Dankwoord
Mijnheer de commissaris van de Koningin,
Mijnheer de voorzitter en leden van de jury,
Waarde professor Van Uytven,
Dames en heren,
Het is voor mij een grote eer en een blijk
van bijzondere erkenning voor zo'n veertig jaar bezigheid in de geschiedenis
en de toekomst van Brabant, dat ik vandaag de Historische Prijs van Noord-Brabant
2002 in ontvangst mocht nemen. Ik dank de jury dat zij mij voor deze prijs
heeft willen voordragen en het bestuur van de Stichting BRG dat deze voordracht
honoreerde. Ik dank ook de provincie Noord- Brabant, niet alleen voor het
beschikbaarstellen van deze royale Boisleduczaal, maar vooral voor het
beschikbaarstellen van de benodigde middelen waardoor het instellen van
de prijs en het ondersteunen van de wetenschappelijke geschiedbeoefening
mogelijk werd. De organisatoren van deze middag dank ik omdat ze in de
sprekerslijst mijn grensoverschrijdend bezigzijn tot uiting gebracht hebben.
Amateur
Nadat de eerste Historische Prijs aan een echte historicus -- zowel qua opleiding als qua beroep --werd uitgereikt, is de laureaat van vandaag iemand die langs een deels andere route in het historisch bedrijf van Brabant terechtgekomen is. Ik voel me nog altijd een amateur en dankzij deze prijs zelfs een goede amateur. Dat de prijs aan mij toevalt moge daarom een stimulans zijn voor al die andere goede amateurs die in Brabant met geschiedenis bezig zijn.
Ik voel me inderdaad nog steeds een amateur op het gebied van de Brabantse geschiedenis, temeer omdat ik mijn brood verdien door voor de provincie Zuid-Holland de toekomst van bevolking en woningbehoefte van die provincie te peilen en te duiden. Het komt er op neer dat ik in werktijd met de toekomst van Holland bezig ben, en in vrije tijd met het verleden van Brabant. Op die manier bijten die twee elkaar niet en ontstaan er geen problemen.
Het ongebonden-zijn in het historisch onderzoek heeft zeker aantrekkelijke kanten. Als het in mij opkomt om iets idioots als de geschiedenis van het prikkeldraad te gaan uitzoeken, hoef ik geen moeilijke commissies te bestoken met ellenlange aanvraagformulieren. Ik ga gewoon aan de slag. Evenmin heb ik problemen met Haagse ambtenaren voor wie exotische oorden als Antwerpen, Gent of Brugge toch echt in een ver, ver buitenland liggen. Ik ga er gewoon heen als me dat nuttig lijkt. Zo kan ik mijn onderzoek aan weerszijden van de grens zonder hinder van rare regeltjes gewoon uitvoeren.
Het ongebonden-zijn, het niet aan een goed geoutilleerd historisch instituut verbonden zijn, heeft natuurlijk ook nadelen zoals het ontbreken van een goede bibliotheek binnen handbereik. Maar in Den Haag staan gebroederlijk naast elkaar de Koninklijke Bibliotheek en het recent van naam verschoten Algemeen Rijksarchief, nu Nationaal Archief, zodat ik toch niet te klagen heb.
ß-achtergrond
Als HBS-er na een stukje studie in de wis- natuur- en sterrenkunde alsnog in de geschiedenishoek terechtkomen, betekent dat je wat bijzondere bekwaamheden hebt, en ook wel enkele andere mist, vergeleken met "echte" historici. In mijn gewone werk ben ik veel bezig met cijfers, statistiek, wiskundige modellen en computers. Die handigheid kan ik misschien gemakkelijker dan anderen ook in het historisch bedrijf toepassen. Het wiskundige model dat ik ontwikkelde voor de hoogteligging van de bovenkant van het allang verdwenen veen in westelijk Noord-Brabant en het noorden van Antwerpen, moest ik bij enkele weken geleden overleden prof. Verhulst in Gent maar eens komen uitleggen. Voordien vond hij het "fantastisch" in de zin van "ál te fantasierijk". Na de uitleg vond hij het nog steeds "fantastisch", maar dan in de zin van "nooit gedacht dat zoiets kon". Blijkbaar had ik hem overtuigd.
In 1978 was in het Noord-Brabants Museum de tentoonstelling "Dorpen in Brabant" te zien (1). In de methodologische kritiek die ik formuleerde naar aanleiding van de daar vertoonde nederzettingstheorieen van Kakebeeke en Steegh (2), kan ook het een en ander uit de bèta-hoek geproefd worden. Doordat ik niet langs de geijkte paden ben gegaan, zit ik ook wat minder in één straatje gevangen. Daardoor valt het me makkelijker om elementen uit de geologie, bodemkunde, archeologie, naamkunde, volkskunde, geografie en gewone geschiedenis in een interdisciplinair geheel te combineren.
