Oudenbosch wordt gedomineerd door de droom van pastoor Hellemons: de basiliek, een imitatie van de Sint Pieter in Rome, maar daarom niet minder indrukwekkend.
Het instituut Saint Louis kort
na de bouw. Op de achtergrond de kapel waarop, evenals op de basiliek,
een koepel staat. De ruimte ervoor is de 'cour' waar de internaat-leerlingen
speelden. Rond dit plein liggen de slaapzalen, klaslokalen en refters.
Achter het instituut zien we slechts weilanden met één boerderij
en rechts, in de schaduw van het instituut, een rij arbeiderswoningen.
Gedomineerd door een kerk die
meer op een kathedraal lijkt, ligt op een scherp afgetekende hoogte in
West-Brabant het centrum van Oudenbosch. Die hoogte bevindt zich tussen
het Oudenbossche Laag aan de zuidkant en de polder van Ouden- en Nieuwenbosch
aan de noordkant.
We weten tamelijk precies wanneer het gebied van Oudenbosch de donkere
Middeleeuwen verlaat en zijn entree maakt in onze geschiedenis. In de jaren
1300-1301 wordt de feitelijke basis van Oudenbosch als nederzetting gelegd.
In die periode beginnen vier ondernemende lieden met een grootschalige
turfproductie in de streek die dan nog niet bekend staat als het Ouden-
bossche Laag, want het was er nog niet zo laag.
Het gebied zat nog vol met veen!
De turf-ontginning begint ten zuiden van de hoogte waarop dan nog het Baarlebos
groeit. De turfondernemers brengen hun productie met schuiten over een
vaart naar de door hen gegraven Oudenbossche Haven. Daar slaan ze de turf
over op schepen die groter water kunnen bevaren.
Aan de haven worden een paar
zoutketen gebouwd. Arbeiders vervaardigen daar zout uit de as van turf
die ten noorden van Oudenbosch gestoken wordt. Al die activiteiten vinden
aanvankelijk nog plaats in een soort wildernis.
Als het aan de dorpsheer ligt, de abt van Sint-Bernaards, moet dat ook
zo blijven. Immers, het is de turf- en zoutondernemers verboden om zomaar
een dorp te stichten. Toch groeit dat dorp vanzelf. Hoe meer hutten en
loodsen er rondom de overslag-plaats verrijzen, hoe meer bomen van het
Baarlebos er verdwijnen.
Na enkele tientallen jaren is de omvang van de eerste primitieve nederzetting
zodanig gegroeid, dat er behoefte is aan een eigen kerk. Die komt op het
huidige kerkhof aan de spoorwegovergang.
In het gebied ten noorden van het Baarlebos vindt eveneens ontginningswerk
plaats. Daar ontstaat min of meer tegelijkertijd de nederzetting Nieuwenbosch.
Dit Nieuwenbosch wordt in 1358 een parochie. Van lieverlede gaat het dorpje
in het Baarlebos dan Oudenbosch heten.
Bij de Elisabethsvloed van 1421 gaan de polders van Nieuwenbosch ten onder,
de parochie houdt geen stand. Het centrale deel van het dorpje kan in 1425
met behulp van een kade nog enigszins behouden blijven.
Pas in 1460 wordt het verloren gegane gebied weer in zijn geheel en definitief
bedijkt, maar van het stichten van een nieuw dorp is geen sprake meer.
Het perceel van de verdronken kerk van Nieuwenbosch blijft nog eeuwen duidelijk
zichtbaar in het landschap. Tot de ruilverkaveling toeslaat en dit middeleeuwse
restant onderploegt. "Behoud van cultuurhistorische waarden in het
landschap", heet dat.
De middeleeuwer slaagt erin zijn energiebronnen snel uit te putten. In
1350 is de Oudenbossche Laag helemaal leeggeturfd.
Wat nu?
In 1357 leggen arbeiders de laatste hand aan het verlengen van de turfvaart
van Oudenbosch richting het pas gestichte Rucphen. Rond 1400 volgt een
verdere verlenging naar 'een schijve moers' ten zuiden van Rucphen. Dat
is het latere Schijf. Uiteindelijk zou de vaart doorlopen tot aan Nieuwmoer:
in totaal twintig kilometer lengte!
Zo blijft Oudenbosch tot de oorlogsperikelen die het stadje in 1583 treffen, een belangrijke turfuitvoerhaven. Bovendien beleeft de haven van Oudenbosch drukke tijden als strategisch gelegen veerhaven op de route van Brabant naar Holland. Keizer Karel V brengt er op 31 mei 1515 de nacht door tijdens zijn inhuldigingsreis door de Lage Landen.
