CONCURRENTIE OF NAVOLGING?

Ruimtelijke planning in het centrum van Boxtel in de dertiende eeuw

K.A.H.W. Leenders

Verschenen in: Brabants Heem 52 (2000) 59 - 72.

Alhoewel Boxtel een van de oudere dorpen in Noord-Brabant is, is er aan de middeleeuwse geschiedenis van die plaats opvallend weinig aandacht besteed. (1) Ook de historische geografie van Boxtel is nog nauwelijks aan bod gekomen. (2) In het kader van de voorbereiding van een rapportage voor de ruilverkaveling Sint-Oedenrode heeft Karel Leenders ook het oostelijk deel van de gemeente Boxtel onderzocht. Bij het raadplegen van de archiefbronnen vond hij gegevens die voor het centrumgebied van Boxtel van belang zijn en die hieronder in een smal en in een breed kader worden gepresenteerd. Het smalle kader is een schets van de ontwikkeling van het centrale gebied van Boxtel, dat ook wel 'Boxtel-Binnen' wordt genoemd. In bredere zin laat deze bijdrage zien dat ook Boxtel moet worden betrokken in het onderzoek naar de Brabantse hertogelijke expansie in de twaalfde en dertiende eeuw. Concurreerde de heer van Boxtel met de hertog? Of volgde hij hem slechts na?

De Brabantse expansie in de twaalfde en dertiende eeuw is de laatste jaren sterk in de aandacht komen te staan. Interessant is dat daarbij vanuit diverse invalshoeken en op verschillende schaalniveaus naar deze ontwikkeling wordt gekeken. Dat belooft over enkele jaren een nieuw, genuanceerd en afgewogen inzicht in de ontwikkeling van het hertogdom Brabant op te leveren. Het onderzoek richt zich op de periode tussen de Merovingische tijd en de veertiende eeuw. Zo geeft Pim Verwers in zijn proefschrift en in andere publicaties een overzicht van het archeologische vondstmateriaal uit Noord-Brabant dat gedateerd kan worden in het vroegste deel van deze periode. (3) Frans Theuws en zijn collega's plaatsen de ontwikkeling van bewoning en samenleving in het Maas-Demer-Scheldegebied gedurende de vroege Middeleeuwen in het kader van de centrum-periferie-problematiek van de Zuidelijke Nederlanden en de opname van dat studiegebied in het Frankische rijk. (4) Bij Eduard Van Ermen vinden we zowel een verhandeling over de vorming van het machtsbereik van de graaf van Leuven in het zuiden, als een inventaris van het eindresultaat van de Brabantse expansie in de vorm van hertogelijke leengoederen en andere rechten in de late veertiende eeuw. (5) Daartussen zit de interessante periode waarin de Leuvense graaf tot in het Antwerpse en het huidige Noord-Brabant wist door te dringen. Willy Steurs legt daarbij de nadruk op de 'route' langs de kerkelijke domeinen en de vestiging van nieuwe plaatsen en vrijheden. Helaas ontsnappen de bezittingen en invloedssferen van leken nogal eens aan zijn aandacht. (6) Theuws gaat uit van de 'schapenthese': de Kempen zouden voor de hertog een begeerde schapenheide zijn geweest. De wol die daarvandaan kwam kon hij laten verwerken in zijn zuidelijke textielindustriesteden, waarmee hij deze steden tegelijkertijd meer aan zich wist te binden. (7) Veel van de verhandelingen over de Brabantse expansie richten zich op de hertogelijke en kerkelijke activiteiten in de huidige Meierij. Westelijk Noord-Brabant en het noorden van de provincie Antwerpen gingen weliswaar ook deel uitmaken van het hertogdom, maar elders heb ik aangetoond dat daar lokale en regionale heren meer dan de hertogelijke schapen het beeld overheersen. Bovendien werden daar vanaf 1250 grote veengebieden afgegraven, wat dat gebied een andere dynamiek bracht en zelfs enige tijd het karakter van een Vlaamse veenkolonie gaf. Ik confronteerde bovendien de Brabantse expansie met die van Holland. (8) De inrichting van het land ontsnapt evenmin aan de aandacht. Paul Arts analyseert vanuit een Europees kader het zestiende-eeuwse parochiepatroon van het hertogdom Brabant en koppelt dit aan allerlei geografische factoren. Daarnaast signaleert hij invloeden van antropogene aard. Deze aanpak laat toe het lokale en beschrijvende niveau te overstijgen en tot meer algemeen geldende hypotheses te komen. (9) De vorming van de dorpen en de uitbouw van het hertogelijke domein in de Meierij tijdens de Brabantse expansie worden thans nader onderzocht door Martien van Asseldonk. (10) Hein Vera ziet niet alleen de heide met schapen, maar probeert tussen de bomen van de rond 1200 resterende bossen de hertog bezig te zien in concurrentie met de oude bos- en wildernisgebruikers. Vanuit die confrontatie wil hij de ontwikkeling van rechten op de gemene gronden in een nieuw licht stellen. Vanuit het gebruik van die gronden ontwikkelt hij ook nieuwe ideeën over bemesting en akkerbeheer. (11) Reinout Rutte richt zich opnieuw op de nieuwe plaatsen en vrijheden en tracht zo de hertogelijke stedenpolitiek en stadsplanning te doorgronden. (12) Dit gehele fascinerende veld van interne en externe krachten rond de Brabantse expansie in noordelijke richting zal door Astrid de Wachter geplaatst worden in het wereldsysteem zoals in de jaren zeventig door Wallerstein is geformuleerd. (13)

De stichting van nieuwe woonplaatsen, ja zelfs steden, door de hertog van Brabant in de late twaalfde en vroege dertiende eeuw is een van de geliefde thema's uit het hierboven geschetste onderzoeksveld. Daarbij wordt over het hoofd gezien dat ook kleinere heren een dergelijke inspanning deden. (14) Bovendien valt het op dat aan een aantal nieuwe plaatsen uit die periode wel een deugdelijke studie is gewijd (15), terwijl andere nova oppida nog niet zijn onderzocht. (16) In dit artikel wil ik de aandacht richten op één plaats die in dit kader als nieuw en onbekend zal voorkomen, namelijk Boxtel.

De Dommel en de burchten

Boxtel ligt aan de rivier de Dommel, de centrale waterstroom van de Meierij van 's-Hertogenbosch. Vanaf Eindhoven stroomt de Dommel ruwweg noordwaarts. Bij de kom van Sint-Oedenrode buigt de rivier naar het westnoordwesten en bij Boxtel opnieuw naar het noorden. Voordat de Dommel in de negentiende en twintigste eeuw werd rechtgetrokken, zocht deze rivier met talloze bochten en soms extreem grillige meanders zijn weg door het landschap. Tussen Son en Boxtel en tussen Boxtel en Sint-Michielsgestel ligt de rivier in zichtbaar in een dal. Het Dommeldal wordt hier op veel plaatsen door steilranden gescheiden van de hogere akkers ter weerszijden van de rivier. Bij het centrum van Boxtel is de oorspronkelijke landschappelijke situatie vrij onduidelijk door de overwoekering met stedelijke en infrastructurele bebouwing.

