle eeuwen wel een muurtje aan zit: kelder- en fundamentmuren uit de vroege 16e eeuw (jawel, gemetseld, dus bijzonder!); een 18e eeuwse zuidgevel; een 19e eeuwse oostgevel, een stal uit 1920 en een noordmuur uit 1950. Bovendien waren de twee schuren (17e eeuws) wel rijksmonument; had het "jachthuisje" vele jaren Anton van Duinkerke aan het werk gezien en zijn de naastliggende Singeltjes een rijks-archeologisch monument. Het geheel, het ensemble, heeft dus een hoge waarde. Toch mocht de boerderij niet op de lijst: want geen Schone Kunst.

Gemeentelijke monumenten: dat is ook niet alles. U herinnert zich waarschijnlijk nog wel de rel rond Sunny Cottage aan het Wilhelminapark. Dat was het eerste Bredase gemeentelijke monument, maar de eigenaar begon direct te piepen en met advocaten te dreigen. De gemeente deed prompt in zijn broek en ontnam het pand zijn status. Een en ander gaf zo'n opschudding dat op viaducten zelfs kreten voor het behoud van Sunny Cottage gekalkt werden. Zonder effect, het huis werd gesloopt. Door de nieuwe wetgeving komen er veel meer gemeentelijke monumenten. Weet dus dat die helemaal niet veilig zijn. Het gedonder rond de Heilig Hartkerk bevestigt dat extra. Niemand zal ontkennen dat die kerk bijzonder beeldbepalend is op de Baronielaan en in de ruime omgeving; en dat die kerk echt hoort bij de hele sfeer van de Baronielaan. Dat is het toch ook iedereen duidelijk dat er voor dat niet meer functionerende kerkgebouw een nieuwe functie bedacht moet worden die deze waarden intact laat. Uit de jongste geschiedenis blijkt dat zoiets bij de gemeente helemaal niet duidelijk is.

De milieujongens lijken het allemaal veel beter geregeld te hebben. Op grond van wetgeving kunnen ze ijverig aan "natuurbouw" doen en compensatie claimen als er ergens een grasspriet of paddenpad gekrenkt wordt. Men bouwt wildtunnels en wildviaducten. Er is een ecologische hoofdstructuur en er zijn al decennialang relatienotagebieden. Boeren krijgen meer geld als ze minder boeren. Een poging om Zeeuwse polders "terug te geven aan de Zee" zijn mislukt, maar de friezen hebben even niet opgelet en nu worden er daar polders opgeofferd. Dat kan allemaal, daar is blijkbaar een breed wettelijk en populair draagvlak voor. Ook hier gaan overigens wel dingen mis. De verwoesting van het Mastbos die nu gaande is, wordt heel modieus aan volk en politiek verkocht als een natuurbevorderende ingreep, maar ik ontkom toch niet helemaal aan het gevoel dat Staatsbosbeheer gewoon geen cent meer aan het bosonderhoud wil uitgeven, omdat het toch niks opbrengt. Dat eerlijk zeggen zou een storm van protest opleveren, maar verpakt als een milieuvriendelijke bezigheid, kun je het nog net wel verkopen.

Voor archeologische, gebouwde en biologische waarden hebben we dus een wettelijk beschermingskader, al heeft dat zo zijn gebreken. De overige cultuurhistorische waarden in het landschap zijn echter geheel vogelvrij! Zelfs een landgoed valt als zodanig niet goed te beschermen. Zolang het landhuis er nog staat, kun je het landgoed laten meeliften als dat huis een gebouwd monument is. Als er biologische waarden in het landgoed zitten, kun je via de millieukant wat beschermen en als er nog iets ouds in de grond zit, is er de mogelijkheid van archeologische bescherming. Maar als het huis afbrandt, valt de eerste mogelijkheid al weer af! Het landgoed als zodanig, met huis, boerderijen, landerijen, lanen en dreven, bossen en vijvers, theekoepel, grafheuvel, ijskelder, jachthuisje, hermitage, pagode, Noorse zwerfkei, Silezisch berghuis en weet ik wat al niet meer, is niet iets dat eenvoudig te beschermen valt. De jongste uitvinding op dat gebied is de erkenning als "historische buitenplaats".

Wat met het gewone boerenland? Hoe bescherm je een ontginningsblok als het Hoeveneind in Teteringen, met zijn brede ontginningsstroken die 1,5 kilometer lang zijn en op de kop een boerderij hebben? Een deel van die boerderijen is rijksmonument en dan houdt het op. In de CHW-Breda 2001 heb ik de structuur aangegeven. Op de CHW-Nbrab 2001 is hij niet eens afzonderlijk opgenomen, maar op onduidelijke wijze gemixt met een verhaal over de Lage Vucht, waar het Hoeveneind niets mee van doen heeft. Die ontginningstructuur van rond 1300 is dus vogelvrij. We zouden ook dergelijke historische structuren willen beschermen, maar daar is geen wettelijke basis voor. In verhouding tot de milieujongens hebben de beschermers van het cultureel erfgoed nog heel wat te veroveren op het gebied van wet- en regelgeving!