40 jaar
Veertig jaar ben ik al bezig, misschien al wel langer. Met mijn ouders heb ik veel gewandeld, vanaf de Baronielaan in Breda het Mastbos door naar Meersel-Dreef, of over Ulvenhout naar Strijbeek. Met mijn vader heb ik veel gefietst. Onderweg kwamen we tal van landschappen tegen die iets ouds over zich hadden. Het Mastbos was een heel oud bos, maar hoe oud? Dat Meerseldreef als bedevaartsoord, waarom lag het niet wat dichter bij de stad? En al die turfvaarten richting Zundert: waar kwam die turf vandaan en waar ging hij heen? Zo kwamen de eerste historische en steeds aan het landschap gekoppelde vragen in mij op. Op het archief van Breda begon ik met schoolvrienden aan onderzoek van oude huizen. Archivaris Brekelmans en zijn medewerkers wezen ons de weg in het archief en leerden ons oud schrift lezen. Zo kwam in 1963 mijn eerste publicatie tot stand: Het Gele Boekje. (3) Daar was alles mee mis wat mis kon zijn, maar wat wil je bij een eersteling? Het was een ongetitelde ongedateerde gestencilde uitgave met -- naast andere bijdragen -- van mijn hand de "Inleiding" en korte artikelen over Het Huis van Brecht en het Huis De Drie Moren.
Dit was het begin van een geleidelijk groeiende interessecirkel. Na de binnenstad van Breda volgde het gebied Haagse-Beemden-oost, waar Breda een grote stadswijk plande. Met de Werkgroep Haagse Beemden bleek het mogelijk om die plannen uiteindelijk zo om te vormen dat aan de cultuurhistorische waarden van het gebied zoveel mogelijk recht werd gedaan. Professor F.M. Maas werkte dat uitgangspunt uit in het ook grotendeels uitgevoerde Structuurplan Haagse Beemden van 1975. De Werkgroep breidde zijn werkgebied uit tot heel het oude Princenhage. Vervolgens werd door mij ook Etten onderzocht, waaruit het boek Etten en de Turf (4) voortkwam. Daar leerde ik hoe de verdwenen venen teruggevonden konden worden door een combinatie van archief- en terreingegevens. Die techniek paste ik daarna toe op een ruimer studiegebied. Zo kwam het boek Verdwenen Venen (5) tot stand. In dat boek, dat bekroond werd met de Geschiedenisprijs van België, laat ik zien dat er in de streek tussen Antwerpen en Geertruidenberg grote veengebieden geweest zijn, waar ze gelegen hebben en hoe ze verdwenen zijn. Daarop volgde mijn promotieproject (6) dat de middeleeuwse landschappelijke en institutionele geschiedenis van ruwweg hetzelfde gebied betrof.
Cultuurhistorische waarden in de landschapsplanning
Al die 40 jaar ben ik bezig met geschiedenis van zaken die een sterke binding met het landschap hadden. Ook al heel vroeg werd een verband gelegd met de planning voor de toekomst. Het oude-huizen-project steunde op het gevoel dat die huizen het niet lang meer zouden volhouden. Bij het Haagse-Beemden-project werd duidelijk dat je best wat aan de toekomst kunt bijdragen vanuit het verleden. Dat werd zelfs geïnstitutionaliseerd toen ik 8 jaar lang (1972 - 1980) in de Stedebouwkundige Adviesraad van Breda voor de historische aspecten van het buitengebied mocht opkomen. De binnenstad was bij Jean Bergé in goede handen. De laatste jaren krijgt dit aspect vooral vorm in rapporten die ik maak voor Ruilverkavelingscommissies, gemeenten in Noord-Brabant en Antwerpen, de provincie Noord-Brabant en ook de landschapbeheerders van de Vlaamse Gemeenschap. Daarin maak ik op basis van een studie van de landschapsgeschiedenis van het betrokken gebied een reconstructiekaart. Daarop staan allerlei meer of minder interessante historische landschappelijke structuren aangegeven die ooit bestonden. Vervolgens wordt op de relictenkaart aangegeven wat daar in het huidige landschap van over is en hoe die overblijfselen in "ensembles" samenhangen. Deze benadering biedt meer mogelijkheden om een interessant verhaal te vertellen bij een relict, dan wanneer alleen mechanisch nagegaan wordt of bepaalde elementen in het landschap ook op oude kaarten terug te vinden zijn. Zo wordt het eenvoudiger om historische argumenten te geven voor het behouden of herstellen van een deels verdwenen stukje landschap. Dergelijke achtergrondverhalen verbreden ook het draagvlak bij de bewoners en gebruikers van het gebied.