In de Romeinse en Karolingische tijd was dit gedeelte van de Dommel een centrum van bewoning. Op de vaak hoge oevers langs het eigenlijke dal werd in die perioden druk gewoond. (17) In de twaalfde eeuw, en wellicht nog eerder, waren zowel in de 'Dommelbocht' bij Sint-Oedenrode als in de bocht bij Boxtel burchten gesitueerd. Dit waren centra van regionale macht. De burcht van Rode lag tussen enkele grote Dommelmeanders en nabij de oudere agrarische nederzetting Eerschot. In Eerschot staat dan ook de parochiekerk, die aan Sint-Martinus gewijd is. (18) Bij de burcht van Rode werd een kapittelkerk gesticht ter ere van het heilige Oda. In de jaren na 1232 ontwikkelde zich rondom deze kerk een nieuwe handels- en bestuursnederzetting. Rode was in de jaren rond 1200 een bestuursdistrict dat een hele reeks dorpen in de omgeving omvatte en waarvan de burcht het machtscentrum was. (19) Via de lokale heren van Rode kwam dit district in handen van de graaf van Gelre, die het in 1231 afstond aan de hertog van Brabant. Rode en de daarvan afhankelijke dorpen waren nadien 'hertogsdorpen', die tezamen ongeveer het kwartier van Peelland vormden. De invloedssfeer van Boxtel lijkt veel kleiner geweest te zijn.

De plaats van de burcht van Boxtel is minder duidelijk. We denken daarbij eerst aan het nog bestaande kasteel van Stapelen, dat in het Dommeldal tussen enkele vergraven riviermeanders ligt. Deze eerste gedachte stuit echter op problemen. Bouwkundig bevat het huidige kasteel geen elementen die erg oud zijn. Bas Aarts veronderstelt dat een in 1832 onbebouwd eiland ten noorden van het kasteel de plaats van de oude burcht zou kunnen zijn. (20) Doordat daar inmiddels de bovenlaag is weggegraven, is die hypothese amper te toetsen. Belangrijker is dat in de twaalfde eeuw naast de familie Van Stapelen ook een familie Van Boxtel actief was. (21) Als de Van Stapelens op Stapelen thuishoorden, waar zaten dan de Van Boxtels? Dit bracht Aarts ertoe om de burcht van de Van Boxtels te zoeken op de ronde, tot rond 1930 nog omgrachte en met rondlopende percelen omgeven hoogte, waarop de aan Sint-Petrus' Stoel te Antiochië gewijde kerk van Boxtel staat. (22) Deze kerk was een eigenkerk van de heer van Boxtel. In 1492 stichtte hij hier een kapittel met negen kanunniken. (23) Het gaat hier in ieder geval om een intrigerende ruimtelijke structuur. (24) Verderop zullen we betogen dat er veel voor de suggestie van Aarts te zeggen valt.

De heerlijkheid Boxtel

De heren van Boxtel waren aanvankelijk rechtstreekse leenmannen van de Duitse keizer. Zo betoogden zij althans in de vijftiende eeuw, maar ook oudere bronnen wijzen erop. (25) De oorsprong van dit rijksleen moet in de tiende eeuw worden gezocht (26) en kan gezien worden in het kader van de pogingen die de Duitse keizer in het werk stelde om rechtstreeks of via zijn bisschoppen weer greep op Texandrië te krijgen. (27) Mogelijk gaat Boxtel terug op een toen gevormd keizerlijk domein.

In 1439 droegen de heren van Boxtel hun heerlijkheid op aan de hertog van Brabant om die vervolgens weer van hem terug te ontvangen, nu als Brabants leen. (28) Het huis Stapelen (zonder heerlijkheid) was al sinds 1312 Brabants leen. (29) Onduidelijk is hoe het huis die status had verworven. De twaalfde-eeuwse Van Stapelens waren vermoedelijk nog allodarii of vrije eigenaren, want de Brabantse hertog had hier toen nog geen invloed van betekenis. In de dertiende eeuw is Stapelen in handen gekomen van de heren van Boxtel en na 1439 zijn het huis Stapelen en de heerlijkheid Boxtel geheel versmolten geraakt. De heren van Boxtel betrokken daarop het kasteel van Stapelen als hun thuisbasis. In Boxtel hebben we tot in de negentiende eeuw te maken met uitgestrekte bezittingen van de heren van Boxtel en hun rechtsopvolgers. Tot die bezittingen behoorden ook het 40 hectare grote bos De Vorst (30) en de aan de noordpunt daarvan gelegen 20 hectare grote domeinhoeve De Vorst, waartoe ook de Vorstakkers (kaart 4) behoorden. (31) De hoeve De Vorst gaat waarschijnlijk terug op een veertiende-eeuwse ontginning van een deel van het bos De Vorst. In 1342 verwierf de heer van Boxtel rechten op dat bos. (32) In dezelfde smeltkroes verdween ook de hoeve van Onrode, die rond 1400 gekocht werd van Willem van Oyen Heinricx zoon. Deze hoeve werd toen een Brabants leen en kan voordien een allodium geweest zijn. (33) Kort na 1330 kocht de heer van Boxtel van Simon en Jan van Mirabello, ontvangers van Brabant, ook nog een pakket van 28 lenen in het rivierengebied. (34) Deze 'hofstede Boxtel' heeft echter niets te maken met de geschiedenis van Boxtel.

De Boxtelse territoriale 'smeltkroes' bevat dus de oude kernheerlijkheid Boxtel, het huis Stapelen, het complex De Vorst, de hoeve Onrode en de hofstede Boxtel in het rivierengebied. Uit de Brabantse leenboeken blijkt niet dat tot het leen Stapelen ook een leenhof en een cijnsboek behoorden. De lenen en cijnzen die we nu aantreffen in het huisarchief van Stapelen zullen dus de lenen en cijnzen van de heer van kern-Boxtel zijn. Er is natuurlijk theoretisch mogelijk dat eventuele lenen en cijnzen van Stapelen allodiaal waren gebleven (en niet een Brabants leen waren geworden), maar daarvoor is nog geen enkele aanwijzing gevonden.

Fase 1: de burcht met toebehoren

De ruimtelijke structuur van de kom van Boxtel was nog niet eerder voorwerp van studie. Alleen aan de structuur van de kerkheuvel is tot nu toe aandacht besteed, onder anderen door H. Thiadens. (35) We zullen hier een ruimer gebied bespreken omdat we daarmee een verhelderende samenhang en een chronologische ontwikkeling kunnen laten zien. We presenteren een aantal fasen en onderdelen op een wijze die past bij de ontwikkeling van een 'burcht-met-agrarisch-toebehoren' naar een mini-stadje.