Je zou mogen hopen dat de eis dat er Milieu-effect-rapportages opgesteld worden bij grotere ingrepen enige verlichting in de strijd zouden brengen. Ja heus, er is tegenwoordig zelfs sprake van "Cultuur-historische milieu-effectrapportages". Of dat wensdromen zijn of al echt voorkomende activiteiten weet ik niet. Maar zelfs bij een traditionele MER maken ze er af en toe een potje van. De MER die opgesteld werd voor de ruilverkaveling in en om het Markdal ten zuiden van Breda viel wat mij betreft geheel door de mand, nadat ik er de consumentenbond-truc op losgelaten had. Beschouw iedere variant (hier 3 stuks) en de verplichte nul-variant (de doe-niks variant) als verschillende producten. Beschouw de in de MER behandelde aspecten dan als de te beoordelen kwaliteiten van ieder product en maak een kruistabel. Wat bleek: van de drie varianten werd een hele reeks aspecten beschreven, maar die aspecten bleven onbesproken bij de nul-variant.

De beschrijvingen van de drie inrichtingsalternatieven zijn onderling goed samenhangend en vergelijkbaar. Met het drietal contrasteert de beschrijving van de "AUTONOME ONTWIKKELING". Hierin verschijnen geheel nieuwe onderwerpen, die bij nader inzien ook van toepassing zijn op de drie modellen maar daar niet behandeld worden. Erger nog: er worden ontwikkelingen geschetst die helemaal niet door de modelkeuze beïnvloed kunnen worden, omdat ze extern gestuurd worden. Het zou beter geweest zijn wanneer voorafgaand aan de alternatievenbeschrijvingen aangegeven werd welke processen door de landinrichting niet beïnvloed kunnen worden, om daarna in de modelbeschrijvingen van de alternatieven (waaronder de autonome ontwikkeling) aan te geven welke effecten de wél door de landinrichting te maken keuzen hebben.

Voorbeelden: blijkens het betoog over vermesting komen de normen uit Den Bosch, Den Haag of zelfs Brussel. De kwaliteit van het binnenkomend Markwater wordt in Vlaanderen bepaald, niet door de landinrichting Ulvenhout-Galder. Hoe zit het met de boomteelt in de verschillende modellen? En de melkveehouderij, de tuinbouw? De autowegen A16 en A58 storen in alle modellen even hard, of toch niet?

Opmerkelijk is dat bij de autonome ontwikkeling voor de cultuurhistorische waarden een somber beeld geschilderd wordt, terwijl deze waarden in de modellen TUIN en NATUUR zo te zien op korte termijn veel sterker bedreigd worden dan bij de trage voortgang van de natuurlijke slijtage die cultuurhistorische waarden nu eenmaal ondergaan. In de alternatieven zou moeten worden aangeven of en hoe en waarom de slijtage meer of minder is dan in de "autonome ontwikkeling".

Zoals het gepresenteerd werd, kun je dus nooit vergelijken. Ofwel zaten de ruilverkavelaars de boel puur te belazeren, ofwel waren ze heel knullig bezig. Uit mijn contacten men hen begreep ik dat het pure knulligheid was: ze hadden dit nooit eerder gedaan en ze waren dus zelf maar het wiel gaan uitvinden. Hé, waar hebben we dat eerder gehoord? Bij de planologen die ook niks van hun voorgangers wensen te leren! De MER-commissie was heel kritisch, maar uiteindelijk gaat zo'n plan dus toch gewoon door.

Slotbeschouwing

U vond het misschien een droevig en kritisch verhaal dat ik u voorzette. Ondanks alle juichende politieke persberichten en toespraken, ben ik inderdaad nog al teleurgesteld. In de laatste dertig jaar lijkt het plannenmakersvolkje weinig geleerd te hebben over de omgang met cultuurhistorische waarden.

Er is grote behoefte - bij mij althans - aan een verplicht opleidingselement dat de student en de te herscholen praktiserend plannenmaker een reeks gereedschappen en uitgangspunten aanbiedt, waardoor zij in de toekomst het historische landschap met alles er op en er aan (archeo, gebouwde en ongebouwde waarden) als uitgangspunt, als kapstok voor hun plannen kunnen gaan gebruiken. Die gereedschappen bestaan deels uit technische vaardigheden en deels uit kennis van wet- en regelgeving en de bestaande subsidiemogelijkheden.