Het probleem blijft echter om deze cultuurhistorische waarden op een of andere manier in het nieuwe landschap een plaats en functie te geven. Ik wil duidelijk zijn: dat is mijn vak niet. Helaas blijkt dat veel mensen die dat vak wél beheersen dermate op de toekomst gefixeerd zijn, dat het verleden in hun belevingswereld niet lijkt te bestaan. Van een hele stapel Eindhovense afstudeerwerken van aspirant-plannenmakers bleek er maar één oog voor het verleden te hebben. Dat was een plannetje rond het Drielandenpunt bij Vaals, een ontwerp waarbij de vraag "hoe ist zoe gekoemen?" blijkbaar niet ontweken kon worden. Als de plannenmakers alleen de toekomst gewaar zijn, dan komen de cultuurhistorische waarden uit een wereld die hen volslagen onbekend is, een wereld waarmee ze geen affectie hebben. Dat maakt het voor hen niet eenvoudiger om met die waarden iets moois te doen.
Bovendien worden die waarden vaak veel te laat in de planning ingebracht. Dan worden het obstakels, net als de Korenwolf of een plek met chemisch afval. De Ruilverkavelingen kloppen in feite pas na 25 jaar ploeteren bij me aan met de uiterst beperkte vraag welke sloot weg kan en welke niet. Het is zaak om de Cultuurhistorische Waarden al bij de allereerste opzet van een plan mee te nemen. Als je dat doet, kan de Cultuurhistorie mee de hoofdstructuur vormen waarin alle andere planelementen ingepast worden. Plots zit de Cultuurhistorie dan niet meer in de weg. Dit is in wezen wat professor Maas in 1975 bij de Haagse Beemden al deed. Ik pleit dus niet voor iets nieuws, maar voor een aanpak die al ruim een kwart eeuw oud is en toch veel te weinig toegepast wordt. Je zou je haast afvragen: Leren die plannenmakers dan niks van elkaar, vinden ze allemaal zelf opnieuw het wiel uit?
Er zijn ook hele boze plannenmakers die een bladzijdetje cultuurhistorie alleen maar invoegen omdat het nu eenmaal volgens een wet of reglement moet. Ze zijn dan echt niet van plan er ook iets mee te gaan doen. Daar mag wat mij betreft de flitsspuit overheen! Die spuit mag ook gericht worden op lieden die aan de commissie voor de Milieu Effect Rapportage schrijven dat met de Cultuurhistorie goed rekening wordt gehouden, terwijl ze het minimaal benodigde inventariserende onderzoek nog moeten gaan uitbesteden.
De Natuur- en Milieu-lobby
De plannenmakers en de beleidsmakers bij provincie en gemeenten hebben al jaren voordurend te maken met de natuur- en milieubeweging. Die heeft intussen een vaste plek in de planning verworven en kan daardoor relatief veel goeds voor natuur en milieu voor elkaar krijgen. Zo is er het beleidsinstrument van de "Ecologische Hoofdstructuur" en zijn er al veel langer "Relatienotagebieden". Zover is de Cultuurhistorie nog lang niet. De provinciale Cultuurhistorische Waarden Kaart is een gedurfde poging om een beleidsinstrument te scheppen, maar zolang de Bossche Sint-Jan en alle andere rijksmonumenten er niet op staan, is het een misleidend document. Dat de Cultuurhistorie zijn plek nog moet veroveren bleek afgelopen jaar ook uit het feit dat men meende bij de Reconstructiecommissies voor de revitalisering van het landelijk gebied de Cultuurhistorie door de natuur- en milieumensen te kunnen laten vertegenwoordigen. Blijkbaar beseft men niet dat het om twee fundamenteel verschillende belangen gaat die soms tot dezelfde conclusie leiden, maar soms ook helemaal niet.
Als voorbeeld noem ik slechts het Populierenlandschap. Dat was van 1750 tot 1950 heel belangrijk in de streek direct ten zuiden van Den Bosch. Het hing samen met extra verdiensten voor de boer, met een klompenindustrie die een forse uitvoer naar Holland genereerde en met een bijdrage aan de ontwatering van veel te natte gronden. Nu klompen uit de mode zijn en het grondwater flink gezakt is, krimpt het Populierenlandschap snel in. Als Cultuurhistorisch fenomeen heeft het echter een waarde die het verdedigen waard is. Fanate ecologen zullen evenwel wijzen op de uitheemse, dat wil zeggen Canadese, herkomst van die bomen en dat is in hun ogen heel erg fout. Ook het feit dat er maar weinig boeiende onderbegroeiing is, maakt dat wat hen betreft alle Canada's het land uitmogen, te beginnen uit de Meierij.