De oudste elementen van Boxtel-Binnen die we menen te kunnen onderscheiden, zijn op kaart 1 weergegeven en met een nummer aangeduid. Het centrale gedeelte van de kerkheuvel (nummer 1) is een ovaal van 70 bij 100 meter, waarvan de lange as gericht is op 18,5o ten noorden van het oosten. Het is tevens het hoogste deel van de kerkheuvel. Nu ligt hier het kerkhof met de kerk. Op deze plaats zou de burcht van de heren van Boxtel gelegen kunnen hebben. Een hoog onderdeel van de burchtopbouw zou gestaan kunnen hebben bij het 'punt M' van Thiadens. (36) Dit punt is het centrum van de cirkel met een doorsnede van 130 meter die een groot deel van de omringende gracht volgt. Bovendien is dit punt kennelijk het richtpunt geweest van twee lange perceelslijnen ten het noorden hiervan: van het pad naar de watermolens en van de straat genaamd Borgakker. Het centrum van het ovaal ligt vijf meter meer naar de as van de kerk en valt er dus haast mee samen. 'Punt M' bevindt zich nabij de noordwesthoek van het dwarsschip van de huidige kerk.

Het terrein binnen de gracht vertoont aan de zuidkant een uitstulping (kaart 1, nummer 2). Deze uitstulping is 20 tot 40 meter breed en wordt in het midden doorsneden door de Kerkstraat: de oorspronkelijke toegang tot het centrum van de burcht, later en thans de weg die leidt naar de kerk en het kerkhof. Het blijkt dat dit 0,55 hectare grote gebied een volleen van de heren van Boxtel was, genaamd 'de Spijker'. (37) Dit toponiem is afgeleid van het Latijnse woord spicarium, wat staat voor korenschuur. Dit kan niets anders betekenen dan dat de heer van Boxtel hier zijn graanopslagplaats had en dat wijst er weer op dat hier de voorburcht gelegen moet hebben. Bijlage 1 bij dit artikel bevat de documentatie die heeft geleid tot de exacte lokalisatie van de Spijker van Boxtel en kaart 2 geeft weer waar een en ander lag.

De buitengracht van de burchtheuvel en de Spijker zijn op kaart 1 met nummer 3 aangegeven. Tussen de gracht en het centrale ovaal ligt nog een strook grond die in 1832 deels in handen was van de gereformeerde en deels in die van de burgerlijke gemeente van Boxtel. Op deze strook werd onder meer in 1812 het gereformeerde kerkje gebouwd. Daarbij moest geheid worden, want de ondergrond bleek slap te zijn. (38) Mogelijk was de gracht dus ooit veel breder geweest. In 1994 werd aan de rand van het oude kerkhof door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek gegraven om te zien of restauratiewerken schade aan het bodemarchief zouden aanrichten. Bij dit onderzoek, dat heel beperkt was en waarvan de resultaten ondanks herhaald aandringen nog steeds niet op schrift zijn gesteld, werd vastgesteld dat op die plek de bodem te zeer verstoord was om er harde archeologische conclusies uit te trekken. In het onderzochte terrein aan de kerkhofrand bleek niet dat er in de buurt een motte had gelegen. De aanwezigheid van een burcht is desondanks niet uitgesloten. (39) Sterker nog, castelloloog en archeoloog Hans Janssen stelt dat het onderzoek liet zien dat de ovale structuur waarschijnlijk in de elfde of twaalfde eeuw door ophoging in een moerassig terrein tot stand is gekomen. Het is dus zeker niet uitgesloten dat het hier om een vroeg burchtterrein gaat. (40)

Het op kaart 1 met nummer 4 aangeduide deel van de toevoergracht voor de gracht om de burcht werd in de zeventiende en achttiende eeuw herhaaldelijk het Klein Dommeltje genoemd. (41) Toch lijkt dit water gegraven te zijn, want voor een natuurlijke waterloop is het veel te recht. Deze gracht sluit aan op het zuid-noord lopende stuk (nummer 5). Bij de aanleg van de Steenweg (vanaf 1741) werd het zuidelijke gedeelte verlegd. Kronkelende perceelsgrenzen op de kadasterkaart van 1832 laten zien waar het water voordien liep. Ook dat oude beloop is echter vrijwel recht, vanaf een meander van de Dommel in het zuiden tot aan een haakse knik bij de overgang naar het stuk met nummer 4. Dit water doorsnijdt een hoger gelegen grondrug. Het lijkt hier dus ook om een gegraven water te gaan. De lichte meanders kunnen door stromend water van nature zijn ontstaan.

Tussen de ringgracht en de Dommel lag een eilandje dat in 1832 als moestuin gebruikt werd. Het is niet duidelijk of dit perceel ooit iets bijzonders is geweest. Langs het eilandje liep de weg die de burcht met de watermolen verbond (nummer 7): het 275 meter lange Molenpad. Deze weg is merendeels gericht op 'punt M' en niet - zoals te verwachten zou zijn - op de kerktoren. Deze toren kwam pas 1500 gereed.

De watermolens op de Dommel (nummer 9) waren in later tijd uitgerust met drie waterraderen voor drie molens: een graan-, een olie- en een run- of schorsmolen. Dit zou het grootste molencomplex van de Meierij geweest zijn. (42) In de Dommel bevond zich hier zowel een onregelmatig gevormd eiland als een grote brede molenkolk. Ook de watermolens op het Smalwater (nummer 10) spuiden in deze kolk. De Dommelwatermolens stonden over de ene Dommelarm; in de andere arm lag de stuw, waarbij ook een brug was (nummer 8). Dit is een 'klassieke' watermolen-topografie. Ook op de uitmonding van het Smalwater in de Dommel stonden watermolens (nummer 10). Deze molens hadden twee raderen. Het Smalwater werd al vóór 1232 gegraven en is een kanaaltje dat de Dommel met de westelijker lopende Beerze verbindt. Het Smalwater was een leen van de heer van Boxtel. De visserij op dat water was een afzonderlijk leen. (43) Het kanaaltje voedde deze watermolen met water uit de Beerze. Het Smalwater werd in 1232, toen de heren van Oirschot-Vught hun bezit benoorden dit water kwijtspeelden aan de hertog, de Molengraaf genoemd. (44) Gerekend vanuit het centrum van Vught ligt de Maas, de noordelijke grens van het verdeelde bezit, 8,5 km naar het noorden, de Molengraaf 7,5 km naar het zuiden. Vught ligt dan redelijk in het midden. Het bezit van de Van Vughts lag kennelijk geheel op de linkeroever van de Dommel en de Dieze, en bestond waarschijnlijk uit tal van losse goederen. In het zuiden sluit die zwerm gronden dan vrijwel aan bij het bezit in Oirschot, dat een centrum had bij Spoordonk aan de al genoemde Beerze of Kleine Aa. Het feit dat Esch - net als de westzijde van Boxtel - tussen de Maas en de Molengraaf ligt, hoeft geen probleem te zijn als het alleen gaat om het aangeven van een zone waarbinnen de bedoelde verspreide eigendommen lagen.