Het protestantisme krijgt in
Oudenbosch maar moeilijk voet aan de grond. De Noordwesthoek (Willemstad
en Fijnaart) is rond 1587 al gewonnen voor de nieuwe leer. In Oudenbosch,
Hoeven, Oud-Gastel en Rucphen ontstaat pas tijdens het Twaalfjarig Bestand
een voedingsbodem voor de hervorming.
Dat komt vooral doordat voordien Spaanse troepen veel moeite doen om dat
strategische gebied te behouden voor hun koning. Overigens: deze dorpen
waren toen uit schrik voor de militairen vrijwel ontvolkt, zodat je je
kunt afvragen wie er nog was om ergens in te geloven.
In de turfvaart van Oudenbosch zit een voor die dagen opvallend waterbouwkundig
verschijnsel. Aan de zuidkant van de Oudenbossche Laag moet de vaart over
korte afstand een hoogteverschil van zeven meter overwinnen. Daar wordt
het Bossche Hoofd aangelegd. Dat is een constructie die het hoogteverschil
opvangt.
Hoe? Dat weten we niet precies. Mogelijk wordt de turf uit de schuiten
van de bovenvaart uitgeladen en op het hoofd opgestapeld om vervolgens
in schepen op de benedenvaart te worden overgeslagen.
Mogelijk is er een sluizensysteem geweest. Het is ook moeilijk te achterhalen.
Nu is er op die plaats een bosje waar de weg middendoor loopt. Een oude
weg slingert er nog netjes omheen.
Het dorp Bosschenhoofd ligt wat verder naar het zuiden en heeft, behalve
de naam, niets met het echte Bossche Hoofd te maken. Het dorp Bosschenhoofd
ontstaat ook pas in de late negentiende eeuw.
Het gebied van de nu opgeheven gemeenten Oudenbosch en Hoeven werd in de
jaren 1282-1298 van de heer van Bergen op Zoom verworven door de abdij
van Sint-Bernaards. Dit klooster ligt dan aan de Schelde, even ten zuiden
van Antwerpen. Een religieuze instelling als eigenaar van een dorp, zo
ging dat vroeger.
In veel nieuw te ontginnen gebieden brengen de abdijen de eerste maatschappelijke
ordening en een economisch structuur. Kennis en kunde op het gebied van
projectontwikkeling en mijnbouw, hier met name de turf-exploitatie, is
aanvankelijk het monopolie van de monniken.
Vandaar de grondverkoop aan de
abdijen, later ook aan particuliere ondernemers of groepen ondernemers.
Soms is er ook sprake van tussenvormen. Dan verkoopt de landheer zijn goederen,
maar behoudt het recht op erfcijns, een soort erfpacht of op het heffen
van andere belastingen. Vervolgens gaat het klooster de gronden ontginnen,
sticht er parochies en trekt bewoners aan. Profijt voor beide partijen.
Immers door het ontstaan van een eerste primitieve economie, komt er ook
bij de landheer weer geld in het laatje.
De Sint Bernaardsabdij koopt in 1282 honderd hoeven wildernis (ofwel 1550
hectare) in toen nog erg grote de parochie Gastel. Dat is de geboorte-akte
van Hoeven en Oudenbosch. De abt sticht er 'een uithof' met de naam Bovendonk.
Zo'n uithof is eigenlijk een agrarisch exploitatiecentrum, met eigen boerderijen
en voorzieningen. Op de uithof wordt ook de administratie over de overige
goederen van de abt gevoerd.
Hoeven is in de kern dan ook heel systematisch als een boerennederzetting
opgezet. Al bij de eerste planning is de akker er in brede lange stroken
verdeeld. Ook daar omheen overheerst een vrij systematische strokenverdeling
van de grond.
Op de Hoogste Halderberg wordt
in 1297 een kapel gebouwd. In 1310 promoveert die kapel tot parochiekerk
van Hoeven. Even ten noorden van de kerk vinden we in die tijd de windkorenmolen,
ook al eigendom van de abdij.
Hoeven ontwikkelt zich derhalve als een agrarische nederzetting van de
abdij. Oudenbosch daarentegen lijkt meer op een stadje met zelfstandige
ondernemers die actief zijn in de turfwinning, de zoutproductie, de scheepvaart
en scheepsbouw, en het transport.
Tot in de zeventiende eeuw is Oudenbosch een vervoersknooppunt gebleven.
Naarmate er in de Westhoek meer bedijkt wordt, komt het open water echter
steeds verder weg te liggen en worden de vaarroutes ingewikkelder.
De eigendomsverhoudingen in deze regio veranderen in 1559. Dan gaat het
bezit van de abdij over in handen van de nieuw geïnstalleerde bisschop
van Antwerpen. De situatie blijft zo tot na 1780. Dan wordt de kerk onteigend
door de Oostenrijkse keizer, heer van de zuidelijke Nederlanden.