Vanuit de natuurbeweging wordt geijverd voor herstel van het "oorspronkelijke landschap". Helaas is dat laatste begrip fundamenteel ongedefinieerd door de voortdurende dynamiek van het landschap. Hoe ver wil je teruggaan? 3,8 miljard jaar, toen de Aarde net stolde? 2 miljoen jaar, toen de streek die nu Noord-Brabant is als een soort waddenzee uit het water oprees? 10.000 jaar, naar de toendra aan het eind van de laatste IJstijd? Of naar de climax van het woud enkele duizenden jaren later? Of toch maar gewoon het kaartbeeld van rond 1900 dat zo fraai op de Bonnekaartjes vastgelegd is? Het "oorspronkelijke landschap" is een mistgordijn, een afleidingsmaneuvre! In feite wil men een "modellandschap" aanleggen waarin de ecologische theorie in praktijk gebracht wordt. Daar is niks mis mee, maar noem het dan gewoon eerlijk zo! Het ecologische modellandschap is echter fundamenteel strijdig met de culturele, biologische en fysische dynamiek in het landschap.
Nog veel te onderzoeken
Vanuit de cultuurhistorie wil ik liever een eerbied voor nog bewaarde gave elementen in het landschap bepleiten, dan deze ijverige theoretische landschapsbouw. Immers er is nog een heleboel dat we niet weten. Ja, er wordt wel van alles over de achtergrond van elementen uit het landschap geschreven, maar wie daar kritisch naar kijkt ontdekt dat de basis van die verhalen heel smal is.
· Er zijn amper houtwallen op hun ouderdom, opbouw en begroeingsstructuur onderzocht.
· De zel-as van westelijk Noord-Brabant is op één enkele eenvoudige chemische analyse na nog steeds een geheim. De ontrafeling ervan zou ons veel kunnen leren over de middeleeuwse zoutproductie.
· De bolle vorm die veel akkers in het westen hebben, werd alleen in het Waasland aan onderzoek onderworpen. We weten dus niet of de Brabantse een gelijke genese hebben of niet.
· De archeologen vinden overal "Romeinse Potstallen". Monsters werden er wel uit genomen, maar analyses ervan zijn me nog niet bekend.
· Over de ouderdom van sommige bomen en bossen is door de bomenkenner Rövekamp wel wat spannends opgeschreven, maar aansluitend historisch en veldonderzoek bleef uit. Kritiek was er dus te over.
· Over de datering van stuifduinen schrijft men vaak de verhalen over de Veluwe over, terwijl de Belgische geologen toch wel wat anders te melden hebben dat dichter bij de Noord-Brabantse werkelijkheid lijkt te liggen. Lokaal onderzoek ontbreekt vrijwel.
· Aan het onderzoek van oude wegen -- pré-Romeins, Romeins of Middeleeuws -- is eigenlijk nooit iets gedaan. De vragen die kanunnik Prims al in 1937 over de oude wegen stelde (7), bleven onbeantwoord.
· Op volstrekt onverwachte plekken kunnen bovendien de mooiste sporen van leven en werken in het verleden opduiken, zoals bleek in het Gastels Laag.
· Luchtfoto-onderzoek zoals dat met groot succes in Vlaanderen werd uitgevoerd door Semey en de zijnen (8), werd hier nog nooit beproefd.
Alle gewoel en gegraaf vanwege "landschapsbouw", "ontwikkeling", "reconstructie" of wat voor reden ook vormt een bedreiging voor de onderzoekbaarheid van deze problemen. Ook het feit dat er niet zoiets bestaat als "landschapsarcheologie" is een bedreiging want er wórdt helemaal niks onderzocht, ook al zou je het bewaren.
Het zou goed zijn als de cultuurhistorie -- waaronder ik begrijp het geheel van gebouwde en archeologische waarden plus de historisch-landschappelijke waarden -- ook zo'n vaste plek in wetten, overleg, onderzoek en planning zou krijgen als de natuurbelangen. Het zou heel nuttig zijn als de plannenmakers werd bijgebracht dat het verleden heus bestaat en interessant kan zijn. De Cultuurhistoirie moet bewapend worden met instrumenten als "Cultuurhistorische Hoofdstructuur", "Cultuurlandschapsmonumenten", een deugdelijke Cultuurhistorische Waardenkaart met een daaraan gekoppeld beleid zonder slappe knieën, en vooral met een actieve onderzoekstraditie die "landschapsarcheologie" mag heten.