Het Smalwater is een vroeg technisch kunststukje. Deze ongeveer 1750 meter lange verbinding doorsnijdt een hoge rug tussen de beekdalen van de Dommel en de Beerze. Doordat tegenwoordig het meeste water van de Beerze hierlangs in de Dommel stroomt, valt het kunstmatige karakter niet meer zo op. Het feit dat met het Smalwater een watermolen van de heer van Boxtel werd bediend en zowel het kanaaltje als de visserij erin leengoederen van Boxtel waren, wijst erop dat het initiatief tot aanleg van de heren van Boxtel was uitgegaan. De molen heeft kennelijk onder andere als volmolen gefunctioneerd, want langs het Smalwater lag een 'Volacker'. (45) In de vroege negentiende eeuw zou deze molen nog een roemruchte industriële periode doormaken. (46)

Thans is 'Borgakker' (nummer 11) de naam van een straatje tussen de Rechte Straat (de huidige Rechterstraat) en Stapelen. De naam komt voor in het cijnsboek van Boxtel uit 1705. Het gaat dan om percelen bij de Rechte Straat en de Dommel, naast en op de Borgakker, die grensden aan gronden van de heer van Boxtel. We hebben de indruk dat de Borgakker ooit een echte akker was die doorliep tot nabij de Spijker. Het zou dan de akker zijn die vanuit de Spijkerhoeve in eigen beheer werd bewerkt.

De Strijpt (Strijpe, Strijp) was de oude benaming voor het marktveld (nummer 12). (47) Deze benaming zou op een eerdere verkaveling in lange, smalle percelen kunnen wijzen, zoals die op oudere open akkers voorkwam. In 1832 waren de nabijgelegen open akkers van Liempde nog een kenmerkend voorbeeld van een zo'n inrichting. (48) Een dergelijke verdeling kan erop wijzen dat dit een erg oud akkerdeel was. Het lijkt naadloos aan te sluiten op de Borgakker.

Dit oude akkercomplex wordt doorsneden door de Rechte Straat (nummer 13). Die is 400 meter lang en ligt tussen het toevoerkanaal (nummer 5) en de Dommel. De Rechte Straat zal oorspronkelijk een onbewoonde toegangsdijk naar de brug (eerst een doorwaadbare plaats of voorde?) over de Dommel geweest zijn. Zodra de dijk hogere gronden bereikt, splitst de weg zich. Het rechte karakter van deze straat wijst op een aangelegde verhoogde weg.

We stellen dus vast dat bij de oudste fase van de ruimtelijke ontwikkeling van Boxtel-Binnen een reeks aanzienlijke 'kunstwerken' hoort. De burchtheuvel zal als basis wel een natuurlijke donk aan de Dommel hebben, maar werd waarschijnlijk toch aanzienlijk verbreed en misschien verhoogd. Dat kan de ring lage grond rond het centrale deels verklaren. Voorts werd, om de gracht te voeden, een 830 meter lang kanaal gegraven vanuit de Dommel. Om het Dommeldal te kunnen passeren werd een 400 meter lange verhoogde weg aangelegd, vermoedelijk met een brug over de rivier. In de Dommel werd een belangrijk molencomplex gebouwd. Om nóg een dubbele molen te kunnen aandrijven werd vanuit de Beerze een 1750 meter lang kanaal gegraven. Al deze werken zouden van vóór 1200 kunnen dateren. Ze duiden op een aanzienlijk belang van Boxtel en zijn heren.

Fase 2: het marktblok

Opnieuw gebruiken we een kaartje om aan te geven over welke onderdelen we spreken. Kaart 3 heeft een eigen nummering, waarnaar we in het onderstaande verwijzen. Het rechthoekig marktplein (nummer 2), dat 100 bij 35 meter meet, ligt op een rechthoekig terrein (nummer 3), waarin ook de huispercelen passen (135 tot 150 m bij 160 tot 135 m). Aan de noord- en zuidzijde loopt er een watertje langs. Volgen we dat watertje, dan omvat het markterrein in 1832 ook nog een even breed 'leeg' terrein (nummer 4) ten oosten van de bebouwing van de Markt. Aan de westzijde sluit dit 'marktblok' aan op de kerkhoogte en de mogelijk al wat eerder bebouwde straat langs de Dommel (nummer 1). Het noordelijke watertje heette, zoals eerder gezegd, het Klein Dommeltje. Het zuidelijke watertje (nummer 5) werd steeds als de 'Dorpsgrave' aangeduid. (49) Blijkbaar is op een gegeven moment de gemene akker van Boxtel opgeheven en is op dat terrein een nieuwe, planmatig aangelegde nederzetting gebouwd, die aan alle kanten door water omgeven was en grensde aan de Spijker en de burcht. Op dat moment zou de burchtkapel opgewaardeerd kunnen zijn tot dorpskerk. Het huidige kerkgebouw heeft een oriëntatie van 11o ten noorden van het oosten. (50)

De huizen aan de Strijpt moesten een groot aantal cijnshoenderen opbrengen. (51) Ook de huizen in de kommen van Sint-Oedenrode en Helmond betaalden cijnshoenderen, naast geldcijnzen. Er kan dus een samenhang zijn met het (voor)stedelijk karakter van deze nederzettingen, alhoewel ook van gewone boerenpercelen volop hoenderen als cijns werden betaald. (52)

Kunnen we deze transformatie dateren? De kerk wordt al in 1293 genoemd, een plebaan al in 1290. (53) De hertog van Brabant stichtte nova oppida (nieuwe nederzettingen) te Sint-Oedenrode en Eindhoven tegen 1232, in Oisterwijk kort vóór 1212 en in 's-Hertogenbosch rond 1195. Het is denkbaar dat de heer van Boxtel in de vaart der volkeren niet wilde achterblijven en een gelijksoortig initiatief nam. Dat ook anderen dan de hertog tot dergelijke ondernemingen in staat waren, is niet vreemd. De heer van Breda blijkt in 1212 over minimaal twee oppida te beschikken, waarschijnlijk Breda en Bergen op Zoom (54), en het lijkt goed mogelijk dat ook de heer van Zundert-Hertog in het midden van de dertiende eeuw een nieuwe nederzetting opzette. Gezien deze achtergronden denken we dat de 'marktplaatsstichting' in Boxtel omstreeks 1290 plaatsvond, mogelijk zelfs rond het midden van de dertiende eeuw. Mogelijk is er een samenhang met de verwerving van Stapelen door de heer van Boxtel (55), die daardoor de burchtheuvel kon verlaten en zijn intrek op Stapelen kon nemen. Enige vorm van stedelijke rechten lijkt Boxtel nooit te hebben verkregen.