In de negentiende eeuw komt Bovendonk weer in katholieke handen. Er wordt
een seminarie gesticht, een priester-opleiding, die het volhoudt tot augustus
1967. Het gebouw is nu een conferentie-oord.
In de negentiende eeuw krijgt de katholieke kerk in Brabant weer wat van
de oude zelfverzekerdheid terug. Oudenbosch profiteert er van. Het turfstadje
van weleer krijgt een nieuw exportproduct: onderwijs.
Het rooms-katholieke onderwijs wordt er de belangrijkste activiteit. Oudenbosch
groeit zodoende uit tot het geestelijk-intellectuele centrum van West-Brabant.
Het is vooral door toedoen van pastoor Willem Hellemans dat het katholieke
leven in Oudenbosch zich weer opricht.
Hellemans doet op 8 maart 1842 zijn intrede in Oudenbosch, in een oude
bouwvallige kerk. De pastoor is een ondernemend en bij vlagen ook visionair
man. Hij berekent dat er over vijftig jaar wel 5500 katholieken in het
stadje zullen wonen. Die prognose vormt de basis van de plannen voor een
nieuwe kerk. "Te bouwen naar het model van de kerken die men te Rome
en in zuidelijke streken ziet", aldus de pastoor. Hij denkt groot.
Het kerkbestuur neemt de dan al beroemde architect P.J.H. Cuypers in de
arm, de ontwerper van het Centraal Station in Amsterdam en van het Rijksmuseum.
Op 14 september 1880 wordt de voor die en ook voor onze dagen kolossale
kerk ingewijd.
Het is na de Sint Bavo in Haarlem en de inmiddels alweer afgebroken Willibrordkerk
in Amsterdam, de grootste kerk die in de negentiende eeuw in de Nederlanden
gebouwd wordt.
Rond deze imitatie van de Sint Pieter in Rome verrijzen scholencomplexen:
Saint Louis voor de jongens en Sainte Marie voor de meisjes. Ze krijgen
elk een eigen-internaat. De namen zijn Frans, want het onderwijsproduct
van Oudenbosch moet immers aan de betere standen worden verkocht en die
doen graag Frans in die dagen.
Het is niet alleen de katholieke chique van Zuid-Nederland die haar kinderen
naar Oudenbosch stuurt, ook het gewone volk weet de onderwijsinstituten
te vinden.
Uit de bevolkingsadministratie van Rotterdam blijkt dat heel wat bewoners
van de wijk Feyenoord hun kind in Oudenbosch naar school laten gaan. Zo
ontwikkelt zich in Oudenbosch een intellectueel leven op katholieke grondslag.
Veel van het katholieke is inmiddels geschiedenis, maar de vruchten van
de destijds verzamelde kennis zijn nog steeds zichtbaar.
Op het instituut Saint Louis
pioniert rond de jaren 1960 ene broeder Erik met sterrenkijkers. Zijn compaan
broeder Christofoor houdt zich intensief bezig met oudheidkundige vondsten.
Uit de eerste activiteit ontstaat de volkssterrenwacht die tientallen jaren
in Hoeven gefunctioneerd heeft en die onlangs na wat financiële turbulentie
geprivatiseerd werd en nu door het leven gaat als sterrenwacht Quasar.
Uit de bezigheid van broeder Christofoor groeit het natuurhistorisch museum
met de grote raadselachtige zwerfstenen van Oudenbosch als blikvangers.
Geologen weten met die keien nog steeds geen raad, vooral omdat niet bekend
is hoe ze precies in de grond hebben gezeten.
De vorm van de nederzetting Oudenbosch verraadt nog altijd een dubbele
oriëntatie. Het havenkwartier, waar de turfschuiten van weleer plaats
gemaakt hebben voor jachten, ligt in het westen. Aan de lage straatjes
stonden ooit de zoutketen. De plaats van de oude kerk, op het kerkhof aan
de spoorwegovergang, ligt daar een eind vandaan. Tussen beide polen ligt
nu de hoog gelegen hoofdstraat van Oudenbosch. Dat is de straat waaraan
in de negentiende eeuw al die grote katholieke panden verrezen. Het zijn
deze monumentale gebouwen die het centrum van Oudenbosch nog altijd een
sterke eigen identiteit geven.
Om verder te
lezen:
W.C.M. van Oosterhout: Uit respect voor ons verleden. Uit: Bijdragen tot
de geschiedenis van Halderberge no 1, 1998.
Jaarboek Heemkundekring De Honderd Hoeven
Adres:
Natuurhistorisch Museum, Markt 30a Oudenbosch.
Reageren op dit artikel? Stuur een e-mail aan redactie@bnstem.nl