Het landschap van de toekomst
In mijn jongste publicatie in het Noordbrabants Historisch Jaarboek (9) wijs ik op de alom aanwezige dynamiek van het Brabantse landschap. Die dynamiek was er zowel in de loop van de tijd, als van plaats tot plaats in de ruimte, als in de combinatie van beide factoren. Dat landschap was niet zomaar een traditioneel decor maar het had een functie. Dat was vaak een functie voor het boerenbedrijf en het waren de boeren die de grootste delen van het landschap vorm gaven.
Er zijn in de laatste duizend jaar complete landschappen verdwenen en complete landschappen verschenen. Zelfs zijn er landschappen geweest die enkele eeuwen belangrijk waren en dan weer verdwenen. Bovendien waren de ontwikkelingen in de verschillende delen van Noord-Brabant helemaal niet gelijklopend. Ontwikkelingen verplaatsten zich in de tijd van streek tot streek en zelfs op korte afstand leidde verschil in bodemgesteldheid al tot een uiteenlopende landschappelijke ontwikkeling.
Een landschap weerspiegelt zijn functies. Zonder schapen en een problematisch mesttekort was er geen heide geweest. Zonder klompen was er geen populierenlandschap geweest en zonder goede afzetmarkt voor al dan niet veredeld populierenhout, zal dat landschapstype ook niet meer terugkomen. Beroofd van zijn functies bleek het heggenlandschap ten dode opgeschreven. Nu de grote dammen in Zeeland en de op Deltahoogte gebrachte buitendijk van Brabant de gevaren van de zee buitensluiten, gaan stemmen op om de binnendijken op te ruimen. Zo zal echter de afleesbaarheid van de genese van het polderland veel geweld worden aangedaan.
Wie het toekomstig landschap van Noord-Brabant vorm wil geven, moet niet alleen een passende regionale geleding aanbrengen die recht doet aan vanouds overgeleverde waarden. Hij moet zich bovendien goed vergewissen dat het ontworpen landschap door zijn eigen functie overeind gehouden kan worden, terwijl het zich met het veranderen van die functies moet kunnen meeontwikkelen. Als we daarbij een overheersing door het globalistische "Leisure and Pleisure-landscape" -- zoals dat onlangs misschien wat chargerend door Tracy Metz beschreven werd -- kunnen vermijden, hebben we kans op een levend en levensvatbaar landschap dat ook nog met recht Noord-Brabants mag heten.
1. A.W.A.Th. Steegh. Dorpen in Brabant. Den Bosch, 1978. (catalogus van tentoonstelling).
2. K.A.H.W. Leenders, 'Nederzettingsonderzoek'. Brabants Heem 30 (1978) 118 - 124.
3. K.A.H.W. Leenders. Het Gele Boekje. (Ongetitelde ongedateerde uit gave van de afdeling Breda van de NJBG, met van de hand van K.A.H.W. Leenders: 1) Inleiding; 2) Het Huis van Brecht; 3) Geschiedenis van het pand Visserstraat 31).
4. K.A.H.W. Leenders. 'Etten en de turf'. Jaarboek De Oranjeboom 32/33 (1979 / 1980) 1 - 140. (Ook als zelfstandig boek: K.A.H.W. Leenders. Etten en de turf. Etten - Leur, 1980 ISBN 90 70432 01 3)
5. K.A.H.W. Leenders. Verdwenen Venen. Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad. 1250-1750. Brussel/Wageningen, 1989.
6. K.A.H.W. Leenders. Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde. Ontginnings- en nederzettingsgeschiedenis van het noordwesten van het Maas - Schelde - Demergebied, 400 - 1350. Een poging tot synthese. Zutphen, 1996. (80 blz, ISBN = 90.6011.970.3.).
7. F. Prims, A. Verhaert, J. van Gorp, A. van Gorp, K. Peeters, R. Havermans. Kempische landschapsgeschiedenis. Antwerpen, 1937. (6e historisch congres, Hoogstraten, 1937.)
8. F. Vermeulen, M. Antrop (eds.). Ancient lines in the landscape. A geo-archaeological study of protohistoric and Roman roads and field systems in northwestern Gaul. Leuven (Peeters), 2001. (VI+236 blz.; ISB = 90-429-0991-9)
9. K.A.H.W.
Leenders. 'Het dynamische landschap van Noord-Brabant'. Noordbrabants
Historisch Jaarboek 19 (2002) 46 - 89.
versie 13 december 2002