Fase 3: de Rechte Straat

De Rechte Straat dateert als beekdalovergang mogelijk al uit fase 1. Maar toen er op de Strijpt een grote nederzetting ontstond, zal men ook aan de Rechte Straat zijn gaan wonen. Uiteindelijk kwam dáár het verkeer langs. Aan de noordzijde zijn de huiskavels opvallend ondiep (6 meter) omdat ze tegen de Dorpsgrave aanliggen, het grachtje van het Marktblok. Aan de zuidzijde zijn er drie blokken met in oostelijke richting toenemende diepte: 46, 55 en 67 meter (kaart 3, nummers 7, 8 en 9). We zien daarin een mogelijke geleidelijke groei in de planmatige structuur. Wanneer eerst de Rechte Straat als nederzetting opgezet was en pas daarna het Marktblok, dan zou men aan de noordzijde wel diepere percelen hebben aangelegd. De feitelijke situatie wijst erop dat de volgorde andersom was. De huizen aan de Rechte Straat betaalden, naast de Sint-Maartenscijns, ook cijns in hoenderen. (56) De Rechte Straat blijkt in 1480 reeds bestraat te zijn en in het cijnsboek van 1705 is de benaming vaak Rechte Steenstraat. De brug aan de westzijde (nummer 6) werd aangeduid als de Grote Brug of Zwaanse Brug. Naast de brug lag de herberg De Zwaan, aan de andere kant stond het huis De Beer. (57)

Fase 4 en 5: de Borgakker en de Steenweg

Het noordelijk deel van de Borgakker was waarschijnlijk al bebouwd geraakt bij de transformatie van de Strijpt tot marktnederzetting. Het zuidelijke deel ( kaart 3, nummer 11) raakte blijkbaar pas bebouwd nadat de bebouwing van de Rechte Straat tot stand was gekomen. De huiskavels zijn veelal diep (65 tot 85 meter) en lopen aan de westkant tot aan de Dommeloever. Alleen ter hoogte van de kerkhoogte zijn de kavels ondiep en lopen ze tot aan een beemd die langs de Dommel lag.

Vanaf 1741 werd een kaarsrechte steenweg aangelegd van Den Bosch naar Eindhoven. Het project verliep niet naar wens en aanvankelijk kwam de weg niet verder dan Best. Het noordelijke stuk was gericht op de toren van Boxtel en sloot vlak bij de kerk aan op de reeds bestaande bestrating in Boxtel. Via de Rechte Straat ging het verder. Even voor de oostelijke brug begon het volgende rechte stuk, dat eveneens op de toren van Boxtel gericht werd. Het toevoerkanaal voor de burchtgracht werd aan de oostzijde langs deze weg geleid. Langs deze nieuwe 'grote weg' kwam tussen 1741 en 1832 al wat bebouwing tot stand: meer aan de zuidkant dan aan de noordkant.

Het huis Stapelen

Op kaart 1 staat het huis Stapelen, gezien vanuit de tot hier behandelde nederzetting, aan de overzijde van de Dommel. Het doet aan de hiervoor beschreven ontwikkeling helemaal niet mee. Hooguit was de verwerving van dit huis door de heer van Boxtel van belang omdat daarmee de burchtheuvel van Boxtel vrij kwam voor andere doeleinden. Het huis Stapelen staat in het Dommeldal, te midden van al dan niet vergraven meanderresten. Bovendien komen nabij deze plaats nog twee beekjes uit in de Dommel. Het betreft een beek die van Boscheinde afkomt en een tweede beek die langs de zuidzijde van Klein Liempde stroomt. Het gehucht Boscheinde kwam tussen beide beken tot ontwikkeling. Het verwijst in zijn naam naar het heerlijk bos De Vorst, waarop de heer van Boxtel in 1342 rechten verwierf. (58)

Boskant is waarschijnlijk een jongere nederzetting. Breukelen, een gehucht dat ten noordwesten van Stapelen lag, is gezien de ligging en naam mogelijk wel een oudere nederzetting. Maar vooralsnog zijn er bij Stapelen zelf geen oude structuren herkenbaar. Stapelen lijkt, ondanks een oorsprong die in de twaalfde eeuw moet liggen, echt niet meer dan een huis, een waterkasteel, gebouwd tussen de Dommelarmen.

Nader onderzoek

Het bovenstaande is uiteraard geen uitputtende beschrijving van de ruimtelijke ontwikkeling van Boxtel. Waar historische bronnen zwijgen, kan archeologisch onderzoek een aanvulling geven. Vooral enkele ruw ingeschatte dateringen kunnen wel wat verfijning gebruiken. Bovendien zijn de historische bronnen helemaal niet uitgeput: ze zijn zelfs amper aangeraakt. Hier ligt een mooie taak voor de plaatselijke heemkundige kring. Een eerste begin is gemaakt. De inmiddels beschikbare bewonerslijsten (59) zouden uitgebouwd kunnen worden tot een kaart van de oude huis-, straat-, brug- en waternamen. Daarmee komt de oude topografie van het centrumgebied beter in zicht en wellicht komen er nog benamingen naar voren die meer over het ontstaan van de nederzetting vertellen. Zo kan ook de begrenzing van de Borgakker beter bepaald worden. Als bronnen zijn er de leen- en cijnsboeken, de schepenbrieven en de verpondingsboeken. Een tweede aanvullend onderzoek kan bestaan uit het analyseren van de hoogteligging van de straten aan de hand van technische kaarten van het huidige rioolstelsel, die bij de gemeente beschikbaar zijn. Op die kaarten staat onder andere de hoogteligging van de rioolputdeksels aangegeven, die tevens de hoogte van het (huidige!) straatniveau aanduidt.