Een belangrijke notie die bijgebracht moet worden is dat het niet alleen gaat om de schone schijn, om de buitenkant zoals bij de Haagse Bluf. Voor de toerist is dat misschien voldoende, maar we verkwanselen onze omgeving toch niet voor de al dan niet betalende passant? Het is toch onze omgeving en die is er toch ook voor ons zelf? Houtwal, akker, laan of verkavelingspatroon: ze vertellen een stukje geschiedenis in hun zichtbaar uiterlijk, maar ook in hun binnenste. Eigenlijk is dat een vorm van archeologie die niet bedreven wordt: landschapsarcheologie. Als je dergelijke zaken in ter terrein verplaatst omdat het beter in een plan uitkomt, bouw je wel een coulisse na, maar de informatie die in de structuur besloten ligt ben je kwijt. Dan is het weer Haagse Bluf.

Nu kun je best allerlei waarden willen beschermen, maar we leven in een democratie. Dus: als het volk er de waarde niet van inzit, gaat het feest niet door. De waarden moeten dus - via onderzoek en literatuurvorsing - niet alleen aan de deskundigen en plannenmakers bekend zijn, ze moeten ook aan "Het Volk" kenbaar gemaakt worden. Daarvoor worden al wel wat initiatieven genomen, maar dat is onvoldoende. We hebben een mooi net van ruim 100 heemkundekringen, maar daarmee bereik je slechts een 26.000 mensen van de 2,4 miljoen in Noord-Brabant: 1 procent! Dat is dus niks, dat moet dus beter. Deugdelijke informatie via gedrukte en andere media, en vooral ook ter plaatse, kan veel meer mensen bereiken.

Het belangrijkste is echter dat de bescherming van cultuurhistorische waarden in het landschap een wettelijke basis krijgt en een machtige lobby. We kunnen van de milieujongens op dat punt nog heel veel leren.


Noten

1. Leenders, K.A.H.W.. 'De geologische geschiedenis van Brabant'. Fibula 9 (1968) 29 - 32; 49 - 51. Leenders, K.A.H.W.. 'Bodemkundige onderzoeken in de Haagse Beemden en hun consequenties -slot-'. Fibula 9 (1968) 70 - 72.

2. Leenders, K.A.H.W. e.a.. Burgst en de Moeren. Het groene hart van de Haagse Beemden-oost. Breda, 1975. [uitg. KNNV afd. Breda en Biota; stencil, 90blz, krtn, foto's.]

3. Leenders, K.A.H.W.. 'Burgst'. Hage (1973) nr. 9, 4 - 34. (met een bijdrage van T. Hoekstra).

4. Kappelhof, A.C.M.. 'Verslag opgravingen Gageldonk 1973'. Hage nr. 10 (1974) 14 - 25.

5. Feddes, F. (eindred.). Nota Belvedere : beleidsnota over de relatie cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting. Den Haag (VNG uitgeverij), 1999.

6. Renes, J.. West-Brabant: een cultuurhistorisch landschapsonderzoek. Waalre, 1985. (Bijdragen tot de studie van het Brabants Heem nr.26); Bont, C.H.M. de. '... Al het merkwaardige in bonte afwisseling...'. Een historische geografie van Midden- en Oost-Brabant. Waalre, 1993.

7. Broes, H., C. Gijzen (red.). Manifest Brabant 2050. 's-Hertogenbosch (Projectbureau Brabant 2050), [1997].

8. Walravens, J.. '(G)een toekomst zonder verleden? Historici en bestuurders debatteren over Brabant in 2050.' Noordbrabants Historisch Nieuwsblad 12 (1998) nr. 2, 4-6.

9. Provincie Noord-Brabant. Kookboek cultuurhistorie. Kwaliteit als grondslag. Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant. (ongepagineerd, met 2 CD-roms, ISBN 90 5345 178 1)

10. Leenders, K.A.H.W.. Cultuurhistorische landschapsinventarisatie gemeente Breda, aangevuld met de voormalige gemeente Teteringen. Den Haag, 2001.

11. Booij Communicatieadvies & organisatie Breda. Landgoed Breda. Discussie over toekomst buitengebied. Breda (Gemeente Breda, dienst RME), 1999. Gemeente Breda. Landgoed Breda, bestuurlijke visie. Breda (Gemeente Breda, RME - ROSV), 2001.

12. Leenders, K.A.H.W.. 'Het landgoederenlandschap rond Breda'. Jaarboek de Oranjeboom 52 (1999) 1 - 63.

13. Hofkens E., Roosens I. (eds.). Nieuwe impulsen voor de landschapszorg. De landschapsatlas, baken voor een verruimd beleid. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Monumenten en Landschappen, Brussel, 2001. (191 blz., eng. en fr. samenvatting, met CD-rom, ISBN = 90-403-0128-X)


versie 28 november 2001
© Copyright : dr K.A.H.W. Leenders