Het bovenstaande is ook niet uitputtend omdat 'Boxtel-Buiten' helemaal buiten beschouwing bleef. Boxtel is ruim 51 km2 groot en we behandelden hier slechts 1½ km2. In dat buitengebied komen intrigerende namen voor: Selisel, Luisel en Munsel lijken zele-namen, Boedecom lijkt een heem-naam (60) en van Tongeren en Casteren krijg je Romeinse visioenen. (61) Waar lagen in dat buitengebied oude bezittingen en rechten van de heren van Boxtel en waar komen we in de invloedssfeer van het hertogelijk wildernisregaal? Rond 1800 had de heer van Boxtel zeven domeinhoeven. Een daarvan was Onrode, een tweede de Vorsthoeve. Hoe heeft hij de andere vijf verworven? Hoe sloot de Rechte Straat aan op een regionaal of interregionaal wegenpatroon? En hoe past Boxtel in het vroege nederzettingenpatroon van dit deel van de Meierij van Den Bosch? Door lang verwaarloosde archieven na te pluizen, misschien wat ongebruikelijke maar informatieve bronnen als kaarten van het huidige rioolstelsel te raadplegen en vooral ook de terreingesteldheid in de beschouwingen te betrekken, is het mogelijk om oude ideeën nader te preciseren of geheel nieuwe op te doen. Archeologisch onderzoek van de nederzetting moet dan wel de ontwikkelde ideeën toetsen en voor een aantal nadere dateringen zorgen. Het is betreurenswaardig dat het weinige wél verrichte archeologische onderzoek na zes jaar nog steeds zonder wetenschappelijk verantwoorde verslaglegging blijft. Dit hindert het historisch onderzoek onnodig. Van belang is of de datering van de stichting van de burcht aansluit op de hypothese dat Boxtel in oorsprong een keizerlijk domein was. Van belang is ook de datering van de marktnederzetting. Als die uit de jaren 1210-1230 dateert, kan de stichting ervan in rechtstreekse concurrentie met hertogelijke stichtingen gestaan hebben. Bij datering in de periode 1230-1300 gaat het eerder om het navolgen van die ontwikkelingen en bij datering na 1300 is de marktnederzetting een nakomertje dat voor de basisinrichting van de Meierij niet meer zo relevant was.

Tot slot

Alhoewel dit dus slechts een eerste grondige verkenning van de historisch-geografische ontwikkeling van Boxtel-Binnen is, kunnen toch enkele belangrijke conclusies getrokken worden. De ronde omgrachte hoogte van de kerk van Boxtel was de locatie van een mogelijk twaalfde-eeuwse burcht. Deze interpretatie wordt ondersteund door de constatering dat binnen de omgrachting de Spijker van de heer van Boxtel lag en doordat het mogelijk is om - uitgaande van die burcht met agrarische omgeving - de transformatie naar een kerkterrein met bijbehorende, quasi-stedelijke nederzetting te illustreren met gegevens uit het kadaster en de cijnsboeken. Die transformatie dateren we voorlopig in de dertiende eeuw. Daarbij werd 's heren Spijker een volleen van de heer en werd het akkerterrein opgeofferd, eerst voor een marktplein met ombouwing en vervolgens voor de bebouwing van de Rechte Straat. Deze straat en de Kerkstraat werden al in de late Middeleeuwen bestraat. Bij de oorspronkelijke burchtaanleg hoorden 'kunstwerken' die over een groot gebied verspreid lagen.

De burcht was het centrum van de heerlijkheid Boxtel, die aanvankelijk een rechtstreeks keizerlijk leen was en die mogelijk voortsproot uit een keizerlijk domein. De oorsprong van dat hypothetische domein zou dan in de tiende eeuw moeten liggen, toen de keizer probeerde greep op Texandrië te krijgen. Stapelen ligt aan de andere kant van de Dommel en was slechts een omwaterd kasteel in het Dommeldal, zonder daaraan verbonden bijzondere rechten, zoals het keizerlijk leen Boxtel die wel had. Niettemin moet ook Stapelen minstens uit de twaalfde eeuw dateren. Stapelen is niet het enige oude goed in de omgeving; ook Onrode kan er een geweest zijn, al had dat steeds het karakter van een landbouwbedrijf.

Wie de Brabantse expansie over de Meierij bestudeert, moet ook rekening houden met de heer van Boxtel. Die liet zich als plaatselijk machthebber niet zomaar door de hertog opzij zetten en voegde bovendien door de bouw van een infrastructuur (zoals het Smalwater en de watermolens vóór 1232) en de transformatie van zijn aanvankelijk agrarisch georiënteerde bezit (zie de marktnederzetting vóór 1293) een niet-hertogelijke marktplaats toe aan het economisch netwerk van de regio. Zo zal ook dit dorp op verantwoorde wijze zijn tot nu toe miskende plaats in de discussies over de Brabantse expansie in de twaalfde en dertiende eeuw kunnen innemen.


Noten

1 Zo geeft W. Steurs in Naissance d'une région. Aux origines de la Mairie de Bois-le-duc. Recherches sur le Brabant septentrional aux 12e et 13e siècles (Brussel, 1993) slechts op één kaartje (blz. 170) de lokatie van Boxtel aan en schrijft hij helemaal niets over de historie van de plaats. J.J.E.M. de Visser, Boxtel binnenste buiten (Wijchen, 1993), geeft wel allerlei details over het centrum.

2 C.H.M. de Bont, '... Al het merkwaardige in bonte afwisseling...'. Een historische geografie van Midden- en Oost-Brabant (Waalre, 1993), zegt niets over Boxtel; H.J.M. Thiadens, Historisch-geografische voorstudies van Boxtel (deel II) (Boxtel, 1993) en H.J.M. Thiadens, Historisch-geografische verkenning van de kern van Boxtel (Boxtel, 1993) (beide ter inzage op de Openbare Bibliotheek Boxtel) steunen grotendeels op Boxtel in oude ansichten als bron en bevatten vooral speculaties.

3 W.J.H. Verwers, North Brabant in Roman and Early Medieval Times: Habitation history (Amsterdam, 1998).

4 F.C.W.J. Theuws, De archeologie van de periferie; studies naar de ontwikkeling van bewoning en samenleving in het Maas-Demer-Scheldegebied in de vroege middeleeuwen (dissertatie Universiteit van Amsterdam, 1988); F.C.W.J. Theuws. 'Centre and periphery in Northern Austrasia (6th-8th centuries). An archaeological perspective', in: J.C. Besteman, J.M. Bos en, H.A. Heidinga (eds.), Medieval archaeology in the Netherlands. Studies presented to H.H. van Regteren Altena (Assen/Maastricht, 1990) 41-69; F.C.W.J. Theuws en A.J.A. Bijsterveld, 'Der Maas-Demer-Schelde-Raum in ottonischer und salischer Kaiserzeit', in: H.W. Böhme (ed.), Siedlungen und Landesausbau zur Salierzeit. Teil 1. In den nördlichen Landschaften des Reiches (Sigmaringen, 1991) 109-146; F. Theuws, 'Landed property and manorial organisation in Northern Austrasia: some considerations and a case study', in: N. Roymans en F. Theuws (red.), Images of the past. Studies on ancient societies in Nothwestern Europe (Amsterdam, 1991) 299-407; F.C.W.J. Theuws en N. Roymans (eds.), Land and ancestors. Cultural dynamics in the urnfield period and the middle ages in the Southern Netherlands (Amsterdam, 1999).

5 E. Van Ermen, Feodaal-heerlijke verhoudingen en territoriale patronen in het middeleeuwse hertogdom Brabant (12de-14de eeuw) met bijzondere aandacht voor de regio Leuven. Leuven (diss. KU Leuven 1989). Zie verder ook: E. Van Ermen. 'Heerlijkheden in het hertogdom Brabant in de 13e eeuw', Brabantse Folklore (1987), 44-70.

6 W. Steurs, 'A propos des villes brabançonnes au moyen âge', Belgisch tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis 49 (1971), 751- 53; W. Steurs, 'Les franchises du duché de Brabant au moyen âge. Catalogue alphabétique provisoire', Bulletin de la Commission pour Ancien Lois et Ordonnances 25 (1973), 141-300; W. Steurs, Les campagnes du Brabant Septentrional au Moyen Age: la fondation de la ville neuve d'Oisterwijk par le duc Henri Ier (Leuven, 1974); W. Steurs, 'La région entre Dommel et Peel (Brabant Septentrional). Peuplement rural, géographie politique en créations des villes, 1200-1400 environs', Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis 60 (1982), 791-808; W. Steurs, 'Les phénomènes urbains dans le Brabant septentrional jusqu'aux environs 1300', in: J.-M. Duvosquel en A. Dierkens (eds.), Villes et Campagnes au moyen âge. Mélanges Georges Despy (Luik, 1991) 643-652; W. Steurs, ''s-Hertogenbosch: terug naar de bronnen', Noordbrabants Historisch Jaarboek 9 (1992), 189-196; W. Steurs, Naissance d'une région; W. Steurs, 'Abbayes et défrichements en Campine. Notes sur les exploitations cisterciennes et norbertines dans le Brabant septentrional aux 12e et 13e siècles', Tijdschrift van de Belgische Vereniging voor Aardrijkskundige Studies 65 (1996), 183-191. Zie ook de bespreking van Steurs Naissance d'une région door A.J.A. Bijsterveld in Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis 73 (1995), 1079-1084.

7 F.C.W.J. Theuws, 'Middeleeuwse parochiecentra in de Kempen 1000-1350', in: A. Verhoeven en F. Theuws (red.), Het Kempenprojekt 3. De middeleeuwen centraal (Waalre, 1989) 97-216, aldaar 194.

8 K.A.H.W. Leenders, Verdwenen Venen. Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad. 1250-1750 (Brussel/Wageningen, 1989); K.A.H.W. Leenders, Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde. Ontginnings- en nederzettingsgeschiedenis van het noordwesten van het Maas-Schelde-Demergebied, 400-1350. Een poging tot synthese (Zutphen, 1996).

9 P. Arts, 'De gemeentegrootte in West- en Zuid-Europa. Een kwantitatieve benadering', Tijdschrift van de Belgische Vereniging voor Aardrijkskundige Studies 62 (1993), 377-404; P. Arts, Gemeenten en parochies in West- en Zuid-Europa. Analyse van de invloed van fysisch-, socio-economisch- en historisch-geografische factoren op hun grootte, vorm en begrenzing met behulp van G.I.S.. (Dissertatie RU Gent, 1997); P. Arts, 'De grootte van de parochies in het hertogdom Brabant in de zestiende eeuw', Noordbrabants Historisch Jaarboek 16 (1999), 141-159.

10 M. van Asseldonk, 'Licht op Peellands verleden. Het graafschap Rode en de cijnskring Peelland', Helmonds Heem 20 (1994), nrs. 1 en 2; M. van Asseldonk, 'Het ontstaan van de dorpen en dorpsgrenzen in Peelland,' Helmonds Heem 21 (1995), 81-114; M. van Asseldonk, 'Het graafschap Rode. Bouwsteen van het middeleeuwse kwartier Peelland', Brabants Heem 48 (1996), 59-66; M. van Asseldonk, 'Kolonisatie en confrontatie. Een model voor de vorming van het gezag in Peelland en de Kempen in de twaalfde en dertiende eeuw', Helmonds Heem 22 (1996) nr. 3/4, 5-62; M. van Asseldonk, 's Hertogs tienduizend bunders. Het cijnsboek van de hertog voor de meijerij van 's-Hertogenbosch van 1340. Analyse en bewerking (Sri Lanka, 1998) (alleen te raadplegen op: users.bart.nl/~leenders/10000bu ); M. van Asseldonk, 'Census domini ducis. De cijnzen van de hertog van Brabant in de Meierij van 's-Hertogenbosch (1340-1351)', Noordbrabants Historisch Jaarboek 16 (1999), 33-95.

11 H.L.M. Vera, '650 jaar Beerse Gemeijnt', Campinia 14 (1984) 111-121; H.L.M. Vera. '... de wustine van Wyntelre en Vessem', in: J. van den Biggelaar e.a. (red.), De Hooge Dorpen. 700 jaar Vessem-Wintelre-Knegsel. 1292-1992 (Vessem, 1993) 172-184; H.L.M. Vera, 'Gemene gronden', in: J.G.M. Sanders (red.), Noord-Brabant tijdens de Republiek der Verenigde Nederlanden, 1572-1795. Een institutionele handleiding ('s-Hertogenbosch/Hilversum, 1996) 214-230; H.L.M. Vera, 'Geene Marken? Een onderzoek naar de aard van de rechtsverhoudingen tot de Noord-Brabantse gemene gronden' (Doctoraalscriptie Open Universiteit, 1997).

12 R. Rutte, 'Stedenpolitiek en stadsplanning door Hendrik I van Brabant, 1184-1235', Noordbrabants Historisch Jaarboek 16 (1999), 9-32.

13 A. de Wachter, 'De Kempen in het wereldsysteem. Een verkennend onderzoek' (scriptie RU Gent, 1995-1996); A. de Wachter, 'De opname van de Kempen in het hertogdom Brabant (elfde tot dertiende-veertiende eeuw). Een politiek-geografische probleemstelling', Tijdschrift van de Belgische Vereniging voor Aardrijkskundige Studies 68 (1999), 111-140; I. Wallerstein introduceerde in de jaren 1970 de 'wereld-systeemanalyse', een sociaal-wetenschappelijke analysemethode en interpretatiekader voor centrum-periferierelaties in de geografie.

14 Bijvoorbeeld de heer van Breda en, zoals we hier zullen betogen, de heer van Boxtel. Zie: Leenders, Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde, 358.

15 Bijvoorbeeld: Den Bosch (D. Hoogma en A. Steketee, 's-Hertogenbosch Waterstad. Een historische waterstaatkundige verkenning ('s-Hertogenbosch, 1996), Eindhoven (vooral archeologisch onderzoek) en Geertruidenberg (Hollandse stad, dezelfde periode: P.J. Margry. 'De topografische ontwikkeling van Geertruidenberg in de middeleeuwen', Jaarboek De Oranjeboom 37 (1984) 111-162).

16 Voor Oisterwijk geeft Steurs in Les campagnes in de tekst een redelijke uitleg, maar het kaartje is nutteloos.

17 Verwers, North Brabant in Roman and Early Medieval Times.

18 K.A.H.W. Leenders, 'De verandering van Eerschot in de 10e tot de 19e eeuw', Historisch-geografisch tijdschrift 16 (1998), 89-93.

19 Van Asseldonk, 'Het graafschap Rode'.

20 S.A.J.J. Aarts, 'De burchtenproblematiek van Boxtel', Het Brabants Kasteel 15 (1992), nr. 3/4, 39-53.

21 S.A.J.J. Aarts, 'Nieuws over Boxtel', Het Brabants Kasteel 17 (1994), 3-12.

22 Aarts, 'De burchtenproblematiek van Boxtel'.

23 A.J.A. Bijsterveld, Laverend tussen Kerk en wereld. De pastoors in Noord-Brabant 1400-1570 (Amsterdam, 1993) bijl. 3, onder Boxtel.

24 Cultuurhistorische inventarisatie provincie Noord-Brabant. Gemeente Boxtel ('s-Hertogenbosch: Provincie Noord-Brabant, 1984) 11: 'De structuur van de terpachtige kerkheuvel met de Sint-Petruskerk, waarvan de omgrachting in 1930 gedempt is, is opmerkelijk en uniek voor Brabant.'

25 Aarts, 'Burchtenproblematiek'; J. Vriens, 'Boxtel, een rijksonmiddellijke heerlijkheid in Brabant', in: A.J.A. Bijsterveld, B. van der Dennen en A. van der Veen (red.), Middeleeuwen in beweging. Bewoning en samenleving in het middeleeuwse Noord-Brabant ('s-Hertogenbosch, 1991) 77-83.

26 J. Vriens, 'De vervreemding van het rijksleen Boxtel in 1439', in: Van Blauwe Stoep tot Citadel ('s-Hertogenbosch, 1988) 57-68, aldaar 58.

27 Theuws en Bijsterveld, 'Der Maas-Demer-Schelde-Raum in ottonischer und salischer Kaiserzeit'.

28 Vriens, 'De vervreemding van de rijksleen Boxtel'.

29 Algemeen Rijksarchief Brussel (ARAB), Leenhof van Brabant (LvB) 1, 111r: mansionem de Stapele jacentem apud Boecstele; Idem, 117v: domum de Stapel.

30 Boxtel, kadastrale sectie E, nrs. 620 t/m 647.

31 Boxtel, kadastrale sectie E, nrs. 599 t/m 604, 607 t/m 619.

32 Rijksarchief in Noord-Brabant (RANB), heerlijkheidsarchief Stapelen: nr. 90, charter van 24 juli 1342.

33 ARAB, LvB 2, 50r; niet in oudere registers.

34 G.M. van Aalst en J.C. Kort, 'De leenen van de hofstede Boxtel in het Land van Heusden, 1356-1688', Met gansen trou 40 (1990), nr. 6/7, 95-109.

35 Aarts, 'Burchtenproblematiek'; Aarts, 'Nieuws over Boxtel'; Thiadens, Historisch-geografische voorstudies van Boxtel; Thiadens, Historisch-geografische verkenning van de kern van Boxtel.

36 Thiadens, Voorstudies en Verkenning.

37 RANB, Huisarchief Stapelen. R.J. Wols, Inventaris van het huisarchief Stapelen 1294-1879 ('s-Hertogenbosch, 1981) nr. 101, f. 23r: den spykert, huys, hofstat ende hof metten tzijns ende bout met alle synen rechten toebehoirten gheleghen byden kerckof van Boxtel (1450).

38 Aarts, 'Burchtenproblematiek', 49.

39 Mededelingen van dr. W.J.H. Verwers, 15 september 1999, en van de heer D. Zeldenrust, 21 februari 2000.

40 H.L. Janssen, 'Nieuws uit Noord-Brabant', Het Brabants Kasteel 17 (1994), 64-66.

41 RANB, Huisarchief Stapelen, nr. 102, f. 22ev; nr. 27, f. 320v.

42 J.A. Pel, Economische bedrijvigheid in transitie: Boxtel in de negentiende en twintigste eeuw (Tilburg, 1994).

43 RANB, Huisarchief Stapelen, nr. 101.

44 Molregrave: H.P.H. Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. Deel I: De Meierij van 's-Hertogenbosch (met de heerlijkheid Gemert) (Den Haag, 1979) nr. 160; A.C.M. Kappelhof, 'Vught in de middeleeuwen (900-1300). Het raadsel van de twee kerken', in: J. van den Eijnde (red.), Vught vanouds. Vughtse historische reeks 3 (1995), 7-32, aldaar 18.

45 RANB, Huisarchief Stapelen, nr. 27, f. 306r (1705).

46 Pel, Economische bedrijvigheid in transitie.

47 RANB, Huisarchief Stapelen, nr. 27, f. 298ev.

48. Vergelijk: C.J.M. Buiks, Veldnamen in de Baronie van Breda (Breda, 1992) 68-69; C.J.M. Buiks, Laat-middeleeuws landschap en veldnamen in de Baronie van Breda (Assen, 1997) 129-130; H. Beijers en G.-J. van Bussel, Van d'n Aabeemd tot de Zwijnsput. Toponiemen in de cijnskring Helmond vóór 1500 in naamkundig en nederzettingshistorisch perspectief (Helmond, 1996) 263-264.

49 RANB, Huisarchief Stapelen, nr. 27, f. 298-325, 342, 386v-393.

50 Zie over dergelijke afwijkende oriëntaties: K.A.H.W. Leenders, 'Kompas en kerkoriëntatie', Brabants Heem 33 (1981), 78-81.

51 RANB, Huisarchief Stapelen, nr. 27, vooral f. 392ev.

52 Van Asseldonk, 's Hertogs tienduizend bunders.

53 P.Th.A. Dorenbosch, De Boxtelse St.-Petrus: kerk van de parochie Sint-Petrus Stoel te Antiochië te Boxtel: over kerk, kapittel, toren, parochie, H. Bloedviering en orgel (Boxtel, 1983-1986) 9.

54 Leenders, Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde, 358; datering nu naar het Oorkondenboek Noord-Brabant II, nr. 937.

55 Aarts, 'Nieuws over Boxtel, 11: na 1219.

56 RANB, Huisarchief Stapelen, nr. 27, vooral 388r ev.

57 RANB, Huisarchief Stapelen nr. 27, f. 318r, 341v, 387v.

58 RANB, Huisarchief Stapelen nr. 90, charter van 24 juli 1342.

59 De Visser, Boxtel binnenste buiten.

60 Het ontstaan van de heem- en zele-namen wordt in de Merovingisch-Karolingische periode (zesde-tiende eeuw) gedateerd.

61 Tongeren: stad in Belgisch Limburg met een belangrijk Romeins verleden. Casteren, Kesteren: plaatsnamen die soms inderdaad op een Romeins castrum of legerkamp wijzen.


versie 7 juni 2005

© Copyright : dr K.A.H.W. Leenders